Een aardpen slaan en aansluiten zoals het hoort
Een aardpen slaan is grondwerk met een elektrische eis eraan vast. De pen moet diep genoeg zitten om ook in een droge zomer contact met vochtige grond te houden, en de weerstand naar aarde moet laag genoeg zijn voor de aardlekschakelaar die erachter hangt. In de praktijk is een lengte van anderhalve meter het absolute minimum; de weerstand zakt pas echt door als je verder gaat of koppelt. Het slaan doe je zelf met een boorhamer en een inslaghulpstuk; de meting van de aardverspreidingsweerstand en de aansluiting op de hoofdaardrail horen bij iemand met de juiste meetapparatuur.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Boorhamer met SDS-max en een inslaghulpstuk voor aardpennen, of een sloophamer
- Zware moker van 4 tot 5 kilo voor het aanzetten
- Slagdop of slagmoer die op het schroefdraad van de pen past
- Waterpas of een klein schietlood om de pen recht te zetten
- Spade en een smalle sleufschep
- Kabeldetector
- Steeksleutels of dopsleutels voor de aardklem
- Gehoorbescherming, veiligheidsbril en werkhandschoenen
Materiaal
- Aardpen, meestal verkoperd staal van 16 mm en 1,5 of 2 meter
- Koppelmof als je twee lengtes achter elkaar wilt slaan
- Aardklem van messing of roestvast staal die op de pendiameter past
- Aardleiding, groengeel, gangbaar 16 mm² koper
- Inspectieput of aardputje om de verbinding bereikbaar te houden
- Corrosiewerende tape of vet voor de klem
- Waarschuwingslint voor boven een grondkabel
Wanneer je zelf een aardpen moet slaan
Een aardpen is een metalen staaf die je verticaal de grond in drijft om de installatie een eigen verbinding met de aarde te geven. In de meeste Nederlandse woningen komt die verbinding al binnen via de netbeheerder en zie je in de kast een dikke groengele draad op de hoofdaardrail. Hoe die rail zit en wat er verder op hoort, lees je in ons overzicht van de meterkast en de groepen.
Een eigen pen sla je pas als die aarde er niet is of niet tot je installatie reikt. Dat speelt in oudere woningen waar nooit een aardleiding is meegelegd, bij een vrijstaand bijgebouw met een eigen kastje, en bij apparatuur waarvoor de fabrikant een eigen aardelektrode voorschrijft.
Het verschil met een gewone aardedraad is dat de pen de aarde maakt en de draad hem alleen doorgeeft. Hoe je die draad herkent, aansluit en verlengt staat bij de aardedraad in huis.
Een aardpen voert in normaal bedrijf geen stroom af. Hij geeft een defect apparaat een pad naar aarde, waardoor de aardlekschakelaar merkt dat er stroom verdwijnt en uitschakelt. Ontbreekt dat pad, dan blijft een metalen kast gewoon onder spanning staan tot iemand hem aanraakt.
| Situatie | Eigen aardpen nodig | Waar je op moet letten |
|---|---|---|
| Woning met aarding vanaf de netbeheerder | Nee, de aarde komt binnen op de hoofdaardrail | Controleer wel of elke groep en elk stopcontact die aarde ook echt doorkrijgt |
| Oudere woning zonder aardleiding in de meterkast | Ja, of laat de netbeheerder de aansluiting aanpassen | Een aardlekschakelaar alleen beschermt maar half zolang er geen aarde is |
| Vrijstaande schuur of garage met een eigen kastje | Vaak wel, het hangt af van de manier waarop de voeding is aangelegd | Laat eerst de aardingsvorm bepalen, een tweede aarde bijprikken kan verkeerd uitpakken |
| Laadpaal aan de gevel of op de oprit | Vaak wel, tenzij de laadpaal zelf een PEN-foutdetectie heeft | De fabrikant noemt de maximale aardverspreidingsweerstand in de handleiding |
| Schrikdraadapparaat voor een wei of paardenbak | Ja, met een eigen elektrode los van het huis | Houd ruim afstand tot de huisaarding en tot metalen waterleidingen |
| Bliksembeveiliging, antennemast of windvaan | Ja, maar dit valt onder een andere norm | De weerstandseis ligt daar veel lager en de aarde moet met het huisnet verbonden zijn |
| Tuinverlichting of een buitenstopcontact aan het huisnet | Nee | Die hangt aan de bestaande aarde, een losse pen erbij voegt niets toe |
| Aggregaat als noodstroom voor de woning | Soms, het hangt af van de manier van omschakelen | Bij een vaste omschakeling naar de kast hoort de aarding vooraf uitgezocht te zijn |
De hoofdaansluiting is niet van jou. Alles in en vóór het verzegelde deel van de aansluitkast, inclusief de hoofdzekering, is werk van de netbeheerder of een erkend installateur. Het grondwerk en het leggen van de aardleiding kun je zelf doen, de aansluiting op de hoofdaardrail en de meting laat je over aan iemand die daar de apparatuur voor heeft.
Welke aardpen je koopt en waarom de uitvoering uitmaakt
De gangbare aardpen voor een woning is een massieve stalen staaf van ongeveer 16 millimeter met een koperlaag eromheen, in lengtes van anderhalve of twee meter. Die combinatie is er niet voor niets: het staal geeft de stijfheid om te kunnen slaan, het koper zorgt dat de pen in de grond niet wegroest.
Die koperlaag is dun. Pak de pen daarom niet vast met een pijptang en vijl er geen bramen af, want op elke plek waar je door het koper heen gaat begint de roest. Bij een pen met schroefdraad aan de kop slaat het gereedschap altijd op de slagdop, nooit op de draad zelf, anders past de koppelmof er straks niet meer op.
Er zijn ook uitvoeringen voor bijzondere grond. In een bodem vol puin en keien loopt een kruisprofiel rechter door dan een ronde staaf, en langs de kust gaat roestvast staal langer mee dan verzinkt staal.
| Uitvoering | Waar hij voor bedoeld is | Sterk punt | Waar het misgaat |
|---|---|---|---|
| Verkoperde stalen pen, 16 mm | De standaardkeuze bij een woning | Stijf genoeg om diep te slaan en goed bestand tegen roest | Beschadigde koperlaag roest juist op die plek door |
| Thermisch verzinkte stalen pen of buis | Weinig agressieve grond, tijdelijke opstelling | Goedkoop en overal te krijgen | In zure veengrond of natte klei is de zinklaag sneller op |
| Kruisprofiel van verzinkt staal | Grond met puin, keien of harde lagen | Loopt rechter door en wijkt minder snel af | Lastiger te koppelen en neemt meer ruimte in de sleuf |
| Roestvast staal | Zilte grond, kustgebied, agressieve bodem | Gaat van alle uitvoeringen het langst mee | Duur en zachter, dus rustiger slaan |
| Massief koperen staaf | Zachte, vochtige grond bij een korte elektrode | Zeer goede overgang naar de bodem | Koper is zacht en stuikt of krult bij het slaan |
| Koperen waterleidingbuis van 15 mm | Wordt vaak als noodgreep gebruikt | Ligt meestal al in de schuur | Dunwandig, klapt dubbel in vaste grond en is hier niet voor gemaakt |
| Gekoppelde pennen met schroefmof | Als één lengte de gewenste weerstand niet haalt | Je slaat in secties door tot enkele meters diepte | Alleen slaan met de bijbehorende slagdop, anders sloop je het schroefdraad |
| Bandstaal of plaat als elektrode | Grond waar een pen niet in te krijgen is | Werkt in ondiepe, harde bodems waar slaan vastloopt | Vraagt een sleuf en dus flink meer graafwerk |
Koop de aardklem tegelijk met de pen en let op de diameter. Een klem die voor 16 millimeter is bedoeld, klemt op een pen van 20 millimeter niet en op een pen van 14 millimeter maar half. Een klem met twee bouten houdt de verbinding jarenlang op spanning; een enkele boutklem gaat sneller loszitten door temperatuurwisseling.
Hoeveel weerstand mag een aardelektrode hebben
De eis waar het om draait heet de aardverspreidingsweerstand: de weerstand die de stroom ondervindt op weg van de aardpen naar de omringende grond. De rekenregel uit de installatienorm is dat die weerstand maal de aanspreekstroom van de aardlekschakelaar onder de vijftig volt blijft. Bij een aardlekschakelaar van 30 milliampère kom je daarmee rekenkundig rond de 1600 ohm uit, bij 300 milliampère rond de 166 ohm.
Die 1600 ohm is een rekenkundige bovengrens en geen streefwaarde. Bodemweerstand verdubbelt of verdriedubbelt in een droge zomer, en een elektrode die in maart net voldoet kan in augustus tekortschieten. Wij houden liever ruim onder de honderd ohm aan, zodat er marge zit voor het seizoen en voor veroudering van de klem.
De getallen hieronder komen uit de standaardformule voor een staafelektrode van 16 millimeter en geven de orde van grootte per grondsoort. Ze vervangen een meting niet, maar ze laten wel zien wat je van een bepaalde lengte mag verwachten. In vette klei is anderhalve meter vaak al genoeg, in droog zand haal je met diezelfde pen niets.
Meten gaat met een aardingsmeter volgens de driepuntsmethode, waarbij je twee hulppennen op afstand plaatst en de aardleiding losneemt. Een multimeter tussen de pen en de netaarde meet iets heel anders, namelijk de lus via het net. Vliegt de aardlekschakelaar er ondertussen zonder aanleiding uit, dan is dat geen aardingsprobleem maar een spoor dat je volgt via het opsporen van lekstroom.
| Grondsoort | Specifieke weerstand, orde van grootte | Pen van 1,5 m | Pen van 3 m | Pen van 6 m |
|---|---|---|---|---|
| Veen en natte klei | 10 tot 50 ohmmeter | 6 tot 30 ohm | 3 tot 17 ohm | 2 tot 9 ohm |
| Klei en leem | 50 tot 150 ohmmeter | 30 tot 90 ohm | 17 tot 50 ohm | 9 tot 28 ohm |
| Vochtig zand en zavel | 150 tot 500 ohmmeter | 90 tot 300 ohm | 50 tot 170 ohm | 28 tot 93 ohm |
| Droog zand | 500 tot 2000 ohmmeter | 300 tot 1200 ohm | 170 tot 670 ohm | 93 tot 370 ohm |
| Grind, keileem of een puinlaag | 2000 ohmmeter en hoger | boven de 1200 ohm | boven de 670 ohm | boven de 370 ohm |
Meet in een droge periode, niet twee dagen na een flinke regenbui. Een meting na regen valt gunstig uit en zegt weinig over de waarde in een hete zomer, en juist dan moet de elektrode het doen.
Waar je de aardpen slaat en hoe diep hij moet zitten
De weerstand van een aardpen wordt bepaald door het contact met vochtige grond, niet door de lengte op zich. De bovenste halve meter van de bodem droogt in de zomer uit en vriest in de winter dicht, en in beide gevallen zakt de geleiding hard terug. Dat is de reden dat een aardpen van anderhalve meter die je maar zestig centimeter diep de grond in drijft, in augustus vrijwel niets doet.
Sla de pen daarom volledig weg en houd de kop onder het maaiveld, in een klein inspectieputje. Dat lost meteen twee dingen op: de verbinding blijft bereikbaar om te meten en de overgang van lucht naar grond, precies de plek waar corrosie het snelst gaat, zit beschermd.
De plaats kies je op vochtige grond, niet onder een dakoverstek of tegen de gevel aan waar de bodem jaarrond droog blijft. Houd ongeveer een meter afstand van de fundering en blijf uit de buurt van de kruipruimte. Vermijd ook grond die is aangevuld met puin of zand, want daar zit lucht tussen en lucht geleidt niet.
Voordat je gaat slaan, graaf je de eerste laag met de schop open en loop je de plek af met een kabeldetector. Een pen van twee meter gaat dwars door een grondkabel, een gasleiding of een drainagebuis heen zonder dat je het aan de moker voelt. Weet je niet wat er ligt, dan graaf je de eerste vijftig centimeter met de hand.
Houd afstand van metalen leidingen in de grond. Koper en staal die dicht bij elkaar in vochtige bodem liggen vormen een galvanisch koppel, waarbij het staal het onderspit delft. Een verkoperde aardpen vlak naast een stalen gasleiding of een verzinkte waterleiding versnelt de corrosie van die leiding.
De aardpen de grond in slaan zonder hem te beschadigen
Met een moker kom je de eerste meter wel door, daarna wordt het zwaar en ga je scheef slaan. Sneller en netter gaat het met een boorhamer met SDS-max in de klopstand, met een inslaghulpstuk dat over de kop van de aardpen valt. Het gereedschap tikt dan honderden keren per minuut in plaats van dat jij twintig keer hard raakt, en juist die hoge frequentie brengt de pen in beweging.
De eerste dertig centimeter bepalen de richting van de hele pen. Zet hem loodrecht, controleer met een waterpas van twee kanten en corrigeer meteen zolang het nog kan. Een pen die eenmaal schuin loopt, buig je er niet meer recht in en zal in de grond gaan krommen.
Loopt de pen vast en komt hij per slag geen millimeter meer, blijf dan niet doorbeuken. Je stuikt de kop, waardoor het schroefdraad onbruikbaar wordt en het hulpstuk klem komt te zitten. Trek de pen een stukje terug, giet water in het gat en probeer opnieuw, of verplaats de hele elektrode dertig tot vijftig centimeter en probeer het naast de harde laag.
Water is hier een echt hulpmiddel. Nat gemaakte grond geeft mee en spoelt fijn materiaal langs de pen omhoog, wat de wrijving langs de schacht verlaagt. Lukt het daarmee ook niet, dan zit er een steen- of keilaag en is een bandelektrode in een sleuf een reëler plan dan doorhameren.
Een pen die er weer uit moet
Soms zit de pen maar half en moet hij terug. Klem er een aardklem stevig omheen, leg een houten blok naast het gat en wrik met een koevoet onder de klem omhoog. Verzet de klem elke tien centimeter, want de pen glijdt anders door je klem heen. Trekken aan een pen met een tang gaat niet: je beschadigt de koperlaag en krijgt er geen grip op.
Draag gehoorbescherming en een bril. Een boorhamer op een stalen pen komt makkelijk boven de honderd decibel en er springen splinters af zodra de kop begint te vervormen. Werk nooit met je gezicht recht boven de pen.
Waarom de klem en de aardleiding de zwakste schakel zijn
Een aardpen die keurig gemeten drie ohm haalt, is waardeloos als de verbinding erboven wegroest. De klem is daarom net zo belangrijk als de pen zelf. Gebruik een aardklem die voor de diameter van jouw pen bedoeld is, maak het contactvlak schoon voordat je hem vastzet, en bescherm de klem daarna met corrosiewerend vet of tape.
Wikkel de aardleiding nooit los om de pen. Zo'n wikkeling ziet er stevig uit maar heeft nauwelijks contactdruk, en na een winter zit er een oxidelaagje tussen dat de verbinding onbetrouwbaar maakt. Voor de aardelektrodeleiding is groengeel koper van 16 mm² de gangbare maat in een woning. Ligt de leiding onbeschermd tegen mechanische schade of tegen corrosie, dan gelden zwaardere maten. Zoek die eis dan op in de norm of vraag het je installateur.
Houd de verbinding bereikbaar in een inspectieput, met een losneembare meetklem. Zonder die mogelijkheid kun je de elektrode niet meer los meten en meet je bij elke controle de hele installatie mee. Voer de leiding daarna in één doorlopend stuk naar de hoofdaardrail, zonder lassen in de grond en zonder scherpe knikken.
In de kast komt de aardleiding op de hoofdaardrail, één ader per klem. Zit die rail vol, dan hoort er een extra rail bij en niet twee aders onder één schroef; dat komt vaker voor bij het uitbreiden van de groepenkast. Welke ader- en kabelmaten bij welke groep passen zoek je op in onze draad- en kabelkiezer.
Bij de aardelektrode hoort ook de hoofdpotentiaalvereffening: de metalen water- en gasleiding en de centrale verwarming worden met de hoofdaardrail verbonden. Zonder die vereffening kan er tussen twee metalen delen in huis spanningsverschil ontstaan terwijl beide op zichzelf geaard lijken.
Wat je doet als één aardpen niet genoeg is
Haal je met één aardpen de gewenste weerstand niet, dan is doorkoppelen naar een grotere diepte meestal effectiever dan een tweede pen ernaast. Diepte brengt je in vochtiger lagen, terwijl een tweede pen dicht in de buurt in dezelfde droge laag blijft steken.
Zet je toch twee pennen, houd ze dan minstens zo ver uit elkaar als ze diep zitten. Staan ze dichterbij, dan overlappen de gebieden waarin de stroom zich verspreidt en concurreren de pennen met elkaar. Twee goed geplaatste pennen leveren in de praktijk geen halvering maar eerder een reductie tot rond de zestig procent van de oorspronkelijke waarde, en die winst wordt met elke extra pen kleiner.
In grond waar slaan niet lukt, is een horizontale elektrode het alternatief: verzinkt bandstaal of een dikke koperen geleider in een sleuf van zestig tot tachtig centimeter diep. Een langgerekte band werkt beter dan een compacte ring, omdat de weerstand vooral afhangt van de totale lengte in de bodem. Bij nieuwbouw wordt dit vaak in de fundering meegenomen, waarna de aansluiting al in de meterkast klaarligt.
Verbind meerdere elektroden altijd bovengronds of via een bereikbare put, niet met een geïmproviseerde koppeling onder de grond. Een verbinding die je niet kunt zien, kun je ook niet controleren, en dat is precies het soort fout dat pas bij een aardfout aan het licht komt. Hoe een installatie verder in elkaar zit, staat in ons overzicht van elektra in en om het huis.
Een aardpen bij een schuur, een laadpaal of schrikdraad
Een vrijstaande schuur met een eigen kastje is de meest voorkomende reden om zelf een aardpen te slaan. De voeding gaat er met een grondkabel naartoe, minimaal zestig centimeter diep en met waarschuwingslint erboven, en in het kastje hoort een eigen aardlekschakelaar. Of er een lokale elektrode bij moet, hangt af van de aardingsvorm van je woningaansluiting; dat laat je bepalen voordat je gaat graven. Hoeveel er op die ene groep kan hangen reken je uit met de groepencalculator voor vermogen per groep, en de hoogtes voor buitenmateriaal staan in onze tabel met standaardmaten.
Bij een laadpaal ligt het anders. In een net met nulaarding kan bij een breuk in de gecombineerde nul-aardeleiding spanning op de laadpaalbehuizing komen, en daar zijn twee oplossingen voor: een laadpaal met ingebouwde PEN-foutdetectie, of een eigen aardelektrode met een eigen aardlekschakelaar. Zo'n laadpunt wordt bovendien regelmatig over twee fasen verdeeld, en wat dat betekent lees je bij een aansluiting op twee fasen.
Een schrikdraadapparaat heeft juist een eigen elektrode nodig die zo ver mogelijk van de huisaarding en van metalen waterleidingen af staat. De pulsen zoeken anders hun weg terug via de huisinstallatie, wat zich uit in tikken in de radio en soms in schrikstroom op de drinkbak. Reken hier op meerdere pennen in vochtige grond en op een flinke onderlinge afstand.
Voer je noodstroom, dan hangt de aarding samen met de manier van omschakelen. Bij een verlengsnoer vanaf het apparaat is er niets aan de hand; bij een vaste koppeling naar de kast wordt het een ontwerpvraag, waar we bij het aansluiten van een aggregaat op de meterkast op ingaan.
Zo sla je een aardpen en sluit je hem aan
Deze volgorde geldt voor een enkele staafelektrode naast de woning of bij een bijgebouw.
-
Bepaal eerst of je de elektrode nodig hebt
Zoek uit hoe je aansluiting geaard is en wat de installatie of het apparaat vraagt. Een pen bijprikken in een installatie die al een goede aarde van de netbeheerder heeft, lost niets op en kan zelfs kringstromen veroorzaken. Kom je er niet uit, laat de aardingsvorm dan vaststellen voordat je materiaal koopt.
-
Kies de plek en controleer wat er in de grond ligt
Zoek vochtige grond op ongeveer een meter van de gevel, buiten het dakoverstek en niet in aangevulde puingrond. Loop de plek af met een kabeldetector en steek de eerste laag met de schop open. Een pen van twee meter gaat zonder waarschuwing dwars door een kabel of een leiding heen.
-
Graaf het putje en de sleuf voor de aardleiding
Maak een gat waarin het inspectieputje straks past en trek de sleuf voor de aardleiding meteen door richting de meterkast. Dat werk doe je liever nu dan wanneer de pen al staat, want dan graaf je met minder ruimte om de elektrode heen.
-
Zet de pen loodrecht aan
Sla de eerste dertig centimeter rustig met de moker en controleer met een waterpas van twee kanten. De richting die je hier vastlegt, houdt de pen de rest van de weg vast. Zit er schroefdraad op de kop, dan draai je eerst de slagdop erop.
-
Sla door met de boorhamer
Zet het inslaghulpstuk op de pen en laat de boorhamer in de klopstand het werk doen, zonder er met je gewicht op te hangen. Loopt de pen vast, giet dan water in het gat of verplaats de elektrode een halve meter. Doorbeuken vervormt de kop en dan past de koppelmof niet meer.
-
Koppel een tweede lengte als het nodig is
Haal het hulpstuk eraf, draai de koppelmof op de kop en schroef de volgende pen erin. Zet de slagdop weer terug en sla door tot de kop onder het maaiveld verdwijnt. Diepte levert bijna altijd meer op dan een tweede pen naast de eerste.
-
Zet de klem erop en leg de aardleiding
Maak het contactvlak schoon, zet de aardklem stevig vast op de pen en sluit de groengele aardleiding aan. Bescherm de klem tegen corrosie en zet het inspectieputje eromheen, zodat je er later bij kunt. Trek de leiding daarna in één stuk door de sleuf naar de kast.
-
Laat aansluiten en meten
De aansluiting op de hoofdaardrail en de meting van de aardverspreidingsweerstand horen bij een installateur met een aardingsmeter. Pas met die meting weet je of de elektrode doet wat hij moet doen. Bewaar de meetwaarde, dan kun je bij een volgende controle zien of hij wegloopt.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je de sleuf dichtgooit
Veelgemaakte fouten
De pen maar half de grond in slaan
Wat hier misgaat, zit in het seizoen. De bovenste laag grond droogt uit en vriest, waardoor de weerstand van datzelfde stuk pen in de zomer een veelvoud is van de waarde die je in het voorjaar mat. Een elektrode die alleen in die laag zit, voldoet precies op het verkeerde moment niet meer.
Een gat boren en de pen erin laten zakken
Het contact met de grond is de hele werking van de elektrode. Val de pen in een ruimer gat en vul je het aan met losse grond, dan zit er lucht rond de staaf en is de weerstand vele malen hoger dan berekend. Een geslagen pen drukt de grond juist tegen zich aan.
Doorhameren terwijl de pen niet meer zakt
Zodra de pen op een harde laag of een steen staat, gaat alle slagenergie in de kop zitten. Die stuikt en zwelt op, het schroefdraad wordt onbruikbaar en het inslaghulpstuk komt vast te zitten. Terugtrekken, wateren en verplaatsen kost tien minuten, een vervormde pen kost een nieuwe pen.
De aardleiding om de pen wikkelen
Een wikkeling heeft weinig contactdruk, en bij een verbinding in de grond is contactdruk het enige wat oxidatie buiten de deur houdt. Na een winter zit er een dun oxidelaagje tussen koper en staal en loopt de overgangsweerstand op. De elektrode zelf is dan nog prima, de verbinding niet.
De koperlaag beschadigen met tang of vijl
De koperlaag op een stalen pen is dun en heeft één taak: het staal van de bodem scheiden. Elke kras waar staal bloot komt, wordt in vochtige grond het beginpunt van roest, en daar teert de pen versneld weg omdat het omringende koper de reactie op gang houdt. Pak de pen dus vast met een doek of een zachte bek.
De klem onbereikbaar begraven
Een verbinding die onder de grond verdwijnt, kun je niet inspecteren en de elektrode niet los meten. Bij elke latere controle meet je dan de hele installatie mee en weet je nooit of de daling in kwaliteit aan de pen of aan de klem ligt. Een inspectieputje van een paar tientjes lost dat voorgoed op.
Denken dat de testknop van de aardlekschakelaar de aarding controleert
De testknop maakt intern een kunstmatig verschil tussen heen- en retourstroom en bewijst alleen dat het mechanisme werkt. Over de aardverspreidingsweerstand van je elektrode zegt hij niets. Een installatie kan dus een keurig klikkende aardlekschakelaar hebben met een aarding die in de praktijk niets voorstelt.
Veelgestelde vragen
Hoe diep moet een aardpen de grond in?
De pen hoort volledig weg te zitten, met de kop onder het maaiveld. Anderhalve meter is in de praktijk het minimum en in droge zandgrond kom je daar niet mee uit. Vuistregel: de weerstand daalt ongeveer evenredig met de diepte, dus verdubbelen van de lengte scheelt bijna de helft. Wat je uiteindelijk nodig hebt, hangt af van de grondsoort en van de aardlekschakelaar erachter.
Kan ik een aardpen slaan met alleen een hamer?
De eerste meter lukt met een zware moker van vier of vijf kilo, daarna wordt het zwaar en ga je bijna altijd scheef. Een boorhamer met SDS-max en een inslaghulpstuk werkt met veel slagen per minuut en brengt de pen veel gelijkmatiger naar beneden. Voor lange of gekoppelde pennen huur je een sloophamer met de bijbehorende inslagkop. Dat scheelt uren werk en een hoop beschadigde pennen.
Welke aardpen moet ik hebben voor een woning?
De gangbare keuze is een massieve verkoperde stalen pen van ongeveer 16 millimeter, in een lengte van anderhalve of twee meter, met schroefdraad als je wilt kunnen koppelen. In zilte of erg agressieve grond gaat roestvast staal langer mee. Massief koper en dunwandige koperbuis raden we af om te slaan, want die vervormen. Neem de aardklem tegelijk mee en let erop dat hij bij de diameter van je pen past.
Hoeveel ohm mag de aardverspreidingsweerstand zijn?
De norm rekent met de regel dat de weerstand maal de aanspreekstroom van de aardlekschakelaar onder de vijftig volt blijft. Bij 30 milliampère komt daar rekenkundig ongeveer 1600 ohm uit, bij 300 milliampère ongeveer 166 ohm. Dat zijn bovengrenzen, geen doelen: bodemweerstand loopt in een droge zomer flink op. Wij houden liever ruim onder de honderd ohm aan en laten de waarde meten in plaats van hem te schatten.
Hoe meet ik of mijn aardpen goed genoeg zit?
Dat gaat met een aardingsmeter volgens de driepuntsmethode: je neemt de aardleiding los, plaatst twee hulppennen op een aantal meters afstand in lijn met de elektrode en meet de spanningsval bij een bekende stroom. Met een gewone multimeter tussen de pen en een geaard stopcontact meet je de lus via het net en niet de elektrode zelf. Meet in een droge periode, want een meting vlak na regen valt te gunstig uit.
Is één aardpen genoeg of moet ik er meer slaan?
Meestal is dieper gaan effectiever dan een tweede pen ernaast, omdat je met diepte in vochtiger grond komt terwijl een tweede pen in dezelfde droge laag blijft. Wil je toch twee elektroden, houd ze dan minstens zo ver uit elkaar als ze diep zitten. Staan ze te dicht bij elkaar, dan overlappen hun verspreidingsgebieden en levert de tweede pen weinig op. Twee goed geplaatste pennen brengen je meestal naar ongeveer zestig procent van de oorspronkelijke waarde.
Wat doe ik als de aardpen niet dieper wil?
Stop met slaan zodra de pen per slag niet meer zakt, want dan vervorm je alleen de kop. Trek hem een stukje terug, giet water in het gat en probeer opnieuw; nat gemaakte grond geeft mee en spoelt materiaal langs de schacht omhoog. Helpt dat niet, verplaats de elektrode dan een halve meter, want een steen is zelden breed. Bij een echte keilaag of puinlaag stap je over op een bandelektrode in een sleuf.
Mag ik zelf een aardpen slaan en aansluiten?
Het grondwerk, het slaan van de pen en het leggen van de aardleiding kun je zelf doen. De aansluiting op de hoofdaardrail zit in de meterkast, en alles in of vóór het verzegelde deel van de aansluitkast is werk voor de netbeheerder of een erkend installateur. Ook de meting van de aardverspreidingsweerstand hoort daarbij, want zonder die meting weet je niet of je elektrode iets voorstelt.
Welke draad gebruik ik tussen de aardpen en de meterkast?
Voor de aardelektrodeleiding is groengeel koper van 16 mm² in een woning de gangbare maat. Ligt de leiding onbeschermd tegen mechanische schade of tegen corrosie, dan schrijft de norm zwaardere doorsneden voor, dus zoek dat op of laat het bepalen. Leg de leiding in één doorlopend stuk zonder las in de grond, en gebruik geen aluminium of verzinkt staal in combinatie met een koperen klem als je die verbinding niet kunt inspecteren.
Hoe ver moet een aardpen van het huis af staan?
Houd ongeveer een meter afstand van de fundering en blijf uit de baan van de kruipruimte en van leidingen. De grond vlak tegen de gevel is meestal droger door het dakoverstek, en droge grond geleidt slecht. Een plek in de border of het gazon werkt beter dan een plek onder een luifel of onder een terras dat het regenwater afvoert.
Mag een aardpen naast een gasleiding of waterleiding in de grond?
Beter niet vlak ernaast. Een verkoperde pen en een stalen of verzinkte leiding vormen in vochtige grond een galvanisch koppel waarbij het onedele metaal wordt aangetast, en dat wil je niet bij een gasleiding. Houd afstand en zoek uit waar leidingen liggen voordat je slaat. De metalen leidingen in huis verbind je overigens wel met de hoofdaardrail, dat is de potentiaalvereffening en die hoort er juist bij.
Heb ik een aardpen nodig voor een schuur of tuinhuis met stroom?
Dat hangt af van de manier waarop je aansluiting geaard is en van hoe de voeding naar het bijgebouw loopt. In sommige gevallen neemt de aarde uit de woning mee, in andere gevallen hoort er een lokale elektrode met een eigen aardlekschakelaar bij. Laat de aardingsvorm bepalen voordat je gaat graven, want een tweede aarde bijprikken op de verkeerde plek kan kringstromen en meetproblemen opleveren.
Wanneer je beter een vakman belt
Het slaan van de pen en het graven van de sleuf is gewoon klussen, maar er zijn vier momenten waarop je iemand erbij haalt.
Het eerste is de vraag of je überhaupt een eigen elektrode nodig hebt. Dat volgt uit de aardingsvorm van je aansluiting, en dat is geen vraag die je op het oog beantwoordt. Een verkeerd geplaatste tweede aarde kan kringstromen veroorzaken die zich uiten in brommende apparatuur en in aardlekschakelaars die zonder aanleiding afschakelen.
Het tweede is de aansluiting in de meterkast zelf. Alles in en vóór het verzegelde deel van de aansluitkast is werk voor de netbeheerder of een erkend installateur, en dat geldt ook als het alleen om een aardleiding op de rail lijkt te gaan.
Het derde is de meting. Een aardingsmeter voor de driepuntsmethode heeft bijna niemand thuis, en zonder meetwaarde is je elektrode een aanname. Laat de waarde noteren, dan heb je bij een latere controle een vergelijkingspunt.
Het vierde is bliksembeveiliging. Een aarding voor een bliksemafleider of een mast valt onder een eigen norm met veel strengere eisen aan de weerstand en aan de verbinding met de rest van de installatie. Dat is ontwerpwerk en geen klus die je met een pen en een klem afrondt.