4-aderige kabel: kleuren, klemmen en aansluiten
Een 4-aderige kabel kom je in twee heel verschillende situaties tegen: bij 400 volt krachtstroom zonder nul, en bij 230 volt waar een extra schakeldraad meeloopt. Welke van de twee je in handen hebt, bepaalt alles over de aansluiting. Zet je zo'n kabel op een 5-polige stekker, dan gaan de drie fasen op L1, L2 en L3, blijft de nulklem leeg en gaat groen-geel op aarde. Kijk vooral uit met de blauwe ader: in oudere krachtstroomkabels is dat een fase en geen nul.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Spanningstester of duspol, en liefst een multimeter
- Striptang en een kabelmes voor de buitenmantel
- Kleine platte schroevendraaier voor de klemschroeven
- Zijkniptang
- Adereindhulzen en een krimptang, bij soepele aders
- Rolmaat
- Labeltjes of tape om aders te markeren
Materiaal
- 5-polige of 4-polige CEE-stekker in de juiste stroomsterkte
- Kabel met de juiste doorsnede, bijvoorbeeld 4x2,5 mm² of 5x2,5 mm²
- Adereindhulzen in de maat van de ader
- Krimpkous of aderhulzen om een ongebruikte ader af te werken
- Kabelwartel of trekontlasting die bij de kabeldiameter past
Wat een 4-aderige kabel is en waar hij voor bedoeld is
Een 4-aderige kabel is simpelweg een kabel met vier geïsoleerde aders onder één buitenmantel. Het aantal zegt nog niets over de spanning of de functie, en juist daar gaat het vaak mis. Hoe je aders in het algemeen aan elkaar en op klemmen krijgt, staat in ons overzicht over bedrading en het verbinden van draden. Hier kijken we naar wat die vier aders in de praktijk betekenen.
Je komt een 4-aderig exemplaar vooral in twee werelden tegen. De eerste is krachtstroom van 400 volt zonder nul: drie fasen plus aarde, meestal met een 4-polige stekker eraan. Machines met alleen een draaistroommotor hebben niets meer nodig dan dat. De tweede is 230 volt waarbij een extra schakeldraad meeloopt, zoals bij een zonnescherm of een rolluikmotor.
Er is nog een derde variant die je in oudere woningen tegenkomt: vier aders zonder groen-geel, bijvoorbeeld bruin, zwart, grijs en blauw. Zo'n kabel heeft geen aarde, dus die zet je nooit op iets wat geaard moet worden. Kijk daarom eerst naar de kleuren en pas daarna naar het aantal.
| Aantal aders | Gangbare invulling | Waar je hem tegenkomt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| 2-aderig | Fase en nul | Lampsnoer, dubbel geïsoleerde apparaten | Geen aarde, dus alleen voor apparatuur die geen aarde nodig heeft |
| 3-aderig | Fase, nul en aarde | Stopcontacten, vrijwel alles op 230 volt | De standaardkabel in een Nederlandse woning |
| 4-aderig, 400 volt | Drie fasen en aarde | Draaistroommachines, 4-polige CEE-stekker | In oudere kabels is de blauwe ader hier een fase, geen nul |
| 4-aderig, 230 volt | Fase, nul, aarde en een schakeldraad | Zonnescherm, rolluik, wisselschakeling | De vierde ader stuurt een richting of een schakelfunctie aan |
| 4-aderig zonder groen-geel | Drie fasen en nul | Oudere installaties en voedingen naar een onderverdeling | Er is geen aarde beschikbaar, dus niet geschikt voor geaard materieel |
| 5-aderig | Drie fasen, nul en aarde | Perilex, fornuis, krachtstroom met 230 volt erin | Nodig zodra het apparaat naast 400 ook 230 volt gebruikt |
Werk nooit aan een kabel die nog onder spanning staat. Trek de stekker eruit of schakel de groep uit, en controleer daarna met een spanningstester op alle aders. Bij een krachtstroomkabel meet je ook tussen de fasen onderling, want één fase kan uitgeschakeld zijn terwijl de andere twee er gewoon op staan.
De aderkleuren en wat ze betekenen
De aderkleuren volgen tegenwoordig een vaste indeling: bruin, zwart en grijs zijn de drie fasen, blauw is de nul en groen-geel is de aarde. Bij een 3-aderige kabel is bruin dus de fase en blauw de nul, precies zoals beschreven bij de kleur van de L- en N-draad. Bij een 5-aderige kabel loopt de rij door met zwart als tweede fase en grijs als derde.
De valkuil zit bij oudere 4-aderige krachtstroomkabels. Daar zijn de drie fasen vaak bruin, zwart en blauw, met groen-geel als aarde. Die blauwe ader is dan gewoon een fase, want er is geen nul in het spel. Meet altijd na voordat je op de kleur afgaat, en zet er een labeltje of een stukje gekleurde tape omheen zodra je weet wat het is.
Eén regel kent geen uitzondering: groen-geel is uitsluitend aarde. Die ader gebruik je nooit als fase, nooit als nul en nooit als schakeldraad, ook niet tijdelijk. Blauw als fase gebruiken mag alleen als je de ader aan beide uiteinden duidelijk en blijvend markeert, en zelfs dan doen wij het liever niet.
| Ader | Kleur volgens de huidige codering | Klemaanduiding | Oudere aanduiding die je nog tegenkomt |
|---|---|---|---|
| Eerste fase | Bruin | L1 | R of R1 |
| Tweede fase | Zwart | L2 | S of S2 |
| Derde fase | Grijs | L3 | T of T3 |
| Derde fase in oudere 4-aderige kabel | Blauw | L3 | T of T3, ondanks de blauwe kleur |
| Nul | Blauw | N | MP of nul |
| Aarde | Groen-geel | PE, vaak met het aardsymbool | Groen, of een blanke ader in heel oud werk |
Plak voordat je de oude stekker losschroeft een stukje tape op elke ader met de klem waar hij vandaan komt. Dat kost een minuut en het scheelt je een half uur puzzelen als de aders eenmaal los in je hand hangen.
Waarom er meestal een 5-aderige kabel wordt gelegd
De vraag komt vaak terug: waarom een 5-aderige kabel als het apparaat er maar vier gebruikt? Het antwoord zit in de nul. Een draaistroommotor draait op de spanning tússen de fasen. Tussen twee fasen staat ongeveer 400 volt, tussen een fase en de nul ongeveer 230 volt. Voor de motor alleen is die nul dus overbodig.
Zodra er ook 230 volt in het apparaat nodig is, verandert dat. Een besturingskast, een werklamp, een koelventilator of een kookplaat met apart geschakelde zones hangt tussen één fase en de nul, en dan moet die nul er wel zijn.
Bij een gelijkmatig belaste driefasenmotor heffen de stromen in de drie fasen elkaar op en blijft er onder aan de streep niets over dat via de nul terug hoeft. Zie het als drie touwen die vanuit een knoop in het midden alle kanten op getrokken worden: trekken alle drie even hard, dan blijft de knoop stil liggen. Wordt de belasting scheef, zoals bij een kookplaat waarvan maar één zone aanstaat, dan gaat het verschil wel degelijk over de nul.
Praktisch gezien is de keuze daarom simpel. Van vijf aders kun je er altijd vier gebruiken en de nul ongebruikt laten, maar van vier kom je nooit naar vijf zonder de kabel opnieuw te trekken. Wij leggen daarom standaard 5-aderig, tenzij zeker is dat er nooit 230 volt nodig zal zijn. Alleen over grote afstanden weegt de prijs van die vijfde ader echt mee.
Een 4-aderige kabel aansluiten op een 5-polige stekker
Dit is de klus die het vaakst langskomt: een machine met een 4-polige stekker moet in een 5-polige wanddoos. De omzetting zelf is niet ingewikkeld. De drie fasen van de kabel gaan op L1, L2 en L3 van de nieuwe stekker, groen-geel gaat op de aardklem en de nulklem blijft leeg.
Zit er nog een oude stekker op met de aanduidingen R1, S2 en T3, dan hoef je alleen te vertalen: R1 wordt L1, S2 wordt L2 en T3 wordt L3. De volgorde tussen de drie fasen onderling maakt voor het werken van de machine niet uit, alleen voor de draairichting van de motor. Die zet je zo nodig achteraf goed.
De lege nulklem laat je echt leeg. Verbind hem niet door met de aarde en zet er ook geen fase op omdat er toch een klem over is. De aarde en de nul aan elkaar knopen maakt de aardlekschakelaar blind en zet in bepaalde situaties spanning op de behuizing van je machine. Werk de ongebruikte blauwe ader in de kabel netjes af met een aderhuls of een stukje krimpkous, zodat hij niet ergens tegenaan kan komen.
| Ader in de kabel | Oude klem | Klem op de 5-polige stekker | Toelichting |
|---|---|---|---|
| Bruin | R1 | L1 | Eerste fase |
| Zwart | S2 | L2 | Tweede fase |
| Blauw of grijs | T3 | L3 | Derde fase, ook als de ader blauw is |
| Groen-geel | Aardklem | PE | Altijd aansluiten, nooit voor iets anders gebruiken |
| Geen ader | Bestaat niet op 4-polig | N | Leeg laten, niet doorverbinden met de aarde |
Zet nooit een 4-polige stekker op een kabel waarin wel een echte nul zit. Dan houd je een blauwe ader over die op een 4-polige stekker geen plek heeft, terwijl het apparaat aan de andere kant misschien wel 230 volt verwacht. Andersom kan wel: een 4-aderige kabel op een 5-polige stekker is een normale en veilige combinatie.
De vijfde ader: een 5-aderige kabel aansluiten en afmonteren
Een 5-aderige kabel aansluiten gaat volgens dezelfde logica, met de nul erbij: bruin op L1, zwart op L2, grijs op L3, blauw op N en groen-geel op de aardklem. Alle stekkers en wanddozen hebben die aanduidingen op het klemmenblok staan, vaak klein en in het kunststof gedrukt. Even met een lampje erop kijken voorkomt een verwisseling.
Strip de buitenmantel zo ver dat alle aders comfortabel bij hun klem komen, maar houd de mantel wel tot in de trekontlasting. Snijd de mantel rondom in met een kabelmes en buig hem open in plaats van er met een stanleymes langs te halen: dat laatste kerft bijna altijd in de aderisolatie eronder.
Maak de aarde bewust een paar centimeter langer dan de andere aders. Wordt er ooit hard aan de kabel getrokken en schiet de trekontlasting los, dan laten de fasen als eerste los en houdt de aarde het langst vast. Bij soepele aders zet je adereindhulzen op de uiteinden; losse draadjes die naast de klem uitsteken zijn een kortsluiting die staat te wachten.
Draai de klemschroeven stevig aan en trek daarna aan elke ader afzonderlijk om te controleren of hij vastzit. Zit alles goed, dan draai je de trekontlasting aan op de mantel en niet op de aders.
Hoe je de draairichting van een krachtstroommotor omkeert
Sluit je een driefasenmachine met een 4-aderige kabel aan, dan is de kans ongeveer even groot dat de motor de goede of de verkeerde kant op draait. Bij een zaag of een pomp merk je dat meteen. De oplossing is eenvoudig: wissel twee van de drie fasen om, bijvoorbeeld bruin en zwart. Daarmee draait het veld de andere kant op en volgt de motor.
Welke twee fasen je wisselt maakt niet uit, zolang je maar twee fasen onderling verwisselt. De aarde en de nul blijven waar ze zitten. Aan die twee kom je nooit, ook niet om iets uit te proberen.
Doe het omwisselen bij voorkeur in de stekker van de machine en niet in de wanddoos. De wanddoos voedt misschien ook andere apparaten, en die gaan dan allemaal mee in de nieuwe volgorde. In de stekker verander je alleen de richting van dit ene apparaat. Sommige industriële stekkers hebben daarvoor een fasewisselaar ingebouwd: een klein rond deel in de stekker dat je met een schroevendraaier een kwartslag draait.
Draait de motor wel maar duidelijk zwak, met gebrom en zonder trekkracht, dan is dat een ander verhaal. Meestal krijgt hij dan maar twee fasen, bijvoorbeeld doordat een ader niet goed vastzit of een zekering van één fase is doorgeslagen. Meet in dat geval eerst tussen de drie fasen onderling: overal ongeveer 400 volt hoort de uitkomst te zijn.
Hoe je een 3-aderige kabel aansluit op gewone 230 volt
Een 3-aderige kabel aansluiten is het eenvoudigste geval: bruin is de fase, blauw de nul en groen-geel de aarde. Op stekkers, schakelaars en apparaten staan de klemmen aangeduid met L, N en het aardsymbool. Wat die letters precies betekenen en hoe je ze uit elkaar houdt als de kleuren niet kloppen, leggen we uit bij de L- en de N-draad.
Ook als een apparaat het schijnbaar gewoon doet met fase en nul verwisseld, is dat geen reden om het zo te laten. De schakelaar in het apparaat hoort in de fase te zitten, zodat het geheel spanningsloos is als je uitschakelt. Staat de nul geschakeld, dan blijft de fase tot in het apparaat doorlopen terwijl je denkt dat het uit is.
Moet je in een aansluitdoos meerdere kabels bij elkaar brengen, gebruik dan een deugdelijke verbinding en geen omwikkelde draadjes. Voor twee of drie aders werkt een kroonsteentje nog prima, maar vanaf een doos met meerdere aftakkingen werken wij liever met lasklemmen, omdat je daar in één oogopslag ziet of elke ader er echt in zit. Draaibare lasdoppen vragen wat meer routine, vooral bij een combinatie van soepele en massieve aders.
Een 4-aderige kabel bij een zonnescherm of rolluik
Bij een zonnescherm zit een heel ander verhaal achter diezelfde vier aders. Een buismotor voor een zonnescherm of rolluik heeft aarde, nul en twee stuurdraden nodig: één voor uitlopen en één voor inlopen. Vandaar de 4-aderige kabel, meestal in bruin, zwart, blauw en groen-geel.
De verdeling is bijna altijd hetzelfde: blauw is de nul, groen-geel de aarde, en bruin en zwart zijn de twee richtingen. Welke van die twee het scherm uitstuurt en welke het inhaalt, verschilt per motor en per fabrikant. Sluit hem aan, probeer het uit, en wissel bruin en zwart om als het scherm de verkeerde kant op gaat.
Dat omwisselen mag hier zonder bezwaar, want beide aders zijn schakeldraden. Aan blauw kom je niet: die gaat rechtstreeks naar de nulklem, en belandt hij per ongeluk op een van de richtingen, dan doet de motor niets of schakelt hij onvoorspelbaar. Wat een schakeldraad precies is en waarom hij een aparte behandeling krijgt, staat bij schakeldraad in de installatie.
Er is één ding dat echt niet mag: de twee richtingdraden mogen nooit tegelijk spanning krijgen. Gebruik daarom een richtingschakelaar die mechanisch of elektrisch vergrendeld is, dus een schakelaar waarbij op en neer elkaar uitsluiten. Zet je twee gewone schakelaars naast elkaar, dan krijgt de motor op een dag beide richtingen tegelijk en dat overleeft de wikkeling zelden. Wil je later een extra bediening bijplaatsen, kies dan een motor met een sturing die daarvoor bedoeld is in plaats van een tweede schakelaar parallel te hangen.
Loopt het scherm de goede kant op maar stopt hij te vroeg of te laat, dan ligt dat niet aan de bedrading. Vrijwel elke buismotor heeft twee kleine stelschroeven waarmee je de eindstanden apart voor boven en onder afstelt.
De juiste dikte kiezen en de kabel op zijn plek krijgen
De doorsnede van de aders bepaalt hoeveel stroom de kabel aankan en hoeveel spanning je onderweg verliest. Voor een krachtstroomaansluiting van 16 ampère zit je meestal op 2,5 mm² per ader, dus 4x2,5 of 5x2,5 mm². Gaat het om 32 ampère of om een flinke lengte naar een schuur, dan wordt het 6 mm². Welke doorsnede bij welke stroomsterkte hoort en welke kabelsoort waar mag liggen, zoek je op in onze draad- en kabelkiezer.
Lengte telt zwaarder mee dan mensen denken. Bij een lange leiding naar een garage of een werkplaats zakt de spanning onder belasting weg, en een motor die te weinig spanning krijgt loopt warm en trekt meer stroom. Neem bij zo'n traject dus een maat dikker dan het minimum. Wil je weten hoeveel je op één groep kunt hangen voordat je gaat splitsen, dan helpt de groepencalculator je met de verdeling.
Het intrekken van een kabel met vier of vijf dikke aders door een bestaande buis is het zwaarste deel van de klus. Werk met een trekveer en trek altijd met twee mensen: één duwt de kabel gecontroleerd bij, de ander trekt. Hoe je de kabel zo aan de veer knoopt dat de kop niet in een bocht blijft haken, staat beschreven bij het vastmaken van kabel aan een trekveer. Die methode werkt bij een 5-aderige kabel net zo goed als bij netwerkkabel, alleen bouw je de kop hier iets slanker op.
Een 5-polige stekker op een 4-aderige kabel zetten
Deze volgorde geldt voor een machine met drie fasen en aarde die in een 5-polige wanddoos moet.
-
Maak spanningsloos en controleer dat ook
Trek de stekker uit de wanddoos en schakel de betreffende groep uit. Meet daarna met een spanningstester tussen alle fasen onderling en tussen elke fase en de aarde. Bij krachtstroom kan één fase uitgeschakeld zijn terwijl de andere twee gewoon spanning voeren, dus meet ze alle drie na.
-
Noteer wat er op de oude stekker zat
Schroef de oude stekker open en schrijf per ader op welke klem hij zat: R1, S2, T3 en aarde. Plak op elke ader een labeltje met die aanduiding. Vertrouw niet blind op de kleur, want in oudere 4-aderige kabels is de blauwe ader een fase in plaats van de nul.
-
Kort de kabel in en strip de mantel
Snijd de buitenmantel rondom in met een kabelmes en buig hem open, zo ver dat elke ader ruim bij zijn klem komt maar de mantel nog tot in de trekontlasting reikt. Houd de aarde een paar centimeter langer dan de fasen, zodat die bij een harde ruk als laatste loslaat.
-
Strip de aders en zet er hulzen op
Strip ongeveer acht tot tien millimeter, precies zoveel dat er geen blank koper naast de klem uitsteekt. Bij soepele aders krimp je adereindhulzen op de uiteinden. Vertin de aders niet: soldeer kruipt onder de klemschroef weg, waardoor de verbinding na verloop van tijd los komt te zitten en warm wordt.
-
Sluit de drie fasen en de aarde aan
Zet R1 op L1, S2 op L2 en T3 op L3, en groen-geel op de aardklem. Laat de nulklem leeg en verbind hem niet door met de aarde. De ongebruikte ader, als die er is, werk je af met een huls of krimpkous zodat er geen blank koper in de stekker los ligt.
-
Draai vast, controleer en monteer de trekontlasting
Draai elke klemschroef stevig aan en trek daarna aan elke ader afzonderlijk. Zit alles vast, schroef de stekker dicht en klem de trekontlasting op de buitenmantel, nooit op de aders zelf. Controleer of het deksel netjes sluit en er geen ader bekneld raakt.
-
Proefdraaien en de draairichting beoordelen
Schakel de groep in, steek de stekker erin en start de machine kort. Kijk of de motor de goede kant op draait. Gaat hij verkeerd om, haal de stekker eruit en wissel twee fasen in de stekker om, bijvoorbeeld L1 en L2. Blijft de machine helemaal stil, ga dan eerst op zoek naar een schakelaar of een beveiliging op de machine zelf.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je de stekker erin steekt
Uit de praktijk
Een vlakbank met een 4-polige stekker in een 5-polige wanddoos
Een vlakbank had een 4-polige krachtstroomstekker en moest in een wanddoos van vijf polen. Op de oude stekker zat bruin op R1, zwart op S2 en blauw op T3, plus de aarde. In de wanddoos lag een 5-aderige kabel met blauw op N, bruin op L1, zwart op L2 en grijs op L3. Die twee blauwe aders zorgden voor de verwarring: in de kabel van de machine was blauw de derde fase, in de wanddoos was blauw de nul.
De oplossing was recht toe recht aan. R1 ging naar L1, S2 naar L2 en de blauwe T3 naar L3, groen-geel op de aardklem en de nulklem bleef leeg. De machine draaide meteen. De vraag die daarna kwam is een goede: hoe kan er stroom lopen zonder nul? Omdat de motor draait op de spanning tussen de fasen onderling, ongeveer 400 volt, en niet op de 230 volt tussen fase en nul.
Een lintzaag die na het omzetten helemaal stil bleef
Bij een zware lintzaag uit een slachterij werd dezelfde omzetting gedaan: bruin, zwart en blauw op L1, L2 en L3, aarde op de aardklem, nul leeg. Alles zat goed, maar de machine gaf geen enkel geluid. Bij een verkeerde aansluiting hoor je normaal gesproken gebrom of draait de motor zwak op twee fasen, dus volledige stilte wees juist niet op de bedrading.
Er zat een veiligheidsschakelaartje achter een van de deurklemmen, bedoeld om de zaag alleen te laten draaien met de deur dicht. Die klem was iets verdraaid, waardoor het schakelaartje in de dichtstand net niet werd ingedrukt. Klem rechtzetten en de zaag liep. Wel draaide het blad de verkeerde kant op, wat opgelost werd door in de stekker twee fasen om te wisselen. Zo'n machine zonder eigen aan-uitschakelaar hoort trouwens niet zo te blijven: daar is een bedrijfsschakelaar of een noodstop op zijn plaats.
Een hefbrug met vijf polen en maar vier draden
Een motorfietshefbrug had wel een 5-polige stekker, maar in die stekker waren maar vier aders aangesloten: drie fasen en de aarde, met de nulklem ongebruikt. Dat lijkt op een fout, maar het is precies goed. De hefbrug draait op een driefasenmotor en heeft geen enkele functie op 230 volt, dus een nul heeft er niets te zoeken.
De 5-polige stekker is hier gekozen omdat de wanddoos vijfpolig is. Andersom werkt het niet: op een 4-polige stekker krijg je een kabel met vijf aders niet aangesloten, want er is geen klem voor de nul. Wie twijfelt over de toekomst van een aansluiting kiest daarom voor vijf polen en laat de nul gewoon leeg. Later een besturing of een werklamp op 230 volt toevoegen kan dan alsnog, mits de nul in de kabel wel aanwezig is.
Veelgemaakte fouten
Aannemen dat blauw altijd de nul is
In een 4-aderige krachtstroomkabel is blauw vaak de derde fase, omdat er geen nul in het spel is. Zet je die ader op de nulklem van een 5-polige stekker, dan krijgt de motor maar twee fasen en zet je tegelijk een fase op de nul van je installatie. Meet altijd na en label de aders voordat je de oude stekker losschroeft.
De lege nulklem doorverbinden met de aarde
Er is een klem over, dus wordt er een draadje naar de aardklem gelegd om het af te maken. Daarmee koppel je de nul en de aarde aan elkaar buiten de meterkast om. De aardlekschakelaar kan het verschil dan niet meer zien en bij een scheve belasting komt er spanning op de behuizing van de machine. Laat de klem gewoon leeg.
Een 4-polige stekker zetten op een kabel met een echte nul
De vijfde ader past nergens, dus wordt hij afgeknipt of losjes weggevouwen. Als het apparaat 230 volt nodig heeft voor een besturing of verlichting, werkt het daarna niet of maar half. Bovendien blijft er een blanke ader in de stekker zitten die tegen een fase aan kan komen. Van vijf naar vier gaan kan alleen als je zeker weet dat er nooit een nul nodig is.
De draairichting omkeren door aan de aarde of de nul te sleutelen
De motor draait verkeerd om en dan wordt er geprobeerd om zomaar twee willekeurige klemmen te verwisselen. Alleen het onderling wisselen van twee fasen draait het veld om. Zet je een fase op de aardklem, dan staat de behuizing van de machine onder spanning. Aarde en nul blijven altijd waar ze horen.
De trekontlasting op de aders klemmen
De buitenmantel wordt te ver weggehaald, waardoor de trekontlasting alleen de losse aders pakt. Bij de eerste keer dat er iemand over de kabel struikelt, trekken de aders uit hun klemmen. Houd de mantel altijd door tot in de trekontlasting en klem daarop.
Aderuiteinden vertinnen voor een klemschroef
Het lijkt netjes en het houdt de draadjes bij elkaar, maar soldeer is zacht en kruipt onder druk weg. De klemschroef verliest binnen maanden zijn kracht, de overgangsweerstand loopt op en de verbinding wordt warm. Gebruik adereindhulzen als je soepele aders netjes wilt afwerken.
Twee losse schakelaars op een zonneschermmotor hangen
Voor bediening op twee plekken worden er twee gewone schakelaars parallel gezet. Vroeg of laat staan beide richtingdraden tegelijk onder spanning en dat overleeft de wikkeling van de buismotor meestal niet. Gebruik een vergrendelde richtingschakelaar waarbij op en neer elkaar uitsluiten.
Veelgestelde vragen
Hoe sluit ik een 4-aderige kabel aan op een 5-polige stekker?
De drie fasen gaan op L1, L2 en L3, groen-geel gaat op de aardklem en de nulklem blijft leeg. Zaten er nog aanduidingen R1, S2 en T3 op de oude stekker, dan is de vertaling één op één: R1 naar L1, S2 naar L2 en T3 naar L3. Verbind de lege nulklem niet met de aarde. De onderlinge volgorde van de fasen bepaalt alleen de draairichting van de motor, verder niets.
Waarom een 5-aderige kabel als het apparaat er maar vier gebruikt?
Een driefasenmotor draait op de spanning tussen de fasen en heeft geen nul nodig. Zodra er ook iets op 230 volt in het apparaat zit, zoals een besturing, een werklamp of een kookplaat met apart geschakelde zones, is die nul wel nodig. Van vijf aders kun je er altijd vier gebruiken, maar van vier kom je nooit naar vijf zonder de kabel opnieuw te trekken. Daarom leggen wij standaard 5-aderig, tenzij zeker is dat er nooit 230 volt bij komt.
Wat zijn de kleuren van een 5-aderige kabel?
Bruin is de eerste fase op L1, zwart de tweede op L2, grijs de derde op L3, blauw is de nul op N en groen-geel is de aarde. Die codering is de standaard bij nieuwe kabel. Kom je in ouder werk andere combinaties tegen, dan is meten de enige betrouwbare manier. Groen-geel blijft altijd en overal uitsluitend de aarde, ongeacht wat je verder aantreft.
Bestaat er zoiets als een 5-aderige stekker?
Wat mensen een 5-aderige stekker noemen, heet in de winkel een 5-polige stekker. Aders zitten in de kabel, polen zitten in de stekker. Een 5-polige krachtstroomstekker heeft klemmen voor L1, L2, L3, N en aarde. Je kunt daar prima een kabel met vier aders op zetten en de nulklem leeg laten, maar andersom lukt niet: vijf aders passen niet op vier polen.
Hoe moet ik een 3-aderige kabel aansluiten?
Bruin op de klem met de L, blauw op de klem met de N en groen-geel op de aardklem met het aardsymbool. Die volgorde is een voorschrift en geen voorkeur, ook al lijkt een apparaat met fase en nul verwisseld gewoon te werken. De schakelaar hoort in de fase te zitten, zodat het apparaat echt spanningsloos is als je hem uitzet. Bij twijfel over welke ader de fase is, gebruik je een spanningstester om L en N te bepalen.
Welke 4-aderige kabel heb ik nodig voor een zonnescherm?
Voor een buismotor van een zonnescherm gebruik je een 4-aderige kabel met bruin, zwart, blauw en groen-geel, meestal in 1,5 mm² per ader. Blauw is de nul, groen-geel de aarde en bruin en zwart zijn de twee richtingen. Loopt het scherm de verkeerde kant op, dan wissel je bruin en zwart om. Zorg dat de twee richtingdraden nooit tegelijk spanning kunnen krijgen: gebruik daarvoor een vergrendelde richtingschakelaar.
Mag ik de blauwe ader als fase gebruiken?
In nieuw werk doe je dat liever niet, omdat de volgende persoon die de kap eraf haalt blauw als nul zal lezen. In bestaande 4-aderige krachtstroomkabels kom je het gewoon tegen, en daar is het toegestaan zolang de ader aan beide uiteinden duidelijk en blijvend gemarkeerd is als fase. Voor groen-geel geldt die uitzondering nooit: die kleur is uitsluitend aarde, in elke situatie.
Mijn krachtstroommachine doet helemaal niets na het verwisselen van de stekker
Volledige stilte wijst meestal niet op de bedrading. Krijgt een motor maar twee fasen, dan hoor je gebrom of draait hij zwak, dus dan is er wél geluid. Zoek eerst op de machine zelf: een bedrijfsschakelaar die uit staat, een thermische beveiliging die is aangesproken, een zekering in de besturingskast of een veiligheidsschakelaar achter een deur of kap. Zulke deurschakelaars zitten soms zo verstopt dat je ze pas ziet als je er gericht naar zoekt. Meet daarna pas de fasen na met een multimeter.
Hoe draai ik de draairichting van een krachtstroommotor om?
Wissel twee van de drie fasen onderling om, bijvoorbeeld L1 en L2. Welke twee je kiest maakt niet uit. Doe dat bij voorkeur in de stekker van de machine en niet in de wanddoos, want die wanddoos kan ook andere apparaten voeden die dan mee omdraaien. De aarde en de nul laat je altijd ongemoeid. Sommige industriële stekkers hebben een ingebouwde fasewisselaar die je met een schroevendraaier een kwartslag draait.
Kan ik een 5-aderige kabel op een 4-polige stekker zetten?
Alleen als de nul in die kabel echt nergens voor nodig is, en dan houd je een losse ader over die je zorgvuldig moet afwerken met een huls of krimpkous. Wij raden het af. Een 4-polige stekker is goedkoper en over lange afstanden scheelt een ader in kabelprijs, maar je sluit er de mogelijkheid mee af om er later 230 volt uit te halen. Andersom, een 4-aderige kabel op een 5-polige stekker, is wel een normale en veilige oplossing.
Hoe dik moet de kabel zijn voor een krachtstroomaansluiting?
Voor 16 ampère zit je meestal op 2,5 mm² per ader, dus 4x2,5 of 5x2,5 mm². Voor 32 ampère of bij een lange leiding naar een schuur of garage wordt het 6 mm². Lengte weegt zwaarder mee dan veel mensen denken, want bij spanningsverlies loopt een motor warm en trekt hij meer stroom. Zoek de combinatie van stroomsterkte, doorsnede en kabelsoort op in de draad- en kabelkiezer voordat je de kabel bestelt.
Mag ik zelf een krachtstroomgroep aanleggen in de meterkast?
Een stekker vervangen of een apparaat aansluiten op een bestaande krachtstroomdoos is werk dat je zelf kunt doen. Een groep bijplaatsen in de verdeelkast is dat niet: daar werk je achter de hoofdzekering en dat deel schakel je met een gewone groepschakelaar niet spanningsloos. Dat is werk voor een installateur. Heb je nog geen driefasenaansluiting, dan moet die eerst via je netbeheerder geregeld worden. Met de groepencalculator zie je alvast welke belasting je waar kunt verdelen.
Wanneer je beter een vakman belt
Een stekker verwisselen, een machine aansluiten op een bestaande krachtstroomdoos of een zonneschermmotor doortrekken: dat is werk dat je met de juiste voorbereiding zelf kunt doen. Er zijn wel duidelijke grenzen.
Alles wat in de verdeelkast achter de hoofdzekering gebeurt, laat je aan een installateur. Een krachtstroomgroep bijplaatsen, een aardlekschakelaar vervangen of de verdeling over de drie fasen aanpassen betekent werken aan delen die je zelf niet spanningsloos kunt maken. Datzelfde geldt voor het aanleggen of uitbreiden van de aansluiting zelf: het omzetten van één fase naar drie fasen loopt altijd via je netbeheerder.
Bel ook als het apparaat na een correcte aansluiting raar blijft doen. Een motor die bromt, warm wordt of steeds de beveiliging laat aanspreken, heeft vaak een defect in de wikkeling of in de sterdriehoekschakeling. Doormeten hoort daar bij, en dat is meer dan een duspol tegen twee klemmen houden.
Een machine zonder deugdelijke bedrijfsschakelaar of noodstop hoort eerst in orde gemaakt te worden voordat hij gaat draaien. Een zaag of een pers die aanloopt zodra de stekker erin gaat, is een reëel gevaar, en de juiste schakelaar en beveiliging kiezen bij het vermogen van de machine is specialistenwerk. Voor de rest van je installatie vind je de opzet en de bijbehorende regels bij elektra in en om het huis.