Bedrading en kabels kiezen, trekken en verbinden
Bedrading in huis draait om drie keuzes: welke kabel of draad je neemt, hoe je hem op zijn plek krijgt en hoe je hem verbindt. Binnen loopt losse installatiedraad door pvc-buis, in de kruipruimte en buiten gebruik je mantelkabel, en soepel snoer hoort alleen bij dingen die bewegen. Een verbinding zit altijd in een doos die bereikbaar blijft, en het aantal aders per buis is begrensd zodat je ze later nog kunt vervangen.
Alle gidsen over bedrading & verbinden
L en n draad
L is de fase en N is de nul. In een moderne installatie is bruin de fase, blauw de nul,…
Kroonsteentje
Een kroonsteentje verbindt twee aders met een messing hulsje en twee schroefjes, en dat werkt jaren probleemloos zolang de verbinding…
Lasdop
In een lasdop doet de stalen veer het werk: hij trekt de gestripte aders in elkaar en perst ze over…
Lamp aansluiten 2 draden
Een lamp met twee draden sluit je aan op blauw en zwart: blauw is de nul, zwart is de schakeldraad…
Lasklemmen
Een lasklem verbindt twee of meer draden in een lasdoos zonder schroeven. De keuze draait om één ding: welke draad…
L en n draad kleur
In een moderne Nederlandse installatie is bruin de fase (L), blauw de nul (N) en geel-groen de aarde. Komt er…
Schakeldraad
De schakeldraad is de zwarte ader die van de schakelaar terugkomt naar het lichtpunt. Aan die ader hangt de lamp,…
4 aderige kabel
Een 4-aderige kabel kom je in twee heel verschillende situaties tegen: bij 400 volt krachtstroom zonder nul, en bij 230…
Trekveerpomp
Een trekveerpomp is een handpomp die een stalen trekveer met korte slagen de leiding in duwt, zodat je veel meer…
Welke bedrading en kabels je in huis tegenkomt
Wie de eerste inbouwdoos opendraait, ziet zelden maar een soort draad. In een doorsnee Nederlandse woning zit een mengeling: losse installatiedraad in pvc-buis in de wanden, een mantelkabel door de kruipruimte, een soepel snoer naar de lamp en ergens buiten een dikke zwarte kabel naar de schuur. Welke van die vier je nodig hebt, bepaalt de rest van de klus. Staat jouw vraag hier niet tussen, kijk dan in het overzicht van alle elektraklussen in en om het huis.
Binnen leggen we de bedrading van oudsher aan als losse draad in buis. VD-installatiedraad heeft een massieve koperen kern per ader en een effen kleur isolatie, en die trek je door een gladde pvc-buis die in de wand of het plafond zit weggewerkt. Dat is geen traditie om de traditie: draden in een buis kun je er tien jaar later weer uittrekken en vervangen door dikkere of door meer aders. Precies daarom staat er ook een grens aan het aantal draden per buis.
Een mantelkabel doet hetzelfde werk, maar dan met alle aders al gebundeld in een buitenmantel. YMVK is de bekendste, met een zwarte of grijze pvc-mantel en massieve aders. XMVK is de modernere variant met een taaiere isolatie die tegen meer warmte kan, waardoor de kabel bij dezelfde doorsnede slanker en soepeler is. VMVK kom je nog tegen als aanduiding op oudere mantelkabel in bestaande installaties, en die vervang je bij een verbouwing gewoon door YMVK of XMVK.
De derde groep zijn de soepele snoeren. Die hebben tientallen dunne draadjes per ader in plaats van een massieve kern, want ze moeten kunnen bewegen zonder te breken. Daar hoort het aansluitsnoer van een apparaat bij, het tweelingsnoer van een schemerlamp en neopreen rubberkabel voor buiten en voor machines. Een soepel snoer hoort niet in een vaste installatie thuis en een massieve draad hoort niet in iets dat beweegt. Een kabel met vier aders vraagt om een eigen indeling, want de vierde ader is lang niet altijd de aarde.
| Soort | Hoe je hem herkent | Waarvoor je hem gebruikt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| VD-installatiedraad | Een massieve kern, effen gekleurde isolatie | In pvc-buis in wand, plafond en meterkast | Uitsluitend in buis, nooit los in het zicht |
| Soepele installatiedraad | Zelfde maat, maar met veel dunne draadjes | Korte stukken, bochtige trajecten en bedrading in een kast | Altijd adereindhulzen onder een schroefklem |
| YMVK-mantelkabel | Ronde zwarte of grijze mantel, massieve aders | Kruipruimte, opbouw, naar schuur of garage | Mag los liggen, wel om de halve meter beugelen |
| YMVK-as | Zelfde kabel met een aardscherm om de aders | In de grond en op vochtige plekken | In zand leggen en afdekken, niet los op puin |
| XMVK | Dunner en soepeler dan YMVK bij dezelfde doorsnede | Overal waar YMVK ook mag, en waar het krap is | Verdraagt meer warmte, maar niet automatisch meer stroom |
| Neopreen rubberkabel | Zwarte rubbermantel, soepel en taai | Buiten, machines, verplaatsbaar gereedschap | Uv-bestendig, maar niet bedoeld om in te metselen |
| Tweelingsnoer 230v | Plat, twee aders, vaak transparant of wit | Schemerlamp en verlichting zonder aarde | Geen aarde, dus alleen voor dubbelgeïsoleerde armaturen |
| Pendelsnoer voor lampen | Rond en soepel, twee of drie aders | Hanglampen en losse armaturen | Trekontlasting verplicht, het snoer draagt niets |
| Beldraad | Dun, twee of drie aders, meestal wit | Deurbel en bel-transformator op laagspanning | Nooit samen met 230 volt door dezelfde buis |
| Solar kabel voor zonnepanelen | Dubbel geïsoleerd, uv-bestendig, 4 of 6 mm² | Tussen panelen, optimizers en omvormer | 4 mm² volstaat meestal, 6 mm² bij lange strengen |
| Papier-lood kabel | Loden mantel, papieren isolatie, loodzwaar | Oude grondkabels van de netbeheerder | Nooit zelf openen, insnijden of aftakken |
De juiste doorsnede kiezen, van 0,75 tot 6 mm²
De doorsnede in vierkante millimeters bepaalt hoeveel stroom een ader mag voeren, en die keuze maak je een keer goed of jarenlang fout. Te dun betekent warmte in de wand, spanningsverlies aan het eind van de leiding en in het slechtste geval een smeulende klem. Te dik kost alleen wat meer geld en soms een maat dikkere buis, dus bij twijfel ga je omhoog. Welke maat bij welke groep en welke lengte hoort, zoek je op in onze draad- en kabelkiezer.
Voor de vaste bedrading in huis gebruik je in de praktijk maar twee maten. Installatiedraad van 1,5 mm² hoort bij een lichtgroep en bij een gewone stopcontactgroep van 16 ampère. Draad van 2,5 mm² gebruik je bij een groep van 20 ampère, bij lange trajecten en bij alles waar een zwaar apparaat aan hangt, zoals een wasmachine, een droger of een vaatwasser. De keuze tussen 1,5 of 2,5 mm kabel maak je meestal op lengte: boven de twintig meter neem je de dikkere maat, omdat het spanningsverlies dan begint te tellen. Op de rol staat dat als installatiedraad 1,5mm of zwart installatiedraad 2,5mm.
Bij snoeren gelden andere getallen, want daar zit fijndradig koper in een rubber of pvc-mantel. Een snoer van 0,75 mm² is gemaakt voor ongeveer 6 ampère, en dat komt neer op zo'n 1350 watt. Dat is precies de reden dat een goedkoop verlengsnoer het begeeft onder een waterkoker plus een frituurpan: niet omdat de stekker het niet aankan, maar omdat de ader in het snoer te dun is voor wat erdoorheen moet.
Bij een kookgroep, een laadpunt of een aansluiting naar een bijgebouw kom je op 4 of 6 mm² uit. Een kabel 5x6mm², of hij nu YMVK 5x6mm², YMVK-as 5x6mm² of XMVK heet, heeft een buitendiameter rond de zestien millimeter, en daarmee wordt het opeens een ruimtelijk probleem in plaats van een elektrisch probleem. Bij een fornuis op een kookgroep is 6 kwadraat vaak overgedimensioneerd, maar bij een lange leiding naar een omvormer of een groepenkast in de schuur verdien je die extra dikte terug. Hoeveel vermogen je per groep kwijt kunt en of er een groep bij moet, reken je na met de groepencalculator.
| Doorsnede | Gangbare belasting | Ongeveer in watt bij 230 volt | Waar je het voor gebruikt |
|---|---|---|---|
| 0,5 mm² snoer | 3 ampère | circa 690 watt | Lampsnoer, klok, kleine adapter |
| 0,75 mm² snoer | 6 ampère | circa 1350 watt | Hanglamp, standaard verlengsnoer, tafeldoos |
| 1,0 mm² snoer | 10 ampère | circa 2300 watt | Betere verlengsnoeren en kabelhaspels |
| 1,5 mm² vast | 16 ampère | circa 3600 watt | Lichtgroep en gewone stopcontactgroep |
| 2,5 mm² vast | 20 ampère | circa 4600 watt | Zware groep, lange leiding, wasmachine en vaatwasser |
| 4 mm² vast | 25 ampère | circa 5700 watt | Kookgroep, laadpunt, voeding naar de schuur |
| 6 mm² vast | 32 ampère | circa 7300 watt | Fornuis over lange afstand, omvormer, groepenkast in bijgebouw |
Draadkleuren van nu en van vroeger
Kleur is een afspraak en geen natuurwet, en dat merk je zodra je een huis van voor 1970 openmaakt. In de huidige codering is bruin de fase, blauw de nul en groen met geel de aarde. Zwart en grijs zijn de tweede en derde fase bij krachtstroom, en binnen een lichtpunt wordt zwart meestal gebruikt als schakeldraad. Wat L en N precies doen en waarom je ze niet mag verwisselen, staat in onze uitleg over de L- en de N-draad.
In installaties uit de jaren vijftig en zestig kom je rood, grijs en zwart tegen. Rood was de fase, grijs de nul, zwart de schakeldraad en groen de aarde, als er al aarde lag. Nog ouder is bedrading met een omvlochten stoffen of canvas buitenlaag, soms met een dun loodmanteltje eromheen. Die stof wordt bros, valt bij het minste aanraken van de ader af en laat koper bloot achter in de buis. Kom je dat tegen, dan is vervangen de enige verstandige stap.
Welke kleur bij welke functie hoort en hoe je dat in een bestaande installatie controleert, staat in het overzicht van de kleuren van de L- en N-draad.
De regel die je altijd aanhoudt: vertrouw een kleur nooit blind. In een lichtpunt is blauw regelmatig als schakeldraad gebruikt, en dan staat er spanning op een ader die er precies uitziet als een nul. Meet daarom na met een multimeter of een tweepolige spanningstester en niet met een spanningzoekerschroevendraaier, want die gaat ook branden op een ader die alleen maar meelift met het veld ernaast. Hoe je een schakeldraad herkent en doormeet leggen we apart uit.
Teken je installatie in terwijl je bezig bent. Een simpel bedradingsschema op een A4, met per centraaldoos welke ader waarheen loopt en welke kleur waar zit, scheelt bij de volgende klus een halve dag zoeken. Plak dat achter het deurtje van de meterkast en maak er ook een foto van, want papier in een meterkast vergeelt en verdwijnt.
| Functie | Kleur nu | Kleur in oude installaties | Waar de ader naartoe gaat |
|---|---|---|---|
| Fase L1 | Bruin | Rood | Naar de installatieautomaat in de groepenkast |
| Tweede fase L2 | Zwart | Rood of zwart | Alleen bij krachtstroom en perilex |
| Derde fase L3 | Grijs | Rood | Alleen bij krachtstroom en perilex |
| Nul N | Blauw | Grijs | Naar de nulrail achter de aardlekschakelaar |
| Aarde PE | Groen met geel | Groen, of helemaal afwezig | Naar de aardrail en de aardelektrode |
| Schakeldraad | Zwart, soms grijs of wit | Zwart | Van de schakelaar terug naar het lichtpunt |
Oude bedrading uitbreiden of in een keer vervangen
Bij een oud huis met oude bedrading komt bijna altijd dezelfde vraag boven: mag ik hier een stopcontact bijzetten, of moet dan meteen alles eruit? Het antwoord dat in de norm besloten ligt is strenger dan de meeste mensen hopen. Zodra je een groep wijzigt of uitbreidt, moet dat hele deel van de installatie voldoen aan de eisen die vandaag gelden. Een aftakking maken in een doos mag prima, maar niet met oude draad naast nieuwe.
Wat dat concreet betekent voor de groep waar je aan zit: er ligt een aardgeleider mee en de groep hangt achter een aardlekschakelaar van 30 milliampère. Alle wandcontactdozen in die groep hebben randaarde, en binnen een ruimte zijn ze allemaal van hetzelfde type. Apparaten boven ongeveer 2000 watt horen op een eigen groep. Loopt die ene groep door drie kamers heen, dan trek je in alle drie de kamers nieuwe draad in. Zo groeit een extra stopcontact in een huis uit 1955 uit tot een project van een week.
De aanlegmethode zelf hoeft niet op de schop. In veel vooroorlogse en naoorlogse woningen ligt een hoofdleidingsysteem, in de wandelgangen het normaaldozensysteem: lasdozen verspreid door de vloer en het plafond, met aftakkingen op de plek waar ze nodig waren. Dat systeem mag blijven en je mag het ook gedeeltelijk ombouwen naar het centraaldoossysteem dat nu gebruikelijk is, met ononderbroken leidingen vanaf een centraaldoos naar elk stopcontact en elke schakelaar. De valkuil zit in de bereikbaarheid: een lasdoos die na het leggen van de vloer onder de vloerbedekking verdwijnt, is geen las meer maar een tijdbom.
Metalen leidingen mogen ook blijven zitten, mits ze geen langsnaad hebben. Een gelaste buis met een naad aan de binnenkant schaaft bij het intrekken de isolatie van je draad, en dan zit de fout er meteen in. Kom je in de meterkast of vanuit de straat een dikke kabel tegen met een loden mantel, aangeduid als papier-lood kabel of met een oude typeaanduiding als aop, dan is dat werk van de netbeheerder. Zulke kabels open of takt je niet zelf aan.
Keuren is niet verplicht als je zelf werkt. Dat betekent alleen niet dat het vrijblijvend is: bij brand of schade kijkt een verzekeraar naar wat er gedaan is en door wie. Een enkele ongeaarde wandcontactdoos laten zitten omdat er toch alleen een dubbelgeïsoleerde stofzuiger in gaat, klinkt redelijk zolang jij thuis bent. De volgende bewoner steekt daar een strijkijzer in.
Draden en kabels aan elkaar verbinden
Elke verbinding is een plek waar het mis kan gaan, dus daar gelden twee harde regels. Een las zit altijd in een doos of in een apparaat en nooit los in de spouw of onder het stucwerk, en een las blijft altijd bereikbaar zonder te slopen. Zodra je een lasdoos wegtegelt of in een dekvloer giet, heb je een probleem gemaakt dat je pas over tien jaar tegenkomt en dan met een breekhamer moet oplossen.
Strippen is het halve werk. Haal per ader ongeveer negen tot elf millimeter isolatie weg, precies zoveel dat er geen koper buiten de klem uitsteekt en geen isolatie in de klem verdwijnt. Gebruik een striptang en geen mesje: een inkeping in het koper is een breukpunt, en bij het pellen van de buitenmantel van een YMVK snijd je met een mesje al snel door de aderisolatie heen.
Kabels pellen doe je met een kabelmes met een instelbare haak, waarmee je de mantel in de lengte opensnijdt zonder de aders te raken. Bij fijndradig snoer horen adereindhulzen, anders glippen er losse draadjes onder de schroef vandaan en houd je een contact over dat af en toe warm wordt.
Welke maat kroonsteen bij welke draaddikte hoort, en waarom een te grote kroonsteen net zo slecht is als een te kleine, staat in onze uitleg over het kroonsteentje. Voor een centraaldoos vol massieve aders werkt een lasdop vaak sneller en netter. Op plekken waar je later nog aan wilt komen zijn lasklemmen met een hendel het prettigst, want daarin kun je massieve en soepele aders door elkaar kwijt. Die klemmen worden in de bouwmarkt vaak wago kroonsteen genoemd, naar het merk dat ze bekend maakte, maar het is geen kroonsteen: er zit geen schroef in en het contact komt van een veer.
Twee draden onder een klem is de meest gemaakte fout op dit onderdeel. Bij een schroefkroonsteen mag dat alleen als beide aders massief zijn, precies even dik en de klem daar volgens de fabrikant geschikt voor is. In alle andere gevallen doe je het niet, want een van de twee komt onder de schroef vandaan zodra het koper een beetje kruipt. Moet je vanaf een punt naar drie kanten, neem dan een klem met drie of vijf openingen in plaats van draden te stapelen. Een kroonsteen met drie draden is prima, mits elke draad zijn eigen gaatje heeft.
Loshalen gaat per type anders. Een kroonsteen met een kliksysteem laat los als je met een kleine schroevendraaier het lipje aan de zijkant indrukt terwijl je de ader terugtrekt. Een wago 273 openen doe je zonder hendel: draai de ader rond terwijl je hem terugtrekt, dan laat de veer los. Trek nooit recht en hard aan een steekklem, want dan rek je de ader uit en breekt hij precies in de klem af.
Een elektra kabel afdoppen doe je met een lasdop of een losse klem over de ader die je even niet gebruikt, niet met een prop isolatietape. Buiten en in de kruipruimte wil je waterdicht afdoppen, en daarvoor gebruik je een gelbox of een gietmof: die vult zich met gel en blijft ook dicht als er water tegenaan staat. Dat is ook het antwoord op de vraag hoe je een wago waterdicht krijgt: niet de klem zelf, maar de doos eromheen doet dat werk. Een gewone lasklem in een plastic zakje met tape eromheen is geen waterdichte verbinding, hoe vaak je dat ook ziet.
| Verbinding | Waar hij voor is | Wat hem sterk maakt | Waar hij misgaat |
|---|---|---|---|
| Kroonsteentje | Twee tot drie aders in een doos of armatuur | Goedkoop, in elke maat te krijgen, weer los te maken | Draait in de tijd los, en knijpt fijndradig koper stuk |
| Lasdop | Twee tot vier massieve aders in een centraaldoos | Snel, zonder gereedschap, veerkrachtig contact | Werkt slecht op fijndradig snoer |
| Lasklem met hendel | Alles wat je later nog wilt kunnen losmaken | Massief en soepel door elkaar, opnieuw te gebruiken | Duurder, en je hebt een klem per verbinding nodig |
| Steekklem zonder hendel | Massieve aders, verbindingen die blijven zitten | Vlak en klein, past in een krappe doos | Loshalen kan alleen door te draaien en te trekken |
| Doorverbindklem | Twee kabels recht op elkaar doorzetten | Compact, geen omweg in de doos | Er moet alsnog een doos omheen |
| Krimpverbinder | Snoerreparatie en verplaatsbaar materieel | Trekvast, en met lijmvulling ook waterdicht | Krimpen met een heteluchtpistool, niet met een aansteker |
| Gelbox of gietmof | Verbindingen buiten, in de grond of in de kruipruimte | Blijft waterdicht, ook onder water | Eenmalig, daarna krijg je hem niet meer open |
| Adereindhuls | Fijndradig snoer onder een schroefklem | Alle draadjes blijven netjes bij elkaar | Verkeerde maat is net zo slecht als geen huls |
Buis, leiding en hoeveel draden er in mogen
Elektrabuis is geen omhulsel maar een gereedschap voor later. Zolang er ruimte overblijft, kun je er over tien jaar een draad bij trekken of alles vervangen zonder de muur open te breken. Precies daarom is het aantal aders per buis begrensd. De NEN 1010 noemt zelf geen getal, die eist alleen dat je de draden erin en er weer uit krijgt zonder de isolatie te beschadigen. In de praktijk vertaalt zich dat naar een vaste vuistregel per buismaat, en dat is meteen het antwoord op de vraag wat het maximaal aantal draden per buis is.
De dikte van elektrabuis geven we in millimeters aan. In huis kom je twee maten tegen: 16 millimeter, van oudsher 5/8 inch genoemd, en 19 millimeter oftewel 3/4 inch. De keuze tussen elektrabuis van 16 of 19 mm maak je op het aantal aders: in een gladde buis van 16 mm passen vijf draden, waarvan er hooguit drie van 2,5 mm² mogen zijn. Ga je naar 19 mm, dan heb je flink meer ruimte en pas je ook vier aders van 6 mm² kwijt. In flexibele buis gaat er telkens een draad af, omdat de ribbels de doorlaat verkleinen en de wrijving verhogen.
Dat loopt sneller vast dan je denkt. Bij een hotelschakeling naar een zolderkamer heb je fase, nul en aarde nodig plus drie schakeldraden, en dan zit je met zes aders in een buis van 16 mm die er vijf aankan. Er zijn drie uitwegen: overstappen op 19 mm, een tweede buis leggen voor de drie schakeldraden, of de schakeling aderbesparend uitvoeren zodat je met minder draden toe kunt. Zolang de wand nog open ligt, is de dikkere buis het minste werk.
Flexibele elektrabuis, in de handel meestal afgekort tot flex, is een verhaal apart. Hij is snel gelegd en je hoeft niets te buigen, maar draad trekken is er beduidend zwaarder in dan in gladde pvc. Officieel is flexibel elektrabuis bedoeld als aansluitstuk op een inbouwdoos, een centraaldoos of de groepenkast, en niet als lange verbinding tussen twee stukken vaste pijp met een mofje aan beide kanten.
Wie er toch lange stukken mee legt, moet hem overal vastzetten. Een slap hangende flexbuis maakt scherpe bochten, en in de buitenbocht ontstaat tussen de ribbels een breuklijn. Als daar bij het aanstrijken specie in loopt, is draad trekken definitief voorbij. Bij vorst is flex op de bocht extra kwetsbaar.
Elektrabuis buigen doe je met een buigveer die je in de buis schuift, zodat de wand niet knikt maar mooi rond blijft. Bij koud weer helpt het om de buis eerst een nacht binnen te laten liggen, want koude pvc scheurt.
Elektrabuis vastzetten in muur en plafond gaat met zadels of met klemmen die je op een plug schroeft. De beugelafstand houd je in de praktijk op dertig tot vijftig centimeter, en je zet altijd een zadel vlak naast elke bocht en naast elke doos. Slagvaste elektrabuis herken je aan de zwaardere wand en gebruik je waar de kans op een klap bestaat, zoals in een garage, een schuur of tegen een gevel. Stalen of metalen elektrabuis kom je vooral tegen in oude installaties en in bedrijfspanden.
| Buismaat | Oude aanduiding | Aders 1,5 mm² | Aders 2,5 mm² | Aders 6 mm² |
|---|---|---|---|---|
| 16 mm glad | 5/8 inch | 5 | 3 | past niet |
| 16 mm flexibel | 5/8 inch | 4 | 2 | past niet |
| 19 mm glad | 3/4 inch | 8 | 5 | 4 |
| 19 mm flexibel | 3/4 inch | 7 | 4 | 3 |
| 25 mm glad | 1 inch | 12 | 8 | 5 |
| Mantelbuis 40 tot 50 mm | grondbuis | voor complete kabels | een tot twee kabels | een kabel, ruim genoeg om te trekken |
Draden trekken met een trekveer
Draden trekken is het onderdeel waar de meeste tijd in gaat zitten en waar het vaakst iets kapot gaat. De basisvolgorde is simpel: je duwt eerst iets dunners en stuggers door de buis, koppelt daar je draad of kabel aan en trekt het geheel terug. Dat dunnere is meestal een trekveer, en de keuze daarin bepaalt of je een half uur of een halve dag bezig bent.
Voor thuisgebruik is een stalen veer met een binnendraad de beste koop. Aan zo'n veer kun je stevig hangen, en door hem kort op te rollen maak je hem tijdelijk stugger, waardoor je hem door een bocht kunt stoten. Rol hem niet te strak op, want dan knapt de binnendraad.
De trekveerpomp, ook wel verenpomp genoemd, is het hulpmiddel dat het verschil maakt op de lange stukken. Je klemt de pomp op de veer en schuift hem heen en weer, zodat je met korte stoten telkens een stukje wint zonder dat je zelf met de hele lengte in de weer bent. Hoe je die pomp instelt en wanneer hij juist tegenwerkt, staat in onze uitleg over de trekveerpomp. Een veer van twintig meter ligt bij Gamma en Praxis gewoon in het schap, en voor een enkele klus kun je er ook een van dertig meter huren bij een gereedschapsverhuur.
Het bevestigen van de draden aan de veer is waar het meestal misgaat. Een kabel aan een trekveer vastmaken doe je zo: steek de aders door het oog, buig ze terug langs de veer en zet ze trapsgewijs vast met tape. De eerste ader kort, de tweede een centimeter verder en de derde nog verder. Zo krijg je een slanke, aflopende punt in plaats van een dikke bult die in elke bocht blijft haken.
Wikkel de tape altijd in de trekrichting mee, anders schuift hij eraf. Bij vijf draden aan een trekveer trekken wij liever twee keer twee in plaats van alles tegelijk.
Voor een complete mantelkabel gebruik je geen tape maar een trekkous: een gevlochten kous die om de buitenmantel klemt en strakker grijpt naarmate je harder trekt. Dat trekt makkelijker, en het is de enige manier om de kracht op de mantel te zetten in plaats van op de aders. Op installatiekabel staat een maximale trekkracht vermeld, vaak in de orde van tachtig newton, en dat haal je met twee man aan een veer sneller dan je denkt.
| Type trekveer | Prijsklasse | Waar hij goed in is | Waar hij tegenvalt |
|---|---|---|---|
| Nylon veer, 4 mm | rond 10 euro | Korte rechte stukken gladde buis, loze leidingen | Komt slecht door flexbuis en door meerdere bochten |
| Stalen veer met binnendraad | 20 tot 30 euro | Het meeste werk in huis, je kunt eraan hangen en ermee stoten | Roest als je hem nat opbergt, knikt bij verkeerd oprollen |
| Kunststof veer op haspel | rond 60 euro | Lange stukken, blijft soepel en knikt niet | Minder stootkracht, en aanzienlijk duurder |
| Glasvezelveer | vanaf 80 euro | Mantelbuis in de grond, duwen over grote afstand | Veel te stug voor buis binnenshuis |
| Trekdraad in een loze leiding | zit er al in | De trekveer erdoor halen | Niet geschikt om er direct een kabel aan te trekken |
| Nylon koord van 3 mm | een paar euro | Met een stofzuiger door een lastige buis zuigen | Geen duwkracht, dus je moet het zuigen of laten zakken |
Als de trekveer of de kabel vastloopt
Een veer die de laatste meters niet doorkomt, is een van de meest voorkomende problemen bij het trekken van draad naar zolder of naar een tweede verdieping. Het eerste dat je doet is proberen vanaf de andere kant. Kom je van beide kanten op ongeveer dezelfde plek vast te zitten, dan weet je waar de blokkade zit en hoe ver hij ligt. Voer de veer verder in vanaf de kant waar je het dichtst bij het obstakel begint, want hoe korter het stuk veer in de buis, hoe meer duwkracht je overhoudt.
Controleer daarna of de oude kabel er echt helemaal uit is. Een achtergebleven laatste meter van een oude telefoonkabel of coax vult de buis precies zo ver dat er niets meer bij kan, en dan blijf je duwen tegen iets wat niet meegeeft. Heb je aan beide uiteinden de oude kabel zonder veel moeite teruggetrokken, dan mag je ervan uitgaan dat de buis leeg is.
De truc die bijna altijd werkt is een dun nylon koord van drie millimeter met een propje plastic zak eraan, dat je met een stofzuiger door de buis zuigt. Zet de stofzuiger aan de ene kant op de leiding en laat het propje aan de andere kant los. Het zakje vangt de luchtstroom en neemt het koord mee, ook door bochten waar een veer op stukloopt.
Daarna werk je in stappen omhoog: met het koord trek je een stevige VD-draad in, met die draad de trekveer, en met de veer pas de echte kabel. Dat lijkt omslachtig maar kost minder tijd dan een uur wringen met een veer die niet wil.
Een internet- of netwerkkabel naar zolder doortrekken vraagt om nog een voorzorg. Zo'n kabel knoop je niet direct aan het dunne zwarte trekdraadje dat fabrikanten in een loze leiding achterlaten. Aan zo'n trekdraad krijg je een utp-kabel niet fatsoenlijk vast, en er zit geen rek in. Trek er de veer mee door en gebruik daarna de veer voor de kabel: die heeft wat veerweg, waardoor je bij een stroeve bocht extra kunt zetten zonder dat er meteen iets breekt.
Zit de kabel halverwege muurvast, dan helpt smeren. Kabelglijmiddel werkt het beste, maar een natte spons of een plantenspuit over de kabel brengt je vaak net zo ver, zeker bij witte mantels die in een bocht tegen de buiswand aan plakken. Een siliconenspray op de kous en op de eerste halve meter kabel doet hetzelfde werk zonder de rommel.
Water in de leiding gieten lost niets op. Het loopt naar het laagste punt en komt daar weer tevoorschijn, meestal in een doos of achter het stucwerk.
Is de kabel in de leiding afgebroken en krijg je er niets meer naast, dan houdt het meestal op. Dan kies je een andere route: langs de buitenkant met een kabelgoot, via een naastgelegen loze leiding, of via de kruipruimte en een nieuwe doorvoer. Boven een verlaagd plafond in een meterkast kun je vaak een stuk leiding demonteren en zo alsnog om de blokkade heen werken.
Kabels door muren, vloeren en de grond in
Een kabel door een binnenmuur brengen is het simpelste geval: boor met een lange steenboor, schuif er een stukje buis doorheen als doorvoer en werk beide kanten af. Bij een buitenmuur of een spouwmuur wordt het serieuzer. Boor daar altijd met een licht afschot naar buiten, zodat regenwater dat langs de kabel loopt naar buiten druppelt en niet je spouw in. Schuif een buisje als mantel door het gat en werk het afdichten zorgvuldig af: buiten een uv-bestendige kit rondom de doorvoer, binnen een tule of een klein rozetje. Een kabel door een muur afdichten is geen afwerking maar isolatiewerk, want een open gat is een koudebrug en een tochtroute.
Boor nooit blind in een spouw. Er kunnen spouwankers, isolatieplaten en soms leidingen zitten, en een gat dat je door de binnenspouw jaagt en niet dichtmaakt, is een route voor tocht en vocht. Door een fundering boren is het geval waar je het beste van afblijft. De nette route loopt onder de fundering door of via de kruipruimte, en als er echt door gewapend beton geboord moet worden, is dat werk voor iemand met een kernboor en verstand van waar de wapening zit.
In de kruipruimte leg je kabels niet los op de bodem. De NEN 1010 vraagt voor kabels in de kruipruimte om een deugdelijke bevestiging en om materiaal dat tegen de omstandigheden kan. In de praktijk betekent dat: beugel ze tegen de balken of langs de wand, ruim boven de plek waar water kan staan, en gebruik een kabel die tegen vocht kan.
Onder een houten vloer loop je met de kabel langs de balken en niet dwars door het midden van een balk: een gat op de verkeerde plek verzwakt de balk. Als je een vloer of een wand opnieuw opbouwt en er balken bij komen, kijk dan eerst hoe je twee houten balken aan elkaar verbindt, want de bevestiging bepaalt waar je straks nog mag boren. Door een ventilatiekanaal of een rookgasafvoer gaat er nooit een kabel, hoe verleidelijk die kant-en-klare doorvoer ook lijkt.
Gaat de kabel de tuin in, dan gebruik je YMVK-as of een neopreen rubberkabel, en je legt hem op ongeveer zestig centimeter diepte. Onder een oprit of een pad ga je dieper en altijd in een mantelbuis, zodat je later kunt vervangen zonder de bestrating eruit te halen. Een kabel ingraven doe je in een bed van zand, met een geel afdeklint of stoeptegels erboven, en je meet in waar de ondergrondse kabel loopt, gemeten vanaf een muur of een paal. Voor grondspots en tuinverlichting geldt hetzelfde: liever een maat dikker en op diepte, dan een dun snoertje net onder de graszode.
Voor je gaat graven, zoek je uit wat er al ligt. Bij mechanisch graven is een graafmelding verplicht, en ook met de schop is het verstandig om eerst de aansluitleidingen in kaart te brengen.
Kleuren geven een hint maar geen zekerheid: een gele buis is bijna altijd gas, een blauwe buis meestal drinkwater, zwart en grijs zijn elektra of telecom, en een paarse of lila buis kom je tegen bij openbare verlichting en datakabels. Vind je iets waarvan je het niet zeker weet, graaf er dan met de hand omheen. Wil je een bestaande kabel terugvinden, dan werkt een leidingzoeker die op de kabel wordt aangesloten beter dan een detector die je alleen over de grond haalt.
| Doorvoer | Zo pak je het aan | Diepte of maat | Waar het misgaat |
|---|---|---|---|
| Binnenmuur | Lange steenboor, buisje als doorvoer, tule aan beide zijden | Gat 4 mm ruimer dan de doorvoer | Boren zonder te controleren op leidingen erachter |
| Buitenmuur of spouw | Afschot naar buiten, mantelbuisje, buiten afkitten | Minimaal 10 mm ruimer dan de kabel | Gat open laten, waardoor water de spouw in loopt |
| Houten vloer of balklaag | Langs de balken beugelen, boren in het midden van de hoogte | Gat niet groter dan een kwart van de balkhoogte | Dwars door de onderkant van een balk zagen |
| Kruipruimte | Beugelen tegen balken of wand, kabel geschikt voor vocht | Ruim boven de waterlijn | Kabel los over de bodem laten liggen |
| Onder een terras of pad | Mantelbuis van 40 tot 50 mm, ruim doorlopen aan beide kanten | Dieper dan de tuin, minstens 60 cm | Kabel zonder buis onder bestrating |
| In de tuin | YMVK-as in zand, afdeklint erboven, route inmeten | Ongeveer 60 cm diep | Te ondiep, waardoor de eerste spitbeurt hem raakt |
| Ventilatiekanaal of rookgasafvoer | Niet doen, altijd een eigen doorvoer maken | n.v.t. | Kabel in een kanaal dat warme of vochtige lucht voert |
Kabels netjes wegwerken, binnen en buiten
Zichtbare bedrading is geen probleem, zolang de kabel beschermd ligt en je hem later terugvindt. Binnen zijn er drie routes die er goed uitzien: door de wand in buis, achter een plintgoot, of in een opbouwgoot langs het plafond. Achter een gewone plint een kale kabel wegduwen is de slechtste van de drie, want de eerste spijker door de plint zit precies in je fase. Wil je toch achter de plint werken, frees dan een groef in de wand, leg er buis in en houd de kabel minstens vijf centimeter van de bovenrand van de plint af.
In een wand blijf je in de installatiezones: verticaal boven en onder een aansluitpunt en horizontaal in de stroken langs plafond, vloer en deurstijl. Wie zich daaraan houdt, kan later boren zonder een leiding te raken, en wie diagonaal door een muur trekt, zorgt voor een verrassing bij de volgende bewoner. De maten van die zones en de gebruikelijke hoogtes voor stopcontacten en schakelaars vind je in ons overzicht met standaardmaten en installatiehoogtes.
Buiten geldt: of de kabel kan tegen uv en regen, of hij zit in slagvaste buis. Langs een gevel beugel je om de dertig tot veertig centimeter, met een beugel direct naast elke bocht. Een kabel in een voeg wegwerken kan mooi uitpakken, mits je de voeg echt uitfreest, er een slanke buis of een platte goot in legt en daarna opnieuw voegt in dezelfde kleur.
Langs een schutting laat je de kabel niet strak lopen maar met een ruime lus bij elke paal, want een schutting beweegt met de wind mee. Hang een lichtsnoer tussen palen nooit aan het snoer zelf. Een kabel spannen over een afstand doe je met staal: span een staaldraad tussen de palen en bind het snoer daar met bindertjes aan vast, zodat de trekkracht op het staal komt en niet op het koper. Een buitenlamp of een wandlamp waarvan je het snoer over de muur moet wegwerken, sluit je aan in een waterdichte doos vlak achter het armatuur, zodat er geen los snoer over de gevel loopt.
Bij een rolluik of een knikarm zonnescherm zit de zwakke plek altijd op het bewegende punt. De motorkabel van een rolluik loopt door de rolluikkast naar de schakelaar, en de kabel vervangen betekent bijna altijd de kast openen. Bij een knikarm breekt de kabel bij het scharnier omdat hij bij elk uitrollen buigt: gebruik daar soepele neopreen en leg een ruime lus, zodat de kabel meebuigt in plaats van te knikken. Kabels vastmaken en bundelen doe je met uv-bestendige tie-wraps die je niet strak aantrekt, want een bundel die klem zit kan minder stroom voeren en de mantel wordt op den duur ingesneden.
Op een dak met zonnepanelen mogen de kabels nooit los liggen of in een lus over het dakvlak hangen. Ze horen opgehangen in het montageframe onder de panelen, met uv-bestendige clips, zodat er geen water op blijft staan en marters er niet bij kunnen. De solar kabel tussen de panelen is 4 of 6 mm² en dubbel geïsoleerd, en die hoort niet zomaar in een gewone elektrabuis samen met 230 volt.
Naar binnen ga je door een echte dakdoorvoer: bij pannen een doorvoerpan met een tule, bij een plat dak een doorvoer met een manchet die je in de dakbedekking meeneemt. Door de regenpijp of door het kanaal van de mechanische ventilatie is geen route, hoe vaak dat ook wordt voorgesteld. Buitenom langs de gevel naar beneden kan wel, mits de kabel buitenshuis in slagvaste buis zit en netjes in een rechte lijn loopt.
Kabels en snoeren verlengen, inkorten en repareren
Een vaste kabel verlengen mag, mits de plek waar je de verbinding maakt bereikbaar blijft. Dat is de hele kern van de regel. Zit er een kabel in de vloer die je niet kunt vervangen en moet hij vijf meter verderop uitkomen? Zet dan een inbouwdoos in de wand op het punt waar hij nu uit de vloer komt, en trek vanaf daar in buis verder. Op die doos komt een afdekplaatje of een stopcontact, zodat de las achter een plaatje van een euro blijft zitten in plaats van achter drie vierkante meter tegels.
Bij een verlengsnoer werkt het anders. Een snoer met kroonsteentjes en tape aan een ander snoer knopen is geen verlenging maar een gevarenpunt: er zit geen trekontlasting in, de isolatie is niet gesloten en het geheel ligt op de vloer waar iedereen eroverheen loopt.
Vervang het hele snoer, of maak er een tweede snoer bij met een stekker aan de ene en een contrastekker aan de andere kant. Zet de trekontlasting in beide stekkers goed vast, gebruik adereindhulzen en houd de aders niet langer bloot dan nodig. Bij een geaarde uitvoering laat je de groengele ader een centimeter langer dan de fase en de nul, zodat de aarde bij een harde ruk als laatste losschiet.
Een doorgesneden of doorgeknipt snoer laat zich herstellen, maar niet met tape. Voor een verplaatsbaar snoer gebruik je krimpverbinders met lijmvulling: ader voor ader, de verbindingen onderling verspringend zodat er geen dikke bult ontstaat, en daarna een ruime krimpkous over het geheel. Zit de breuk vlak bij de stekker, dan is de stekker vervangen en het snoer inkorten bijna altijd de nettere oplossing. Bij goedkope kerstverlichting met drie draden houdt het op: die strengen zijn niet bedoeld om open te maken, en een reparatie in de tuin overleeft de eerste natte week niet.
Rolt het snoer van je stofzuiger niet meer op, dan zit het probleem in het oprolmechanisme en niet in het snoer. De veer in het haspelhuis is verslapt of het snoer is bij de doorvoer gerafeld. Bij merken als Miele en Philips is die complete snoerhaspel als onderdeel los te koop, inclusief snoer en stekker, en vervangen gaat sneller dan je denkt. Het is ook de enige route: een haspelsnoer verleng je niet, want het moet in zijn geheel op de rol passen.
Stekkers, stekkerdozen en verlengsnoeren
De vraag of een stekkerdoos in een stekkerdoos mag, komt vaker langs dan welke andere elektravraag ook. Het antwoord hangt niet af van het aantal dozen maar van de aderdikte in het snoer. Een goedkope tafeldoos uit de actiebak heeft vaak 0,5 of 0,75 mm² aders, en die is daarmee beperkt tot ongeveer 1350 watt. Een degelijke doos heeft 1,5 of soms 2,5 mm² en kan flink meer hebben.
Doorlussen zelf is niet het probleem, en een stekkerdoos die koppelbaar is, is daar juist voor gemaakt. Het probleem ontstaat zodra iemand aan het eind van de keten een kacheltje, een waterkoker of een frituurpan insteekt terwijl alles achter elkaar hangt via de dunste doos.
Een router, een modem, een beeldscherm en wat adapters achter elkaar op een stekkerblok in een stekkerblok is elektrisch geen enkel probleem: bij elkaar trekken die nog geen honderd watt. Het risico zit in wat er later bij komt en in wat een ander doet die niet weet hoe het geknoopt is. Kies daarom een doos met een dik snoer, leg de snoeren zo dat niemand erover struikelt, en zet een zwaar apparaat altijd rechtstreeks in een wandcontactdoos.
Bij het opladen van een elektrische auto via een gewoon stopcontact geldt dat in het kwadraat. De stekker wordt daar urenlang zwaar belast en voelt tijdens het opladen merkbaar warm aan. Stel de lader in op een lagere stroom, gebruik een kabel met 2,5 mm² aders, rol hem volledig af en zorg op termijn voor een vast laadpunt. Hoeveel je op een groep kwijt kunt zonder hem te overbelasten, reken je na met de groepencalculator.
Randaarde is het tweede misverstand. Een geaarde stekkerdoos in een ongeaard stopcontact past prima, maar er komt geen aarde in. De aarde moet vanuit de vaste bedrading via het stopcontact op je verlengsnoer terechtkomen, en zit die er niet, dan hangt de aardpen van je subwoofer of je pc aan niets.
Heeft een apparaat een randaardestekker, dan heeft de fabrikant bepaald dat de behuizing onder spanning kan komen te staan, en dan hoort er ook echt aarde aan. De oplossing is het stopcontact vervangen door een geaarde uitvoering en een aardader bijtrekken, waarbij alle wandcontactdozen in die ruimte hetzelfde type moeten worden. Een ongeaarde tafeldoos in een geaard stopcontact past overigens niet, en dat is met opzet zo gemaakt.
Veel mensen denken dat de oude driewegstekker verboden is. Dat is niet zo, hij wordt alleen nauwelijks meer verkocht, en met reden: het ding wordt mechanisch zwaar belast, heeft geen trekontlasting en hangt met drie adapters naast elkaar uit het stopcontact te kantelen. Een tafeldoos met een snoer doet hetzelfde werk zonder die hefboom.
Past een stekker niet in je verlengsnoer, dan is dat meestal een blokvormige adapter met een ingebouwde transformator die tegen de behuizing van de buurstekker aanloopt. Een doos met schuin geplaatste contacten of een korte tussenkabel lost dat op, forceren niet. Wat in webshops een kabel verlenger heet, is trouwens gewoon een verlengsnoer met een contrastekker eraan.
Een lampje in een stekkerdoos dat flikkert is bijna altijd het neonlampje of de overspanningsbeveiliging die aan het einde van zijn leven is. De beveiliging in zo'n doos slijt bij elke piek een stukje, en als het lampje van kleur verandert of dooft, beschermt hij niets meer. Zet de doos ook nooit op een radiator van de verwarming, achter een kast of onder een kleed: de warmte moet weg kunnen en je moet erbij kunnen. De kunststof klepjes voor de gaatjes zijn kinderbeveiliging, geen stofdop, en die haal je er dus niet permanent uit.
| Stekkertype | Aantal polen | Spanning | Waar je hem tegenkomt |
|---|---|---|---|
| Platte tweepolige stekker | 2 | 230 volt | Dubbel geïsoleerde apparaten, lampen, adapters |
| Randaardestekker | 2 plus aarde | 230 volt | Alles met een metalen behuizing of een verwarmingselement |
| Contrastekker | 2 of 2 plus aarde | 230 volt | Aan het uiteinde van een zelfgemaakt verlengsnoer |
| Perilex | 5 | 230 en 400 volt | Kookplaat, fornuis, oven met kookplaat |
| CEE vierpolig, rood | 3 fasen plus aarde | 400 volt | Machines zonder 230 volt aan boord |
| CEE vijfpolig, rood | 3 fasen, nul en aarde | 400 en 230 volt | Machines met besturing of verlichting op 230 volt |
| CEE blauw | fase, nul en aarde | 230 volt | Camping, boot, buitenaansluiting |
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Veelgestelde vragen
Hoeveel draden mogen er in een 16mm buis?
In een gladde buis van 16 millimeter, vroeger 5/8 inch, gaan vijf aders van 1,5 mm². Wil je dikkere draad, dan kun je er drie van 2,5 mm² in kwijt samen met twee van 1,5 mm². In flexibele buis gaat er telkens een ader vanaf, dus daar houd je vier draden over. De NEN 1010 noemt zelf geen aantal, die eist alleen dat je de draden erin en er weer uit krijgt zonder de isolatie te beschadigen. Het maximaal aantal draden in 16mm buis bestaat dus vooral zodat je later nog kunt vervangen.
Hoeveel draden mogen er door een 19mm buis?
Een gladde buis van 19 millimeter, oftewel 3/4 inch, neemt ongeveer acht aders van 1,5 mm², vijf van 2,5 mm² of vier van 6 mm². In flexibele uitvoering trek je daar telkens een draad vanaf. Dat betekent dat een complete kookgroep of omvormerleiding met vijf aders van 6 kwadraat er niet in past. Dan ga je naar 25 millimeter voor het traject, en gebruik je hooguit als laatste stukje bij een kastinvoer een kort pijpje van 19 millimeter.
Moet een YMVK kabel in een buis?
Nee, YMVK heeft een eigen buitenmantel en mag los liggen. In de kruipruimte, in opbouw tegen een wand en in een kabelgoot kun je hem zonder buis leggen, mits je hem netjes beugelt en hij nergens klem of gespannen zit. Buis gebruik je waar mechanische bescherming nodig is: in de grond, onder bestrating, in een dekvloer, in een spouw en op plekken waar geboord of gespijkerd wordt. Leg je hem in pvc-buis, houd dan ruimte over, want een kabel die de buis helemaal vult krijg je er nooit meer uit.
Wat betekenen de oude kleuren van bedrading?
In Nederlandse installaties uit de jaren vijftig en zestig is rood de fase, grijs de nul, zwart de schakeldraad en groen de aarde, als er al aarde ligt. Nu is dat bruin voor de fase, blauw voor de nul, groengeel voor de aarde en zwart of grijs voor de schakeldraad en de extra fasen. Grijs is dus van nul naar fase gegaan, en dat maakt het mengen van oude en nieuwe kleuren gevaarlijk. Meet altijd na met een tweepolige tester, want ook binnen een systeem is er in de praktijk van alles afgeweken. Meer hierover staat bij de L- en de N-draad.
Mag een verlengsnoer in een verlengsnoer?
Er is geen verbod op, maar er is wel een grens en die zit in de dunste schakel. Elk verlengsnoer heeft een eigen aderdikte, en de belasting van de hele keten wordt bepaald door het snoer met de dunste aders. Zit er ergens een goedkoop snoertje van 0,5 of 0,75 mm² tussen, dan is het geheel beperkt tot ongeveer 1350 watt, ook al hangt er verderop een dikke kabel aan. Koppel dus niet langer dan nodig, gebruik snoeren met minimaal 1 mm² en steek zware apparaten altijd rechtstreeks in een wandcontactdoos.
Kan een stekkerdoos in een stekkerdoos?
Ja, en in vrijwel elk huis gebeurt het achter de televisie of onder het bureau. Elektrisch is dat prima zolang je alleen lichte spullen aansluit, zoals een router, een modem, een beeldscherm en wat adapters. Het gevaar zit in de goedkope tafeldozen met erg dunne aders en in het moment dat iemand achteraan een kacheltje of een waterkoker insteekt. Kies dozen met een dik snoer, leg de kabels zo dat niemand erover struikelt, en zet de doos niet achter een kast of op een radiator waar de warmte niet weg kan.
Hoe sluit je een 5 polige stekker aan en welke kleur komt waar?
Bij een vijfpolige krachtstroomstekker gaan de drie fasen op L1, L2 en L3, de blauwe nul op N en de groengele ader op de aardklem. Kom je van een oude vierpolige aansluiting, dan gaan R1, S2 en T3 respectievelijk naar L1, L2 en L3, blijft de nulklem leeg en gaat groengeel op de aarde. De machine draait dan gewoon, want tussen twee fasen staat ongeveer 400 volt. Vertrouw de aderkleuren niet blind: in oude machines zit soms een blauwe ader als derde fase. Draait de motor de verkeerde kant op, wissel dan twee fasen om in de stekker.
Bestaat er een verloopstekker van 380 naar 220?
Als los verloopstukje niet. Wat je wel kunt doen, is uit een vijfpolige aansluiting een enkele fase en de nul gebruiken en daar 230 volt van maken, maar dan moet die aftakking correct beveiligd zijn en dat maakt het meer dan een stekkertje. Wil je een 400 volt machine op een gewoon stopcontact laten werken, dan heb je een frequentieregelaar of een transformator nodig, geen verloopstekker. Andersom kan wel: een apparaat met een vierpolige stekker sluit je zonder problemen aan op een vijfpolige doos door de nul ongebruikt te laten.
Mag een stekker warm worden?
Lauw na een uur zware belasting is normaal, vooral bij het opladen van een auto of bij een fornuis dat lang aanstaat. Te heet om vast te houden is niet normaal. De oorzaak is bijna altijd overgangsweerstand: verslapte veren in het stopcontact, oxidatie op de pennen of een schroef die in de stekker is losgelopen. Zie je verkleuring, een roetplek of een brandlucht, of hoor je geknetter, trek de stekker er dan uit en vervang de stekker en het stopcontact allebei. Als de een is doorgebrand, is de ander vrijwel altijd ook aangetast.
Hoe diep moet een elektra kabel in de grond?
Voor een kabel in eigen tuin houd je ongeveer zestig centimeter aan. Dat is diep genoeg om buiten het bereik van spitten, planten en tegelwerk te blijven. Onder een oprit of een pad ga je dieper en leg je de kabel altijd in een mantelbuis, zodat je later kunt vervangen zonder de bestrating eruit te halen. Gebruik YMVK-as of neopreen, leg de kabel in een bed van zand, dek hem af met geel afdeklint of stoeptegels en meet de route in vanaf een vast punt, zodat je later weet waar hij loopt.
Kun je een kabel ondergronds schieten en wat kost dat?
Onder een terras, een oprit of een pad door kun je een mantelbuis persen in plaats van alles open te breken. Voor korte stukken van een meter of twee lukt dat met een lange stalen buis die je met een moker doorslaat, of met een spuitlans die met water een gat spoelt. Voor langere afstanden huur je een grondraket of laat je het doen. De kosten van kabel ondergronds schieten hangen af van de lengte, de grondsoort en of er obstakels in de weg liggen, en er zit bij een bedrijf vrijwel altijd een vast bedrag aan voorrijden en opstellen bij. Vraag daarom om een prijs voor het complete traject en niet per meter.
Welk glijmiddel gebruik je bij kabels trekken?
Kabelglijmiddel is de nette keuze en bestaat voor het overgrote deel uit water met een polymeer dat het wat dikker maakt en langer laat zitten. Heb je het niet in huis, dan komt een natte spons of een plantenspuit over de kabel je in een woning meestal net zo ver. Dat helpt vooral bij witte mantels, die in een bocht tegen de buiswand aan plakken. Siliconenspray op de eerste halve meter en op de trekkous werkt ook goed. Gebruik geen afwasmiddel en giet nooit water in de leiding zelf, want dat komt ergens beneden weer naar buiten.
Wat doe je als de trekveer vastzit en niet verder wil?
Probeer eerst vanaf de andere kant, en voer daarna de veer in vanaf de kant waar je het dichtst bij de blokkade begint, want een korter stuk veer in de buis geeft meer duwkracht. Controleer of de oude kabel er echt helemaal uit is, want een laatste achtergebleven meter vult de buis precies genoeg om alles te blokkeren. Helpt dat niet, zuig dan met een stofzuiger een nylon koord van drie millimeter met een propje plastic zak door de leiding. Daarmee trek je de veer in en met de veer pas de kabel. Bij een verlaagd plafond kun je vaak een stuk leiding demonteren en zo om het probleem heen werken.
Kun je kabel trekken zonder trekveer?
Bij korte, rechte stukken lukt het met een stevige VD-draad van 2,5 mm² die je erin duwt, of met de zwarte trekdraad die fabrikanten in een loze leiding achterlaten. Bij bochten houdt dat snel op. De stofzuigermethode met een licht propje aan een dun koord is dan de betrouwbaarste route, want lucht gaat overal doorheen. Bouw daarna in stappen op: koord, dan een stevige draad, dan de veer, dan de kabel. Een utp- of coaxkabel knoop je niet rechtstreeks aan een dun trekdraadje, want die verbinding houdt de trekkracht niet en er zit geen rek in.
Welke trekveer is het beste, nylon of metaal?
Voor thuisgebruik is een stalen veer met binnendraad de beste koop, in de klasse van twintig tot dertig euro. Je kunt er hard aan trekken, en door hem kort op te rollen maak je hem tijdelijk stugger zodat je door een bocht kunt stoten. Rol niet te strak op, want dan knapt de binnendraad. Een nylon veer van een tientje voldoet in korte rechte stukken maar komt nauwelijks door flexbuis. Een glasvezelveer is bedoeld om over grote afstand door mantelbuis te duwen en veel te stug voor een woning. Voor lange trajecten combineer je hem met een trekveerpomp. Diezelfde stalen veer is trouwens ook het gereedschap waarmee je een regenpijp die verstopt zit doorprikt, maar houd daar dan een aparte veer voor, want blad en modder blijven eraan plakken.
Hoeveel watt kan er door een 0,75 kabel?
Een snoer met aders van 0,75 mm² is gemaakt voor ongeveer 6 ampère, en bij 230 volt komt dat neer op ongeveer 1350 watt. Dat is genoeg voor lampen, een televisie, een computer en de meeste adapters, maar niet voor een waterkoker, een frituurpan of een elektrisch kacheltje. Rol een haspel altijd volledig af, want opgerold kan de warmte nergens heen en zakt de toegestane belasting fors. Wil je meer vermogen kwijt, neem dan een snoer van 1 mm² of leg een vaste leiding met 1,5 of 2,5 mm² aan.
Hoe kort je het snoer van een hanglamp in of verleng je het?
Vervang het snoer liever dan dat je er iets aan zet. Draai de trekontlasting boven op de fitting los, draai het kapje eraf en kijk tussen de fitting en de behuizing: daar zitten meestal borglipjes die je met een kleine schroevendraaier naar buiten drukt, waarna de fitting eruit komt. Trek er een compleet pendelsnoer in, verkrijgbaar bij de lamponderdelen in de bouwmarkt in verschillende lengtes en kleuren. Voor inkorten meet je de lengte op met de lamp op zijn plek, tel je tien centimeter op voor het aansluitwerk in de plafondkap en knip je pas daarna. Een opgerolde lus boven de kap is geen goede oplossing, want die ligt in de warmte van het armatuur.
Hoe sluit je een badkamerventilator aan met 2 draden?
Een eenvoudige ventilator zonder nalooptijd heeft alleen een fase en een nul nodig en gaat dan samen met het licht aan en uit. Komen er twee draden uit het plafond en heeft de ventilator drie klemmen, dan is de derde bedoeld voor de geschakelde fase van de nalooptimer, en die kun je in de ventilator doorbruggen zodat hij met de lichtschakelaar meeloopt. Zit er alleen een lichtpunt, dan is doorbruggen bijna altijd de route, en anders trek je een derde ader bij door de bestaande buis. Hoe je dat oplost als er echt maar twee draden beschikbaar zijn, staat bij een lamp aansluiten met twee draden. Een ventilator met een stekker die je in een stopcontact in de badkamer prikt, is alleen toegestaan als dat stopcontact op de juiste afstand van bad en douche zit.
Hoe spoor je een kabelbreuk of kortsluiting in een kabel op?
Schakel de groep uit, maak de kabel aan beide kanten los en ga de kabel doormeten op breuk met de doorbelstand van een multimeter. Verbind aan de ene kant twee aders met elkaar en meet aan de andere kant of die lus doorloopt: hoor je niets, dan zit er een breuk in een van die twee. Kortsluiting in een kabel opsporen doe je andersom, door elke ader tegen alle andere en tegen de aarde te meten. Meet je op een lange leiding een weerstand die niet klopt, dan is de ader vaak niet gebroken maar ingeknepen. Voor het lokaliseren van de plek van een breuk in een lange grondkabel is speciale meetapparatuur nodig, en dan is het meestal goedkoper om een nieuwe kabel te trekken.
Hoe zit de bedrading van een oude ptt stekker en een rj11 aansluiting?
De oude Nederlandse telefoonstekker gebruikte de twee middelste contacten voor de spraakverbinding, en de overige contacten waren voor de bel en voor doorlussen naar een tweede toestel. Bij een moderne rj11-stekker zit het signaal eveneens op de twee middelste pinnen, en de polariteit maakt voor een gewone verbinding niet uit. Kom je nog een oude platte ptt-kabel tegen bij een adsl-aansluiting, dan is de klassieke fout dat de belader meeloopt en ruis geeft: gebruik alleen de twee aders die je nodig hebt en sluit de rest niet aan. Een splitter hoort direct op de eerste aansluiting in huis, niet halverwege een reeks doorgelust doosjes.