Schakeldraad herkennen en aansluiten
De schakeldraad is de zwarte ader die van de schakelaar terugkomt naar het lichtpunt. Aan die ader hangt de lamp, samen met de blauwe nul. De bruine ader staat altijd onder spanning en is bedoeld voor de voeding van de schakelaar, niet voor de lamp: sluit je de lamp daarop aan, dan brandt hij continu. Twijfel je welke ader wat is, dan meet je het met een tweepolige spanningstester in plaats van dat je op kleur afgaat.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Tweepolige spanningstester of duspol
- Multimeter met doorbelfunctie
- Striptang die op 1,5 mm² staat
- Geïsoleerde schroevendraaiers, plat en kruis
- Zijkniptang
- Trekveer met glijmiddel als er een ader bij moet
- Zaklamp en een rol schilderstape om aders te labelen
Materiaal
- Lasklemmen met hefboompje, 2- en 3-voudig
- Kroonsteen 2,5 mm² voor armaturen die daarom vragen
- Losse afdopklem of een lasklem als eindklem voor een ongebruikte fase
- VD-draad 1,5 mm² in zwart en zwart-wit
- Kabelbinders om de aders in de doos te bundelen
Wat een schakeldraad doet
Een schakeldraad is de ader die vanaf een schakelaar terugloopt naar het lichtpunt. Hij voert de fase, maar alleen op het moment dat de schakelaar aan staat. In een Nederlandse woninginstallatie is die ader zwart, en hij hoort bij het vaste kleurenschema dat we in ons overzicht over bedrading en verbindingen in huis verder uitwerken.
De route loopt zo. Vanuit de groepenkast komt de bruine fase in de centraaldoos boven het lichtpunt. Vanaf die doos gaat een bruine ader naar beneden naar de schakelaar. Zet je de schakelaar om, dan komt diezelfde spanning terug over de zwarte ader, en die zwarte ader gaat naar de lamp. De blauwe nul loopt rechtstreeks van de doos naar de lamp en komt nooit langs de schakelaar.
Op een bruine ader staat dus altijd spanning, ook als het licht uit is. Op een zwarte ader staat alleen spanning als de schakelaar aan staat. Dat ene verschil verklaart bijna alle vragen over lampen die het niet doen of juist onafhankelijk van de schakelaar blijven branden. Welke functie elke kleur heeft, staat ook uitgelegd bij de kleuren van de fase- en nuldraad.
| Ader | Functie | Waar hij vandaan komt | Spanning ten opzichte van de nul |
|---|---|---|---|
| Bruin | Fase, permanent onder spanning | Groepenkast, via de centraaldoos naar de schakelaar | 230 V, ook als het licht uit staat |
| Blauw | Nul | Groepenkast, rechtstreeks naar het armatuur | 0 V |
| Zwart | Schakeldraad, oftewel geschakelde fase | Terug van de schakelaar naar de lamp | 230 V zodra de schakelaar aan staat |
| Zwart met witte streep | Tweede schakeldraad of correspondentiedraad | Terug van een tweede schakelaar of tussen wisselschakelaars | 230 V, afhankelijk van de stand van de schakelaars |
| Geel-groen | Aarde | Groepenkast, verbonden met de aardrail | 0 V |
| Rood, grijs of zwart in heel oude installaties | Kan fase, nul of schakeldraad zijn | Installatie van voor de huidige kleurafspraken | Alleen met meten vast te stellen |
Kleur is een sterke aanwijzing, geen bewijs. Wie eerder aan de installatie heeft gezeten, kan een zwarte ader als nul hebben gebruikt of een blauwe als schakeldraad. Zie je oude en nieuwe kleuren door elkaar, bijvoorbeeld een groene aardedraad naast een geel-groene, dan meet je alles na voordat je iets aansluit.
Waarom de schakelaar in de fase zit en niet in de nul
Een lamp gaat net zo goed uit als je de nul onderbreekt in plaats van de fase. Toch hoort de schakelaar in de fase, en dat is geen smaakkwestie. Onderbreek je de nul, dan staat de hele lamp inclusief de fitting nog onder spanning terwijl het licht uit is. Wie dan een peertje vervangt en per ongeluk het schroefdraad van de fitting raakt, krijgt een klap terwijl hij denkt dat alles veilig is.
Om die reden gaat de bruine fase naar de schakelaar en komt de zwarte schakeldraad terug. Is de schakelaar uit, dan is de lamp echt spanningsloos. De blauwe nul blijft doorlopen naar het armatuur, maar op een nul staat geen spanning zolang de installatie klopt.
Dat betekent ook iets voor je eigen veiligheid tijdens de klus. Een lichtschakelaar uitzetten maakt de lamp spanningsloos, maar niet de bruine ader in de centraaldoos of in de schakelaardoos. Daar staat gewoon 230 V op. Schakel dus altijd de hele groep uit in de meterkast en controleer het daarna met een tweepolige tester. Wat er precies op welke groep zit en hoeveel er op één groep mag, reken je na met onze rekenhulp voor het aantal groepen en het vermogen per groep.
Schakeldraad aansluiten op bruin of blauw
Moet de schakeldraad nu op blauw of bruin? Dit is de vraag die het vaakst gesteld wordt, en het antwoord is kort. Aan de kant van de lamp sluit je de bruine ader van het armatuur aan op de zwarte schakeldraad, en de blauwe ader van het armatuur op de blauwe nul. De bruine ader uit het plafond of de muur gebruik je niet.
Dat voelt tegennatuurlijk, want je verbindt bruin met zwart. Maar de bruine ader van een lamp is niet meer dan de aansluitpunt voor de fase, en de fase komt bij een geschakeld lichtpunt via de schakeldraad binnen. Sluit je de lamp aan op de bruine ader uit de muur, dan brandt hij continu en doet de schakelaar niets meer.
Aan de kant van de schakelaar draai je het om. De bruine ader gaat op de voedingsklem, meestal gemarkeerd met een L of met het cijfer 1. De zwarte schakeldraad gaat op de uitgaande klem, vaak aangeduid met een pijl of met het cijfer 2. Bij twijfel houd je de aansluitschets aan die op de achterkant van het schakelmateriaal staat gedrukt, want de klemnummering verschilt per merk en serie. Hangt er een armatuur met maar twee aders aan, dan helpt onze uitleg over een lamp aansluiten met twee draden je verder.
Blijft er een bruine ader over die je niet gebruikt? Laat die niet los in de doos hangen. Zet er een losse lasklem of een afdopklem op, zodat de blanke kern nergens tegenaan kan komen. Die ader staat onder spanning zodra de groep aan is.
| Plek in de installatie | Blauw | Bruin | Zwart |
|---|---|---|---|
| Lichtpunt met een armatuur met bruin en blauw snoer | Blauwe ader van het armatuur | Niet gebruiken, afdoppen met een klem | Bruine ader van het armatuur |
| Enkelpolige schakelaar | Komt hier niet voor | Voedingsklem, vaak L of 1 | Uitgaande klem, vaak een pijl of 2 |
| Centraaldoos boven het lichtpunt | Doorverbinden naar het armatuur | Doorverbinden naar de schakelaar | Van de schakelaar naar het armatuur |
| Badkamerventilator met nalooptijd | Klem N | Klem L, voor de permanente voeding | Klem T of S, de stuuringang |
| Ventilator zonder nalooptijd | Klem N | Niet aangesloten | Klem L, gevoed vanaf het geschakelde lichtpunt |
| Wisselschakelaar | Komt hier niet voor | Alleen op de eerste schakelaar | Correspondentiedraden, meestal zwart en zwart-wit |
Wil je juist dat een lamp altijd brandt, bijvoorbeeld bij een bewegingsmelder of een armatuur met eigen sensor, dan is de bruine ader precies wat je nodig hebt. Sluit de lamp dan aan op bruin en blauw en zet de schakelaar permanent aan of vervang hem door een blinde afdekplaat.
Meten in plaats van gokken
Bij een lamp die het niet doet, is de reflex om aders om te wisselen tot het werkt. Dat is precies de aanpak die je installatie onbetrouwbaar maakt, want je weet achteraf niet waarom het werkt. Meten kost vijf minuten en geeft je zekerheid.
Gebruik een tweepolige spanningstester, in de bouw ook wel een duspol genoemd. Die meet tussen twee punten en heeft een echte belasting, waardoor hij geen spookspanning aanwijst. Zet de groep aan, houd de ene pen op de blauwe nul en de andere achtereenvolgens op elke andere ader. Doe die ronde twee keer: één keer met de lichtschakelaar uit en één keer met de schakelaar aan.
De ader die in beide gevallen 230 V geeft, is de permanente fase. De ader die alleen spanning geeft als de schakelaar aan staat, is je schakeldraad. Geeft een ader in beide gevallen niets, dan is dat een nul, een aarde of een ader die naar een ander punt loopt.
De spanningzoeker in schroevendraaiervorm laat je hiervoor liever liggen. Op aders die meters lang naast elkaar door dezelfde buis lopen, licht zo'n zoeker ook op door influentie, terwijl er in werkelijkheid niets op de ader staat. Je meet dan een spanning die er niet is en sluit vervolgens het verkeerde aan.
Voor het uitzoeken welke ader in doos A dezelfde is als in doos B gebruik je de doorbelfunctie van een multimeter, met de groep uit. Verbind aan de ene kant een verdachte ader met de aarde en zoek aan de andere kant welke ader dan doorbelt. Plak er meteen een stukje tape met een naam omheen, want twee dozen verder weet je het niet meer.
Meten aan een installatie onder spanning vraagt om discipline. Werk met één hand, raak geen blanke kernen aan en zet de tester eerst op een bekend stopcontact om te controleren dat hij het doet. Voel je je hier niet zeker bij, meet dan alles spanningsloos door met de doorbelfunctie in plaats van met de groep aan.
Geen schakeldraad aanwezig: wat je dan kunt
Soms komen er maar twee aders uit het plafond, bruin en blauw, zonder zwart erbij. Dat betekent bijna altijd dat de schakelaar in de leiding zit die naar dat punt loopt: de bruine ader ís dan de geschakelde fase, ook al is hij bruin. Meten met de schakelaar aan en uit maakt dat binnen een minuut duidelijk.
Komt er in de schakelaardoos alleen een bruine en een zwarte ader uit, dan is dat normaal. Daar hoort geen nul, want de nul loopt rechtstreeks naar de lamp. Dat wordt lastig zodra je een schakelaar wilt vervangen door een klokthermostaat, een dimmer met display of een slimme module, want die hebben vaak wel een nul nodig.
Ontbreekt er echt een ader, dan zijn er drie routes. De eerste is een extra ader bijtrekken door de bestaande buis. Zit er ruimte in de buis, dan gaat dat met een trekveer en wat glijmiddel vaak sneller dan gedacht; hoe je dat aanpakt lees je bij draad trekken met een trekveer. De tweede is een draadloze schakelaar of een zender met een ontvangermodule in de centraaldoos. Die heeft geen schakeldraad nodig en is bij een afgewerkte muur meestal de minst ingrijpende oplossing. De derde is een schakelaar in de voedingsleiding zelf plaatsen, bijvoorbeeld een trekschakelaar of een schakelaar op een aparte plek.
Wil je op een bestaand punt in één keer meer mogelijkheden hebben, dan is een leiding met een ader extra de nette keuze. Wat er per aderaantal mogelijk is, staat bij de vieraderige kabel en zijn toepassingen.
Badkamerventilator aansluiten met schakeldraad
Een badkamerventilator met nalooptijd heeft drie aders nodig plus aarde. Op de klem met L komt een permanente fase, op N de nul en op de klem met T of S de stuurdraad. Die stuurdraad is jouw schakeldraad: hij vertelt de ventilator dat het licht aan is. De permanente fase op L houdt de elektronica aan het werk, zodat de ventilator na het uitgaan van het licht nog een aantal minuten doordraait.
De stuurdraad haal je van de bestaande schakeldraad die tussen de schakelaar en de lamp loopt. Dat kan aan twee kanten. In de centraaldoos boven de lamp knip je de zwarte ader door en zet je er een driewegs lasklem tussen, waarbij de derde poot naar de ventilator gaat. Bij de schakelaar zelf sluit je de nieuwe ader gewoon bij op de uitgaande klem, mits die klem twee aders aankan. Steeds meer schakelmateriaal heeft doorlusklemmen die daarvoor bedoeld zijn, maar dat verschilt per merk en serie, dus kijk op de achterkant van het inbouwdeel.
Wat je nooit doet, is de stuurdraad bijsteken op de nulklem of op de klem waar de permanente fase binnenkomt. Op de nul werkt de ventilator niet en maak je een verbinding tussen twee stroomkringen die daar niet hoort. Op de permanente fase draait de ventilator continu, ook 's nachts. Past er geen tweede ader in de klem, dan is de oplossing altijd een lasklem ernaast, nooit twee aders onder één schroef persen. Welke klem waarvoor geschikt is, staat bij lasklemmen en hun toepassingen.
Badkamerventilator aansluiten zonder schakeldraad
Heeft de ventilator geen nalooptijd, dan volstaan twee aders plus aarde. Je sluit L aan op de geschakelde fase van het lichtpunt en N op de nul. De ventilator loopt dan exact zolang als het licht brandt en stopt op hetzelfde moment. In een douchecabine is dat aan de krappe kant, omdat de meeste damp pas na het douchen nog uit de ruimte moet.
Ligt er echt geen aparte stuurdraad en wil je toch naloop, dan zijn er ventilatoren met een ingebouwde vochtsensor of een eigen tijdschakeling die met twee aders werken. Die schakelen zichzelf in als de luchtvochtigheid stijgt. Dat werkt alleen als er permanent spanning op staat, dus zo'n model hang je aan een ongeschakelde voeding en niet aan het lichtpunt.
In een badkamer gelden extra regels. Rond bad en douche zijn zones aangewezen waarin materiaal een bepaalde spatwaterdichtheid moet hebben, en een gewone lichtschakelaar hoort daar niet. De aansluiting van een ventilator hoort achter een aardlekschakelaar van 30 mA. Weet je niet of jouw groep die heeft, of twijfel je over de zone waarin de ventilator komt, laat het dan nakijken voordat je hem ophangt.
Zwart-wit draad en meerdere schakeldraden in één buis
Kom je een zwarte ader met een witte streep tegen, dan is dat gewoon een tweede schakeldraad. Er zit geen andere functie achter en er hoort geen aparte behandeling bij. De kleur bestaat om verwarring te voorkomen als er meer dan één schakeldraad door dezelfde buis loopt. Zonder dat verschil ligt er straks een bundel identieke zwarte aders in een doos en weet niemand meer welke bij welke lamp hoort.
Je ziet zwart-wit vooral bij een rij schakelaars naast elkaar, bij een serieschakelaar die twee groepen lampen bedient en bij wisselschakelingen. Bij een wisselschakeling loopt de bruine fase naar de eerste schakelaar, gaan er twee correspondentiedraden naar de tweede schakelaar, en gaat vanaf de tweede schakelaar één ader naar de lamp. Die twee correspondentiedraden zijn in de praktijk vaak zwart en zwart-wit.
Bij een rij van vijf of zes inbouwdozen met wisselschakelaars en dimmers wordt het snel onoverzichtelijk. De aanpak die dan werkt is systematisch: leg de groep uit, meet met de doorbelfunctie welke ader in welke doos uitkomt, en label elke ader meteen met tape en een pen. Werk daarna per lichtpunt, niet per doos. Voor het onderling verbinden in zo'n doos zijn klemmen met een hefboompje handiger dan een kroonsteentje, omdat je zonder schroeven een ader kunt losnemen als een aanname niet blijkt te kloppen.
Zet met een watervaste stift op de binnenkant van elke afdekplaat welke ader waarheen loopt. Dat kost twee minuten en scheelt de volgende keer een halve middag meten, of het nu jij bent of de monteur die na jou komt.
Dikte van de schakeldraad en de juiste kabel
Een schakeldraad heeft dezelfde doorsnede als de rest van de kring waar hij in zit. In een lichtgroep die met 16 A beveiligd is, is dat 1,5 mm². Dunner mag niet: het is de zekering die bepaalt hoeveel stroom er maximaal door kan lopen, en die zekering ziet het verschil tussen een dikke en een dunne ader niet. Zit het lichtpunt op een groep die met 20 A of meer beveiligd is, dan hoort daar 2,5 mm² bij.
Het soepele snoer van 0,75 mm² dat aan een armatuur zit, is geen installatiedraad. Dat mag alleen binnen het armatuur en in de aansluitdoos zitten, niet als vaste bedrading door een buis. Wat je waar mag gebruiken en welke doorsnede bij welke beveiliging past, zoek je op in onze draad- en kabelkiezer.
Voor een kabel met schakeldraad let je op het aantal aders én op de kleuren. Een 3G1,5 mm² bevat geel-groen, bruin en blauw, dus daar zit geen ader voor de schakeldraad bij. Een 4G1,5 mm² bevat geel-groen, bruin, zwart en grijs, en dus geen blauw voor de nul. Wil je fase, nul, schakeldraad en aarde in één kabel, dan pak je 5G1,5 mm². Werk je met losse VD-draad in buis, dan trek je gewoon de aders die je nodig hebt en speelt dit niet.
De hoogte waarop schakelaars en dozen komen, ligt in de meeste woningen vast op een standaardmaat. Die maten staan in onze tabel met standaardhoogtes voor schakelaars en stopcontacten, zodat een nieuwe schakelaar op dezelfde lijn komt als de rest.
| Situatie | Wat je gebruikt | Aders | Waarom |
|---|---|---|---|
| Lichtgroep met losse aders in buis | VD-draad 1,5 mm² | Bruin, blauw, zwart en geel-groen los te trekken | Je trekt precies de aders die je op dat punt nodig hebt |
| Van centraaldoos naar schakelaar | VD-draad 1,5 mm² | Bruin en zwart | Fase heen, schakeldraad terug, de nul komt hier niet |
| Twee of meer schakeldraden door één buis | VD-draad 1,5 mm² | Zwart en zwart-wit | Elke schakeldraad blijft herkenbaar bij het aansluiten |
| Opbouw met fase, nul, schakeldraad en aarde | VMvK of XMvK 5G1,5 mm² | Geel-groen, blauw, bruin, zwart, grijs | In 4G1,5 ontbreekt de blauwe ader voor de nul |
| Lichtpunt op een groep van 20 A of meer | VD-draad of kabel 2,5 mm² | Zelfde kleuren, zwaardere doorsnede | De doorsnede volgt de beveiliging van de groep |
| Aansluitsnoer van een armatuur | Soepel snoer 0,75 mm² | Bruin en blauw, soms geel-groen | Alleen binnen het armatuur, nooit als vaste bedrading |
Een lamp aansluiten met schakeldraad
Deze volgorde werkt voor een plafondlamp of wandlamp op een bestaand geschakeld lichtpunt.
-
Schakel de groep uit en controleer dat
Zet de betreffende groep in de meterkast uit, niet alleen de lichtschakelaar. Op de bruine ader in de doos staat namelijk ook spanning als het licht uit is. Controleer daarna met een tweepolige tester of er echt niets meer op staat, want een verkeerd gelabelde groepenkast komt vaker voor dan je denkt.
-
Kijk wat er uit het plafond of de muur komt
Noteer welke kleuren je ziet en hoeveel aders het zijn. Bruin, blauw, zwart en geel-groen is de complete set. Zie je alleen bruin en blauw, dan zit de schakelaar waarschijnlijk in de voedingsleiding en is de bruine ader al geschakeld. Zie je oude kleuren als rood of groen, ga dan zeker niet op kleur af.
-
Meet welke ader de schakeldraad is
Zet de groep weer aan en meet met de tweepolige tester tussen de blauwe ader en elk van de andere aders, eerst met de lichtschakelaar uit en daarna met de schakelaar aan. De ader die alleen bij een ingeschakelde schakelaar 230 V geeft, is de schakeldraad. De ader die het in beide standen doet, is de permanente fase.
-
Label de aders en schakel weer uit
Plak een stukje tape om elke ader en schrijf er op wat het is. Zet de groep daarna weer uit en controleer opnieuw of het spanningsloos is. Vanaf hier werk je zonder te hoeven onthouden wat je een kwartier geleden gemeten hebt.
-
Sluit het armatuur aan
De bruine ader van de lamp gaat op de zwarte schakeldraad, de blauwe ader van de lamp op de blauwe nul. Heeft het armatuur een metalen behuizing of een aardklem, dan sluit je de geel-groene ader daar op aan. Strip ongeveer elf millimeter, zodat er geen blank koper buiten de klem uitsteekt en er ook geen isolatie in de klem geknepen wordt. Een lasdop of een klem met hefboompje is voor deze verbinding geschikter dan een kroonsteentje dat op een dunne ader kan snijden.
-
Dop de ongebruikte fase af
Blijft de bruine ader uit het plafond over, laat die dan niet los hangen. Zet er een lasklem of een afdopklem op, ook als je zeker weet dat hij nergens tegenaan komt. Zodra de groep aan gaat, staat er 230 V op die kern. Welke klem hier past en waar het verschil zit tussen de types, lees je bij het kroonsteentje en de alternatieven.
-
Werk de doos netjes af en test
Vouw de aders zo terug dat de klemmen niet klem komen te zitten tegen het plafond en draai het armatuur vast. Zet de groep weer aan en test met de schakelaar. Brandt de lamp continu, dan zit hij op de permanente fase in plaats van op de schakeldraad en wissel je die twee om.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je de groep weer inschakelt
Uit de praktijk
Een wandlamp die op bruin en blauw donker bleef
Uit de muur kwamen vier aders: blauw, bruin, zwart en geel-groen. De wandlamp had alleen een bruin en een blauw snoertje. Blauw op blauw en bruin op bruin leek de logische keuze, maar de lamp bleef donker, ook nadat er een verhuisfitting met een bekend werkend peertje aan was gehangen.
Meten bracht het verhaal rond. Tussen blauw en bruin stond 230 V, ook met de schakelaar uit, dus die twee waren fase en nul. Tussen blauw en zwart stond alleen spanning met de schakelaar aan. De aansluiting op bruin had dus wél licht moeten geven, en dat het dat niet deed kwam door de verbinding zelf: de aders waren te ver gestript in de kroonsteen gedraaid en het schroefje stond op de isolatie in plaats van op het koper.
De uiteindelijke aansluiting werd de bruine ader van de lamp op de zwarte schakeldraad en de blauwe op blauw, met klemmen met een hefboompje in plaats van kroonsteen. De permanente bruine ader kreeg een losse klem als afdopping. Sindsdien doet de schakelaar gewoon wat hij hoort te doen.
Een badkamerventilator waarvan de stuurdraad nergens paste
De ventilator hing al, de permanente voeding voor de naloop was aangesloten en er bleef één zwarte stuurdraad over die naar de klem met de T moest. Het probleem: noch de lichtschakelaar noch de lamp had een tweede klem waar die ader bij kon. De verleiding was groot om hem dan maar bij de nul of bij de fase van de schakelaar te steken.
Dat is precies wat niet kan. Op de nul doet de ventilator niets, op de permanente fase draait hij dag en nacht door. De schakeldraad moet aan de schakeldraad, en die liep in dit huis helemaal niet zichtbaar langs de lamp. Hij zat in de centraaldoos boven het plafond, waar de bruine en zwarte ader vanaf de schakelaar samenkomen met de blauwe nul.
De oplossing werd de zwarte ader in die centraaldoos doorknippen en er een driewegs lasklem tussen zetten, met de derde poot naar de ventilator. Bij de schakelaar had het ook gekund als het inbouwdeel een doorlusklem had gehad, maar dat had deze serie niet. Vijf minuten werk, zodra duidelijk was waar de schakeldraad daadwerkelijk liep.
Zes schakelaars op een rij met alleen maar zwarte aders
In een gerenoveerde woning zat een rij van zes inbouwdozen, waaronder twee wisselschakelingen en twee dimmers. Per doos kwamen er tot vijf aders uit, met per buis combinaties als bruin, zwart-wit, zwart, blauw en geel-groen. Geen tekening, geen labels, en de aders waren getrokken door iemand die er niet meer bij was.
Wat hier hielp was niet slimmer redeneren maar doormeten. Met de groep uit werd per ader aan de ene kant een verbinding met de aarde gemaakt, en aan de andere kant met de doorbelfunctie gezocht welke ader piepte. Elke gevonden ader kreeg meteen een stukje tape met een naam. Na twee uur lag er een simpel schemaatje op papier en was de rest routinewerk.
De eerlijke kanttekening: bij zes schakelaars met dimmers erbij is dit de grens van wat je op gevoel doet. Was de installateur die de aders getrokken heeft nog bereikbaar geweest, dan was één telefoontje sneller geweest dan een halve dag meten.
Veelgemaakte fouten
De schakeldraad bij de nul of bij de fase van de schakelaar steken
Past er geen tweede ader in een klem, dan gaat er nog weleens iemand improviseren met de nulklem. Op de nul werkt het aangesloten apparaat niet en verbind je twee dingen die niet bij elkaar horen. Op de permanente fase draait het apparaat continu door. De juiste oplossing is een lasklem naast de schakelaar of in de centraaldoos.
De schakelaar in de nul zetten in plaats van in de fase
De lamp gaat er wel van uit, dus het lijkt te werken. Maar de fitting blijft onder spanning staan terwijl het licht uit is. Iemand die dan een lamp vervangt en het schroefdraad aanraakt, krijgt een klap op het moment dat hij denkt veilig te zijn. De fase hoort geschakeld te worden, altijd.
Zwart aan bruin knopen omdat het dan doet wat je wilt
Een zwarte ader die aan een bruine vastgemaakt is, is voor de volgende monteur niet meer te lezen. Bovendien brandt de lamp dan continu en heb je de schakelaar buiten spel gezet. Meet welke ader wat is en sluit aan volgens de functie, niet volgens wat toevallig oplicht.
Alleen op de spanningzoeker in schroevendraaiervorm vertrouwen
Op aders die meters lang naast elkaar door dezelfde buis lopen, licht zo'n zoeker op door influentie terwijl er geen spanning op staat. Je meet dan een fase die er niet is. Een tweepolige tester heeft een belasting en laat dat verschil wel zien.
Alleen de lichtschakelaar uitzetten in plaats van de groep
Met de schakelaar uit is de lamp spanningsloos, maar de bruine ader in de centraaldoos en in de schakelaardoos niet. Daar staat 230 V op zolang de groep aan is. Schakel de groep uit in de meterkast en controleer dat met een tester voordat je iets losdraait.
Een ongebruikte fase los in de doos laten hangen
Sluit je de lamp op zwart en blauw aan, dan blijft de bruine ader over. Die blijft onder spanning staan. Een blanke kern die tegen het armatuur of tegen een andere ader komt, geeft een kortsluiting of erger. Een losse klem eromheen kost tien cent.
Te ver strippen of de isolatie in de klem knijpen
Steekt er koper buiten de klem uit, dan kan dat contact maken met een andere ader. Zit de isolatie ín de klem, dan is er nauwelijks contact en wordt de verbinding warm. Beide fouten geven een lamp die het soms wel en soms niet doet, en dat zoek je later moeilijk terug.
Zwart-wit als een aparte functie behandelen
Een zwarte ader met witte streep is geen nul en geen aarde, maar gewoon een tweede schakeldraad. Sluit je hem aan als nul, dan werkt er niets en staat er spanning op een ader waar je die niet verwacht. De streep is er alleen om twee schakeldraden in dezelfde buis uit elkaar te houden.
Veelgestelde vragen
Moet ik de zwarte schakeldraad aansluiten op bruin of blauw?
Aan de kant van de lamp sluit je de bruine ader van het armatuur aan op de zwarte schakeldraad en de blauwe ader van het armatuur op de blauwe nul. De bruine ader uit het plafond gebruik je niet en dop je af. Sluit je het armatuur aan op bruin en blauw, dan brandt de lamp continu en doet de schakelaar niets meer. Bij twijfel meet je met een tweepolige tester welke ader alleen spanning geeft als de schakelaar aan staat.
Waarom is de schakeldraad zwart?
Het is een afspraak in de Nederlandse installatiepraktijk, zodat iedereen die later aan de installatie werkt de functie meteen ziet. Bruin is de permanente fase, blauw de nul, geel-groen de aarde en zwart de geschakelde fase. Zijn er meer schakeldraden in dezelfde buis, dan komt daar zwart met een witte streep bij. In heel oude installaties gelden die kleuren niet, dus meet daar altijd na voordat je iets aansluit.
Hoe sluit ik een lamp aan met schakeldraad?
Schakel eerst de groep uit en controleer dat met een tester. Sluit vervolgens de bruine ader van het armatuur aan op de zwarte schakeldraad, de blauwe ader op de blauwe nul en de aarde op de aardklem van het armatuur als die er is. De bruine ader uit het plafond blijft over en krijgt een losse klem. Test daarna met de schakelaar: brandt de lamp continu, dan zit hij op de verkeerde ader.
Wat doe ik als er geen schakeldraad aanwezig is?
Komen er alleen een bruine en een blauwe ader uit het plafond, dan zit de schakelaar meestal in de voedingsleiding en is de bruine ader al geschakeld. Meet dat na met de schakelaar aan en uit. Klopt dat niet, dan kun je een ader bijtrekken door de bestaande buis met een trekveer, een draadloze schakelaar met ontvangermodule plaatsen, of de schakeling op een andere plek in de leiding opnemen.
Kan ik een lamp aansluiten zonder schakeldraad?
Dat kan, maar dan brandt hij niet meer op een wandschakelaar. Sluit je het armatuur aan op de permanente fase en de nul, dan staat het licht altijd aan. Dat is bruikbaar bij een lamp met een eigen bewegingsmelder, een schemersensor of een schakelaar in het snoer. Wil je toch bediening aan de muur, dan is een draadloze schakelaar met een module in de centraaldoos de eenvoudigste oplossing zonder hak- en breekwerk.
Hoe sluit ik een badkamerventilator aan met schakeldraad?
De ventilator krijgt drie aansluitingen plus aarde: L voor de permanente fase, N voor de nul en T of S voor de stuurdraad. Die stuurdraad tap je af van de bestaande schakeldraad tussen schakelaar en lamp, met een driewegs lasklem in de centraaldoos of op de uitgaande klem van de schakelaar als die twee aders aankan. De permanente fase op L zorgt dat de naloop blijft draaien nadat het licht uit gaat.
Hoe sluit ik een badkamerventilator aan zonder schakeldraad?
Heeft de ventilator geen naloop, dan sluit je L aan op de geschakelde fase van het lichtpunt en N op de nul. Hij loopt dan precies zolang als het licht brandt. Wil je wel naloop maar ligt er geen stuurdraad, kies dan een model met een ingebouwde vochtsensor of tijdschakeling op twee aders en hang dat aan een permanente voeding in plaats van aan het lichtpunt.
Welke dikte moet een schakeldraad hebben?
Dezelfde doorsnede als de rest van de kring. In een lichtgroep met een beveiliging van 16 A is dat 1,5 mm². Zit het lichtpunt op een zwaarder beveiligde groep, dan hoort daar 2,5 mm² bij. De zekering ziet het verschil tussen een dikke en een dunne ader niet, dus een dunnere schakeldraad in een zware groep kan warm worden zonder dat de beveiliging aanslaat. Het soepele snoer van 0,75 mm² aan een armatuur is geen installatiedraad.
Wat is zwart-wit draad en waar sluit ik dat op aan?
Dat is een tweede schakeldraad. De witte streep heeft geen eigen functie en betekent niet dat er iets anders mee moet gebeuren. Hij bestaat om twee of meer schakeldraden in dezelfde buis uit elkaar te houden, bijvoorbeeld bij een serieschakelaar of bij de correspondentiedraden van een wisselschakeling. Behandel hem dus als een gewone schakeldraad en sluit hem nooit aan als nul of aarde.
Welke kabel met schakeldraad heb ik nodig?
Dat hangt af van hoeveel functies er in één kabel moeten. Een 3G1,5 mm² heeft geel-groen, bruin en blauw, dus geen ader voor de schakeldraad. Een 4G1,5 mm² heeft geel-groen, bruin, zwart en grijs, en mist dan weer het blauw voor de nul. Wil je fase, nul, schakeldraad en aarde in één kabel, dan is 5G1,5 mm² de nette keuze. Welke soort waar mag liggen, staat in onze draad- en kabelkiezer.
Hoe weet ik zeker welke ader de schakeldraad is?
Meet met een tweepolige tester tussen de blauwe nul en elke andere ader, eerst met de lichtschakelaar uit en daarna met de schakelaar aan. De ader die alleen bij een ingeschakelde schakelaar 230 V geeft, is de schakeldraad. De ader die het in beide standen doet, is de permanente fase. Vertrouw hierbij niet op een spanningzoeker in schroevendraaiervorm, want die licht ook op door influentie van naastliggende aders.
Mag ik een stopcontact voeden vanaf de schakeldraad?
Nee. Een stopcontact dat op een geschakelde fase zit, staat alleen onder spanning als het licht aan is, en dat is voor iedereen die er later iets in steekt volstrekt onlogisch. Een stopcontact hoort op een permanente fase en op de daarvoor bedoelde groep. Wil je weten wat er op een groep mag en of er ruimte is voor een extra aftakking, gebruik dan onze rekenhulp voor groepen en belasting.
Waarom zit er geen nul in mijn schakelaardoos?
Dat is normaal bij een gewone lichtschakeling. Naar de schakelaar loopt alleen de bruine fase heen en de zwarte schakeldraad terug; de nul gaat rechtstreeks van de centraaldoos naar het armatuur. Dat wordt pas een probleem als je een dimmer met display, een klokschakelaar of een slimme module wilt plaatsen, want die hebben vaak wel een nul nodig. Dan trek je een blauwe ader bij of kies je een variant die zonder nul werkt.
Wanneer je beter een vakman belt
Een lamp of een ventilator aansluiten op een bestaand lichtpunt is werk dat je met een tester en wat geduld zelf kunt doen. Er zijn vier situaties waarin je beter stopt en belt.
De eerste is alles in de meterkast achter de hoofdzekering. Een groep bijplaatsen, een aardlekschakelaar wisselen of aan de hoofdaansluiting werken is voorbehouden aan een installateur, want daar kun je niet spanningsloos werken en de gevolgen van een fout raken het hele huis. Wat er in de meterkast gebeurt en hoe dat samenhangt met de rest van je installatie, staat in ons overzicht over elektra in en om het huis.
De tweede is een installatie waarin de kleuren niet kloppen of waarin oude en nieuwe kleuren door elkaar lopen. Kom je een groene aardedraad tegen naast geel-groene aders, of een zwarte ader die zich als nul gedraagt, dan is de installatie op meer plekken onduidelijk dan alleen daar. Laat het geheel dan nakijken in plaats van punt voor punt te repareren.
De derde is een rij schakelaars met wisselschakelingen en dimmers die niet te ontwarren is. Zit je na een uur meten nog steeds vast, dan is de installateur die de aders getrokken heeft bijna altijd sneller klaar dan jij. De vierde is de badkamer zelf: de zone-indeling rond bad en douche, de spatwaterdichtheid van materiaal en de aardlekbeveiliging luisteren daar nauw. Wat je precies waar op aansluit is dan minder belangrijk dan de vraag of het materiaal op die plek überhaupt hoort te hangen. Voor de verbindingen die je in de doos maakt, kun je verder lezen bij de fase- en nuldraad herkennen.