Metselen: van de fundering tot de laatste laag
Of metselen lukt, hangt bijna altijd aan drie dingen: een fundering die niet zakt, specie die bij je steen past en stenen die vanbinnen vochtig zijn en vanbuiten droog. Zuigende baksteen vraagt mortel met kalk, zware betonblokken juist mortel zonder kalk en met minder water. Werk niet hoger op dan ongeveer een meter per dag, want daaronder is de specie nog nat en gaat je muur lopen.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Metselaarstroffel van 180 of 200 mm
- Voegspijker of voegijzer in de dikte van je voeg
- Metselprofielen of stelpalen met metseldraad en draadhouders
- Waterpas van 60 cm en een lange rei of waterpas van 180 cm
- Slangwaterpas of een klein hangwaterpasje voor aan het draad
- Speciekuip en een dwangmenger of boormachine met mengspindel
- Kruiwagen, schop en een specieblad
- Steenkloofhamer, blokbeitel en een haakse slijper met diamantschijf
- Rolmaat, timmerpotlood en een duimstok
- Bekistingsplanken, schroeven en afstandhouders voor de fundering
Materiaal
- Voorgemengde metselmortel, met of zonder kalk
- Metselzand en cement als je zelf mengt
- Stenen: baksteen, waaltjes, betonstenen, betonklinkers of betonblokken
- Betontegels of beton voor de voet onder het metselwerk
- Wapeningsnet van 6 of 8 mm voor de betonfundering
- Spouwankers of muurankers voor de aansluiting op bestaand werk
- Dpc-folie of harde stenen voor het trasraam
- Voegmortel of doorstrijkmortel
- Afdekfolie en dekkleden
Zonder goede fundering heeft metselen geen zin
Metselwerk is zwaar en stijf en verdraagt vrijwel geen beweging in de ondergrond. Zakt de fundering een centimeter, dan komt de scheur er ergens uit, meestal precies door je mooiste voeg. Hoe fundering, mortel en steen samenwerken staat in ons overzicht over beton en metselwerk in en om het huis, en elke klus begint aan die kant.
De diepte van je fundering wordt bepaald door de vorst. In Nederland houd je zestig centimeter aan als vorstvrije diepte, want daarboven kan de grond in een strenge winter opvriezen en je muur optillen. Voor een plantenbak van drie lagen hoog is dat overdreven, voor een tuinmuur van een meter niet.
Voor licht werk volstaat een rij brede betontegels in een verdicht zandbed, tien tot twintig centimeter onder het maaiveld. Metsel dan vanuit het midden van de tegel, zodat hij niet kan kantelen. Voor alles wat hoger wordt dan ongeveer zestig centimeter stort je een strook beton, of je vult de sleuf met stampbeton dat je laagsgewijs aanstampt als je geen bekisting wilt maken.
Maak de fundering altijd breder dan het metselwerk. Tien centimeter rondom is het minimum en bij een penant of pilaar houd je liever twintig aan. Een strook die net zo breed is als de muur spreidt de belasting niet, en dan voegt wapening er ook nauwelijks iets toe, want er valt niets te verdelen.
Stort je een gewapende strook, houd dan genoeg dekking aan op het net. Tegen een bekiste zijkant is vijftig millimeter voldoende, tegen een ruwe grondkant houd je liever vijfenzeventig millimeter aan. Leg het net op afstandhouders en niet op een paar losse stenen, anders ligt het na het storten alsnog op de bodem van de sleuf.
De grondsoort bepaalt wat je mag verwachten. Op stevig zand staat een muurtje op tegels tientallen jaren, op klei of een gedempte sloot zakt alles mee met de omgeving. Heb je afgegraven en weer aangevuld, verdicht dan in lagen van twintig centimeter, want anders komt de zakking gewoon later.
Voor de hoeveelheden hoef je niet te gokken. Met onze betoncalculator reken je uit hoeveel kuub beton en hoeveel kruiwagens zand er in je sleuf gaan. Wil je weten wat dat op de aanhanger betekent, dan helpt de tabel met het soortelijk gewicht van beton, zand en grind.
| Wat je metselt | Fundering die past | Diepte onderkant | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| Plantenbak of border tot 50 cm | Rij betontegels in een verdicht zandbed | 10 tot 20 cm onder maaiveld | Tegels waterpas leggen en vanuit het midden opmetselen |
| Laag tuinmuurtje tot 60 cm | Betontegels of een smalle strook beton | 20 tot 30 cm | Op klei of veen doorzetten tot vorstvrije diepte |
| Tuinmuur van 1 tot 1,5 m | Gestorte strook met wapeningsnet | 60 cm | Strook 20 cm breder dan de muur, om de 3 m een steunbeer |
| Penant of pilaar voor een poort | Poer van 20 tot 40 cm dik met net | 60 cm | Poer rondom minstens 15 cm groter dan de penant |
| Schuur of tuinhuis in steen | Doorgaande vorstrand, vloerplaat los daarvan | 60 cm | Vloer op beton in plaats van op zand houdt de berging droog |
| Keerwand of keermuur | Gewapende voetplaat die de grond in doorloopt | 60 cm plus de aanzet | Drainage achter de muur, boven 1 m kerende hoogte laten berekenen |
| Bbq of buitenkeuken | Betonplaat van 15 cm met wapeningsnet | 30 tot 60 cm | Geen holle ruimte onder de stookplaats |
Maak de fundering rondom tien centimeter groter dan het metselwerk, ook als de constructie het niet vraagt. Op die overstek kun je je metselprofielen vastzetten, en dat scheelt gepriegel met stelpalen in de losse grond.
Metselspecie aanmaken: met of zonder kalk
De meeste mislukte proefstukjes komen niet door de steen maar door de mortel. Voorgemengde metselmortel uit de zak is voor tuinwerk het makkelijkst: je voegt alleen water toe en de verhouding klopt al. Welke soorten er zijn en waarvoor ze bedoeld zijn staat in ons overzicht over metselspecie en de verschillende mortelsoorten.
Het grote onderscheid is kalk. Kalk maakt de specie smeuïg en zorgt dat er niet meteen vocht uit de mortel wordt getrokken, wat prettig werkt bij zuigende baksteen. Bij zware, niet zuigende betonblokken keert dat zich tegen je: de specie blijft week en het blok zakt er dwars doorheen, met een flinterdunne voeg als resultaat.
Neem dus mortel zonder kalk zodra je met betonblokken, betonstenen of klinkers werkt, en doe er bovendien iets minder water bij dan de zak voorschrijft. Op een zak van vijfentwintig kilo scheelt een halve liter al genoeg om van vla een verwerkbare mortel te maken. Zeg je zakvoorschrift van 3,1 liter water, dan is 2,7 liter bij dit soort stenen vaak de betere maat.
Meng in porties. Gooi het poeder in de kuip, giet water erbij tot het net begint te binden en meng door tot alles homogeen is. Harder of langer mixen maakt de specie niet stijver maar alleen luchtiger, dus daarmee red je een te natte partij niet.
Laat de aangemaakte specie daarna tien minuten staan en meng hem dan nog even kort door. In die tien minuten neemt het zand het water op en wordt de mortel merkbaar steviger. Dat rijpen is het verschil tussen een voeg die blijft staan en een voeg die onder de eerste steen al wegzakt.
De juiste dikte herken je aan je troffel. Neem een schep specie op en kantel het blad: de mortel moet blijven zitten en pas na een tik in één slof loslaten. Loopt hij eraf, dan is hij te nat, en breekt hij kruimelig, dan is hij te droog. Specie zo stijf als pindakaas hecht niet, hoe netjes hij er ook uitziet op de troffel.
| Situatie | Welke mortel | Mengverhouding als je zelf mengt | Waarom juist deze |
|---|---|---|---|
| Baksteen en waaltjes buiten | Metselmortel met kalk | 1 cement : 0,5 kalk : 6 zand | Kalk houdt water vast tegenover de zuigende steen |
| Betonblokken en betonstenen | Metselmortel zonder kalk | 1 cement : 5 zand | Blijft stug, zodat het zware blok niet wegzakt |
| Straatklinkers en betonklinkers | Stugge mortel zonder kalk of steenlijm | 1 cement : 5 zand | De steen zuigt niet, dus het water moet in de specie blijven |
| Eerste lagen bij de grond | Trasmortel of waterdichte metselmortel | Kant en klaar uit de zak | Beperkt optrekkend vocht en witte uitslag |
| Bbq, vuurplaats en buitenhaard | Mortel zonder kalk met wat meer cement | 1 cement : 4 zand | Kalk verliest zijn binding als je erop stookt |
| Binnenzijde van een oven | Vuurvaste mortel met chamotte | Kant en klaar uit de zak | Blijft heel bij herhaald opstoken tot hoge temperatuur |
| Onder een voetplaat of in holle blokken | Krimpvrije giet- of blokkenmortel | Kant en klaar uit de zak | Trekt niet terug, dus de belasting blijft dragen |
| Voegen na het metselen | Voegmortel of doorstrijkmortel | Kant en klaar uit de zak | Harder en dichter dan gewone metselspecie |
Cement is sterk basisch en bijt. Specie die in je knieholte of in je handschoen blijft zitten geeft na een paar uur echte brandwonden, en dat voel je pas als het te laat is. Werk met handschoenen, spoel spatten meteen af en knie nooit zonder bescherming in verse mortel.
Stenen nat maken voor metselen
Een kurkdroge baksteen zuigt het aanmaakwater binnen seconden uit de specie. Wat overblijft is een laagje zand dat nooit meer bindt, en de steen laat zich een dag later met de hand oplichten. Dit is de meest voorkomende reden dat een eerste proefstukje mislukt.
De aanpak die werkt is simpel: stapel de stenen een dag van tevoren buiten op en gooi er een paar emmers water overheen, zo dat de stapel echt doorweekt raakt. Laat ze daarna staan. De volgende dag is de buitenkant droog en de kern nog vochtig, en dat is precies de toestand die je zoekt.
Een steen die vanbuiten nat is, is namelijk net zo lastig als een droge. De specie glijdt weg, de steen zakt en je smeert het hele werk onder. Twijfel je, sla dan een steen doormidden en kijk naar het breukvlak: donker en koel vanbinnen is goed, overal lichtgrijs betekent dat je opnieuw moet gieten.
Op een warme, winderige dag droogt zo'n stapel sneller uit dan je denkt. Eén keer gieten is dan te weinig, dus herhaal het in de avond en bevochtig de stenen vlak voor het verwerken nog licht met een plantenspuit. Bij twintig graden en zon verandert de situatie binnen een paar uur.
Er zijn twee proeven waarmee je controleert of steen en specie bij elkaar passen. Leg voor de eerste een klodder specie op een steen, druk er een tweede steen op en til die na een minuut recht omhoog. Breekt de specie ongeveer in het midden en zit er op beide vlakken evenveel, dan klopt het; blijft vrijwel alles op één steen achter, dan is de andere steen te droog of de specie te stug.
De tweede proef doe je na tien minuten. Pak de bovenste steen beet en til het stapeltje op: blijft de onderste hangen, dan is de hechting goed. Valt hij eraf, ga dan niet doormetselen maar pas eerst je specie of je voorbevochtiging aan, want dit voorspelt precies wat er over een week in je muur gebeurt.
Niet elke steen wil water. Betonstenen, betonblokken en betonklinkers zuigen nauwelijks, dus die verwerk je droog en stofvrij, met een harde borstel eroverheen. Voorstrijk heeft op betonsteen geen zin, want er valt niets te doordrenken.
| Steensoort | Zuigt de steen? | Voorbehandeling | Waar hij op zijn plek is |
|---|---|---|---|
| Zacht gebakken baksteen | Sterk | Dag ervoor doorweken, buitenkant weer laten drogen | Tuinmuur, plantenbak, binnenwerk |
| Hardgebakken klinker, klasse IW1 | Nauwelijks | Alleen afspoelen als er stof op zit | Trasraam, eerste lagen bij de grond, bbq |
| Waaltjes, dun formaat | Sterk | Dag ervoor natmaken | Laag tuinmuurtje, sierwerk, kleine radius |
| Betonblokken | Niet | Droog verwerken met stugge mortel | Tuinmuur, schuurmuur, vijverwand, keerwand |
| Betonstenen en betonklinkers | Niet | Droog en stofvrij, harde borstel eroverheen | Plantenbak, border, laag muurtje |
| Gebakken straatklinkers | Weinig | Schoonborstelen en licht bevochtigen | Plantenbak, muurtje, bestrating hergebruiken |
| Veldkeien en zwerfkeien | Niet | Schoon en droog verwerken | Sierrand en keienmuur met veel specie |
| Vuurvaste chamottesteen | Sterk en niet vorstbestendig | Droog verwerken | Alleen binnen, in een oven of stookplaats onder een dak |
De kleur van een baksteen zegt niets over de hardheid. Klop twee stenen tegen elkaar: een heldere, hoge klank hoort bij een harde steen die weinig water opneemt, een doffe lage klank bij een zachte, sterk zuigende steen. Voor de lagen die uit de grond komen wil je de harde variant, in de handel aangeduid als klasse IW1.
Betonblokken metselen of lijmen
Betonblokken metselen gaat hard, want een blok van 29 bij 20 bij 19 centimeter vervangt een stuk of tien bakstenen. Het gewicht van twaalf tot twintig kilo per blok is meteen ook het probleem. In smeuïge specie zakt zo'n blok dwars door de voeg heen en houd je nauwelijks mortel onder de steen over.
Gebruik daarom mortel zonder kalk, houd hem stug en leg een dik bed op met een flinke rug in het midden. De voeg komt dan uit op tien tot twaalf millimeter. Vul de stootvoeg vol, want een lege stootvoeg is bij blokken de standaardplek waar water dwars door de muur trekt.
Bij een lange, vrijstaande muur helpt wapening. Leg om de twee lagen gegalvaniseerd betonstaal of lintvoegwapening in de lintvoeg, doorlopend over de hele lengte. Wil je holle betonblokken metselen, dan kun je de gaten volstorten, maar dat heeft alleen zin als er stekken uit de fundering steken waar die wapening op aansluit.
Doe je dat niet, sluit dan in elk geval de bovenste laag af. Prop de gaten van de bovenste rij dicht met wat papier, vul de laatste vijf centimeter met mortel en strijk hem af. Anders staat er water in je muur dat er in de winter uit vriest. Voor het aangieten van een voetplaat of een anker in zo'n gat pak je krimpvrije mortel die niet terugtrekt.
Lijmen is het alternatief, en of je betonstenen metselen of lijmen wilt, is vooral een kwestie van maatvastheid. Blokkenlijm in poedervorm breng je aan met een lijmkam in een laag van twee tot drie millimeter, dat werkt snel en laat nog een beetje corrigeren. Pu-steenlijm heeft praktisch geen dikte, vult oneffenheden op en geeft een naad die je nauwelijks ziet.
Voor beide geldt dezelfde regel: de eerste laag leg je altijd in specie op de fundering. Alleen zo krijg je die laag exact waterpas, en daarna volgt de rest bijna vanzelf. Bakstenen zijn niet maatvast en lenen zich daarom slecht voor lijmen, tenzij je bereid bent elke steen eerst droog te passen en op volgorde klaar te leggen.
Bij een gelijmde plantenbak tot zo'n zestig centimeter hoog is extra versteviging niet nodig. Wordt hij hoger of langer, dan lijm je om de paar lagen een muuranker mee. Zet aan de binnenkant een isolatieplaat van twintig millimeter tegen het werk, dan komt er geen aarde tussen de naden en drukt bevroren grond niet rechtstreeks tegen de stenen.
| Punt van vergelijking | Metselen met specie | Lijmen met steenlijm |
|---|---|---|
| Geschikte steen | Alles, ook onregelmatige baksteen | Alleen maatvaste beton- en betonklinkers |
| Voegdikte | 10 tot 12 mm | 2 tot 3 mm met poederlijm, vrijwel niets met pu-lijm |
| Tempo | Trager, veel aanmaakwerk | Sneller zodra de eerste laag waterpas ligt |
| Corrigeren | Ruim, je klopt de steen nog op zijn plek | Weinig, bij pu-lijm vrijwel geen |
| Eerste laag | In een dik bed specie op de fundering | Ook in specie, lijmen kan pas op een vlakke laag |
| Sterkte in de tuin | Hoog, ook bij grondkering | Ruim voldoende tot ongeveer 60 cm hoogte |
| Uiterlijk | Zichtbare voeg, klassiek beeld | Strakke dichte naad, meestal bedoeld om te stucen |
| Bij kou | Verwerken vanaf 5 graden | Nog gevoeliger, lees de opgave op de zak |
Leg bij lijmwerk elke rij eerst droog neer voordat je begint. De stenen rusten bij pu-lijm rechtstreeks op elkaar, dus een steen die een millimeter afwijkt loopt over de hele lengte uit. Draai of wissel de afwijkers eruit en leg de rij dan op volgorde naast je klaar.
Uitzetten met profielen, lagenmaat en tempo
Een muur wordt recht van het draad, niet van het oog. Zet aan beide uiteinden een metselprofiel of een stevige stelpaal, precies waterpas en loodrecht, en schrijf daar de lagenmaat op af. Tussen die profielen span je een metseldraad dat je per laag een maat omhoog zet.
Het peil breng je over met een slangwaterpas of met een touw waar je een klein hangwaterpasje aan hangt. Bij een rechthoek, bijvoorbeeld onder een tuinhuis, meet je ook de diagonalen: pas als die gelijk zijn staat je uitzetting haaks. Zonder profiel metselen lukt alleen bij een paar lagen tegen bestaand werk aan, verder ga je onherroepelijk bollen.
Lagenmaat is simpel rekenwerk. Een waalformaat steen van vijftig millimeter hoog met een voeg van twaalfeneenhalve millimeter geeft 62,5 millimeter per laag, dus zestien lagen op een meter. Schrijf die maat af op je profiel voordat je begint, dan hoef je onderweg niet te meten en klopt je bovenkant precies waar je hem hebben wilt.
Het verband bepaalt de sterkte. Halfsteens verband, waarbij elke laag een halve steen verspringt, is voor tuinwerk de standaard. Recht boven elkaar stapelen ziet er strak uit maar geeft doorlopende stootvoegen, en precies daarlangs scheurt de muur bij de eerste zetting.
Het tempo is waar beginners de mist in gaan. De specie in je onderste lagen is na een uur nog nat, en al het gewicht dat je erop zet perst die voegen samen. Metsel daarom niet meer dan ongeveer een meter tot anderhalve meter hoogte op één dag, en bij zware betonblokken houd je het op vier of vijf lagen.
Voor je materiaal reken je met vaste getallen. Een halfsteense muur in waalformaat kost ongeveer 72 stenen per vierkante meter, en daar gaat twee tot drie zakken metselmortel van vijfentwintig kilo in. Tel er vijf procent bij op voor breuk en voor het passen van hoeken, want stenen bijkopen uit een andere partij zie je later in de kleur terug.
Voegen tijdens het metselen of achteraf
Je hebt twee routes. Vol en zat metselen betekent dat je de voeg meteen helemaal vol maakt en hem afstrijkt zodra de specie duimdroog is, dus wanneer je er een afdruk in kunt zetten zonder dat het smeert. Met een voegspijker druk je hem stevig aan en je bent klaar. Officieel gebruik je daar doorstrijkmortel voor, maar bij een plantenbak of een tuinmuurtje kan het prima met je gewone metselmortel.
De andere route is de voeg uitkrabben tot ongeveer vijftien millimeter diep terwijl je metselt, alles laten uitharden en later apart voegen met voegmortel. Dat is meer werk, maar het geeft een hardere en dichtere voeg en een strakker beeld. Bij zichtmetselwerk aan de straatkant is dat de keuze.
Wat je niet moet doen is de uitgekrabde voeg zo laten zitten. Het ziet er stoer uit, maar in die holte blijft regenwater staan en dat vriest in de winter uit. Een tuinmuur die je zo laat staan is binnen een paar seizoenen aan het rafelen langs alle voegen.
| Steen | Formaat | Lagenmaat met voeg | Lagen per meter hoogte | Stenen per m2 halfsteens |
|---|---|---|---|---|
| Waalformaat baksteen | 210 x 100 x 50 mm | 62,5 mm | 16 | Ongeveer 72 |
| Waaltje, dun formaat | 200 x 95 x 40 mm | 52,5 mm | 19 | Ongeveer 90 |
| Vormbaksteen dikformaat | 210 x 100 x 65 mm | 77,5 mm | 13 | Ongeveer 58 |
| Betonsteen in metselformaat | 210 x 100 x 50 mm | 62,5 mm | 16 | Ongeveer 72 |
| Betonklinker | 200 x 70 x 60 mm | 70 mm | 14 | Ongeveer 67 |
| Betonblok | 290 x 200 x 190 mm | 200 mm | 5 | Ongeveer 17 |
Tuinmuur, plantenbak en keerwand metselen
Een laag tuinmuurtje metselen is de beste eerste klus die je kunt bedenken. Tot ongeveer zestig centimeter hoogte kan een halfsteense muur vrijstaand staan, mits hij op een deugdelijke voet rust. Wil je hoger, dan wordt het steens werk of je zet om de twee à drie meter een verdikking mee.
Wie een tuinmuur metselen wil van betonblokken schiet sneller op, want één blok vervangt een stuk of tien stenen en je bent met vijf lagen al op ruim een meter. Reken er dan wel op dat zo'n muur zichtbaar grof blijft en meestal gestuct wordt. Voor een muur die in het zicht staat is baksteen of een betonsteen in metselformaat het mooiere antwoord.
Zo'n verdikking is een steunbeer, en een steunbeer metselen doe je in verband met de muur en niet ertegenaan. Metsel hem laag voor laag mee omhoog, zodat de stenen elkaar echt overlappen. Een pilaartje dat je er later tegenaan plakt draagt niets en scheurt bij de eerste zetting los.
Een plantenbak metselen van bakstenen vraagt aandacht voor de binnenzijde. Aarde staat permanent vochtig tegen je metselwerk aan, en dat geeft witte uitslag aan de buitenkant en vorstschade in de winter. Zet er een isolatieplaat of noppenfolie tegenaan en boor onderin een paar afwateringsgaten.
Een plantenbak metselen met klinkers lukt ook prima, bijvoorbeeld met betonklinkers van 200 bij 70 bij 60 millimeter in halfsteens verband. Kies wel de bredere variant van honderd millimeter zodra de bak boven een halve meter uitkomt, want die smalle steen staat op een erg klein steunvlak en kantelt makkelijk als de grond erachter zwelt.
Bij een keerwand metselen of een keermuur metselen speelt iets heel anders: de grond erachter duwt. Die druk loopt sterk op met de hoogte, en verzadigd zand duwt veel harder dan droog zand. Zorg daarom altijd voor afvoer: grind achter de muur, een drainagebuis onderin en open stootvoegen in de onderste laag zodat het water er echt uit kan.
Tot ongeveer zestig centimeter kerende hoogte kom je met een gemetselde wand op een gewapende voet meestal goed weg. Daarboven wordt het rekenwerk, en dan is een gewapende betonwand of een L-element verstandiger. Een gemetselde keermuur die eenmaal bolt is niet meer te redden en moet er in zijn geheel uit.
Een vijver metselen doe je nooit waterdicht met metselwerk alleen. Ook een vijver metselen van betonblokken blijft lekken, want de voegen laten water door en de blokken zuigen zelf ook. Metsel de wand als drager en vormgeving en breng daarbinnen vijverfolie of een gewapende, waterdichte cementlaag aan.
Een trap metselen in een tuinhelling begint onderaan, bij de laagste trede, waarna elke volgende trede deels op de vorige rust. Houd een optrede van zestien tot achttien centimeter aan en een aantrede van minstens dertig, dan loopt hij prettig. Metsel de wangen mee omhoog en vul de kern met puin en zand dat je in lagen aanstampt.
Sluit elke tuinmuur af aan de bovenkant. Een rollaag, een ezelsrug, muurafdekkers of een hardstenen dekplaat houden het regenwater uit de muur. Zonder afdekking zuigt het metselwerk van bovenaf water op, en dat komt er in januari als schilfers weer uit.
Bedenk voor je begint of een muur wel het juiste antwoord is. Een gemetselde erfafscheiding is de zwaarste en duurste oplossing die er is. Wie vooral privacy zoekt, is met een schutting tussen betonpalen die je in de grond zet een stuk sneller klaar, en met een betonnen onderplaat per schuttingdeel houd je het hout van de natte grond af.
Een oude tuinmuur metselen of herstellen
Bij oud metselwerk is de mortel de valkuil. De bestaande specie is meestal kalkrijk en zacht, en zet je daar een harde cementmortel tussen, dan wordt de steen ineens het zwakste onderdeel. Het vocht kan dan alleen nog door de steen naar buiten en die vriest af, waardoor je koppen eraf springen.
Werk daarom met een kalkhoudende metselmortel in ongeveer dezelfde hardheid als het bestaande werk. Krab de voegen uit tot twee centimeter diep, borstel het stof eruit, maak de holte licht nat en voeg opnieuw. Losse stenen haal je er helemaal uit en zet je terug in verse specie, in plaats van er iets tussen te smeren wat toch weer loslaat.
Een muur die grond keert is geen tuinmuurtje. Boven een meter kerende hoogte, of wanneer er een oprit of een parkeerplaats achter ligt, hoort de wand berekend te worden. Een keermuur die het begeeft valt in één keer om, meestal in de richting waar je zelf staat.
Schuur, tuinhuis en aansluiten op bestaand metselwerk
Een schuur metselen vraagt meer voorbereiding dan een muurtje in de tuin, alleen al omdat er een dak op komt. Reken voor een berging van vijfeneenhalve meter breed, drie meter diep en 2,25 meter hoog op ongeveer dertig vierkante meter muurwerk. Halfsteens in waalformaat betekent dat ruim tweeduizend stenen en zestig tot negentig zakken mortel.
Zet zo'n schuur op een betonvloer en niet op tegels in het zand. Uit de grond komt permanent vocht omhoog, en op tegels merk je dat aan alles wat je erin zet. Een vloerplaat met folie eronder is het verschil tussen een droge berging en een klamme.
Een tuinhuis metselen doen de meesten niet helemaal in steen. Wat vaker gebeurt is een gemetseld muurtje van vijftig centimeter waarop het houten huisje komt te staan, met stelbouten of ankers in de bovenste lagen. Leg onder de muurplaat altijd een strook folie, anders trekt het hout het vocht zo uit het metselwerk.
Metselen op dpc-folie heeft één eigenaardigheid: op folie hecht specie slecht, dus die eerste laag kan schuiven. Leg de folie in een verse laag specie, metsel er direct vol en zat op door en belast de laag pas als de mortel gebonden is. Laat de folie aan de buitenkant een paar millimeter uitsteken en snijd hem later netjes bij.
Een nieuwe muur metselen tegen een bestaande muur is de vraag die het vaakst misgaat. Er zijn twee routes en je moet kiezen: hard verbinden met spouwankers om de twee lagen, of juist bewust een dilatatievoeg maken en beide muren los van elkaar houden. Wat je niet moet doen is er koud tegenaan metselen zonder een van beide, want dan trekt er gegarandeerd een kier open.
Staat de nieuwe muur op een eigen fundering naast een woning die zich al lang geleden gezet heeft, dan is een dilatatie meestal het veiligst. Je houdt een naad van een centimeter vrij, zet er een schuimband in en kit hem af. Kies je toch voor verankeren, gebruik dan roestvaste ankers en boor in de steen en niet in de voeg.
Een houten balk in een muur metselen doe je bij voorkeur niet meer. Een balkkop die volledig ingemetseld zit kan geen vocht kwijt en rot van binnenuit weg, precies op de plek die je nooit ziet. Werk in plaats daarvan met een balkschoen tegen het metselwerk, of laat de kop vrij in een uitsparing die aan de zijkanten open blijft.
Metselen op een stalen balk kom je tegen boven een doorbraak of een brede opening. De balk hoort aan beide kanten minstens tien centimeter oplegging te hebben op een stevig oplegblok, en de maat van die balk komt uit een berekening en niet uit een inschatting. Leg over de bovenflens een strook lood of folie voordat je erop doormetselt.
Een borstwering metselen, bijvoorbeeld onder een raam of langs een dakterras, is geen los muurtje maar onderdeel van de constructie. Bij een balkon of galerij moet die borstwering een horizontale duw van mensen kunnen opnemen, en dat vraagt verankering en meestal wapening. Bij dat soort ingrepen komt meer kijken dan metselwerk alleen, zie ons overzicht over dragend werk en constructie in de woning.
Een dragende muur of een nieuwe opening in de gevel is geen doe-het-zelfwerk. Zodra je een gat maakt in een muur die vloeren of het dak draagt, zijn de maat van de latei, de oplegging en de tijdelijke stempeling rekenwerk. Metsel daar nooit op gevoel en begin niet zonder constructieberekening en zonder de vergunning die je gemeente ervoor vraagt.
Bbq, buitenkeuken en buitenhaard metselen
Een bbq metselen kan gewoon, ondanks het hardnekkige verhaal dat alles scheurt van de hitte. Wat er misgaat, gaat mis door de verkeerde steen of de verkeerde mortel en niet door het idee zelf. Een barbecue metselen van hardgebakken stenen op een betonplaat gaat jaren mee.
De veelgemaakte fout is meteen grijpen naar vuurvaste stenen. Chamottesteen is geperst uit klei, poreus en niet vorstbestendig, en buiten valt hij na een paar winters uit elkaar. Die stenen horen in een pizzaoven of een stookplaats onder een dak, waar geen regen bij komt.
Neem buiten dus een goed harde gebakken steen of een betonsteen. Vormbakstenen verdragen temperatuurwisselingen beter dan strengpersstenen, omdat er minder inwendige spanning in zit. Voor het deel waar je echt op stookt kun je losse stenen op een betontegel leggen, zonder mortel, zodat ze kunnen werken en eenvoudig te vervangen zijn.
De specie hoeft niet vuurvast te zijn zolang je niet rechtstreeks tegen de stenen aan stookt. Gebruik voor het hete deel mortel zonder kalk met wat extra cement, in de orde van één deel cement op vier delen zand. Kalk verliest bij herhaald opstoken zijn binding en dan wordt je voeg zanderig.
Zelf een bbq metselen begint met tekenen. Meet je rooster en je vuurkorf op, teken de lagen uit op schaal en werk waar het kan met hele stenen. Een bbq metselen zonder plan levert bijna altijd een rooster op dat net niet past en een aslade die je er niet uit krijgt.
Blus de kolen nooit met water. De temperatuurschok scheurt de stenen en trekt de voegen kapot, en dat is bij gemetseld werk de snelste manier om schade te maken. Gooi er zand op of laat het vuur uit zichzelf uitgaan.
Een vuurplaats metselen in de tuin volgt dezelfde regels: harde steen, mortel zonder kalk en een losse binnenring die je kunt vervangen. Zorg dat er geen holle ruimte onder de stookplaats zit, want vocht dat daarin blijft hangen verdampt tijdens het stoken en drukt de bovenlaag omhoog.
Een buitenkeuken metselen combineert het metselwerk met een blad, en dat blad is meestal beton. Zes centimeter dik met een betonstaalmat van zes millimeter op vijfentwintig millimeter vanaf de onderkant is voldoende voor een overspanning tot ongeveer 160 centimeter, mits het blad op drie zijden rust. Geef zo'n overspanning een zeeg van een paar millimeter, dan oogt hij later kaarsrecht in plaats van doorgezakt.
Stort dat blad op zijn kop in een bekisting, verdicht het door erin te porren en tegen de bekisting te tikken, en geef de bovenkant een licht afschot zodat regenwater eraf loopt. Wil je een granito-effect, dan slijp je het na een week uitharden op met een diamanten komschijf op de haakse slijper, plat op het vlak gehouden om happen te voorkomen. Afwerken kan met een betonsealer, die buiten beter presteert dan epoxy.
Betegelen van een buitenblad valt vaak tegen. Handvormtegels en geglazuurde tegeltjes zijn poreus, nemen water op en verliezen na één winter hun glazuur. Kies je toch voor tegels, neem dan een vorstbestendige tegel en voeg met epoxyvoegmortel, zodat er nergens water onder kan komen.
Een buitenhaard metselen met een stalen inbouwhaard erin vraagt vooral ruimte. Staal zet bij verhitting flink uit en duwt het metselwerk uit elkaar, met scheuren door de voegen en losse stenen als gevolg. Houd een spleet tussen haard en metselwerk, vul die met minerale wol of een isolerende korrel en metsel de haard nooit strak in. Vergroot de stookopening ook niet zomaar: bij een korte rookafvoer geeft een grotere opening minder trek en komt de rook de tuin in.
Een openhaard metselen binnen is een ander verhaal. Daar hangt het resultaat aan de trek van het rookkanaal, de afstand tot brandbaar materiaal en de aansluiting op de schoorsteen, en dat is werk waar je een erkende installateur bij wilt hebben.
| Onderdeel | Steen | Mortel | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| Voet en onderbouw van de bbq | Hardgebakken baksteen of betonsteen | Metselmortel zonder kalk | Staat het hele jaar buiten, dus vorstbestendig kiezen |
| Wanden rond de stookplaats | Vormbaksteen, hardgebakken | 1 cement : 4 zand, zonder kalk | Vormbaksteen verdraagt temperatuurwisseling beter |
| De stookvloer zelf | Losse stenen op een betontegel | Geen mortel | Losse stenen kunnen werken en zijn los te vervangen |
| Binnenzijde van een pizzaoven | Vuurvaste chamottesteen | Vuurvaste mortel | Alleen onder een dak, chamotte verdraagt geen vorst |
| Werkblad van de buitenkeuken | Beton van 6 cm met net op 25 mm | Niet van toepassing | Licht afschot en een zeeg bij grote overspanning |
| Ommetseling van een stalen haard | Gewone gevelsteen op afstand | Gewone metselmortel | Ruimte of minerale wol tussen staal en metselwerk |
| Rookkanaal of schoorsteen binnen | Volgens opgave van de haard | Volgens opgave van de haard | Werk voor een erkende installateur |
Stook nooit in een gemetselde constructie die tegen de gevel of onder een overkapping staat. Vonken en hete rook zoeken de kortste weg omhoog, en een rookkanaal dat niet trekt geeft koolmonoxide. Houd een vrije ruimte boven de stookplaats aan en werk binnenshuis alleen met een gekeurd, aangesloten kanaal.
Penant, pilaar en gemetselde bogen
Een penant metselen begint bij de poer eronder. Voor een penant van 55 bij 55 centimeter en een meter hoog stort je een poer van minstens zeventig bij zeventig centimeter, en liever een meter in het vierkant, met de onderkant op zestig centimeter diep. Hoe verder die poer uitsteekt, hoe meer grond er meedraagt en hoe minder hij zakt.
Wapening in de poer heeft alleen zin als er iets te spreiden valt. Een net van acht millimeter met een maaswijdte van 150 millimeter is ruim voldoende, gelegd op afstandhouders in plaats van op een paar losse stenen. Past het net niet precies in je bekisting, vlecht er dan met binddraad een paar losse staven bij in plaats van het net tot in de hoeken door te laten lopen.
De lagen boven de poer maak je als trasraam. Gebruik daar harde stenen van klasse IW1 of een trasmortel, tot minstens vijftien centimeter boven het maaiveld. Zo houd je optrekkend vocht en witte uitslag uit je metselwerk, en dat is bij lichte gele stenen goed te zien als je het overslaat.
Loopt er een kabel naar sokkelverlichting of een poortmotor, stort die dan niet dwars door de poer mee. Leg hem in een mantelbuis over of langs de fundering, zodat je hem ooit kunt vervangen zonder te breken. Moet er alsnog een leiding door bestaand beton of metselwerk, dan doe je dat met een sleuvenfrees voor beton en steen in plaats van met hamer en beitel.
Een pilaar metselen voor een poort krijgt een belasting die een gewone kolom niet heeft. Elke keer dat de poort opengaat trekt het bovenste scharnier aan de pilaar, en stenen met mortel alleen houden dat niet tegen. Metsel daarom een stalen buis of een gewapende betonkern mee in het hart, doorlopend vanuit de fundering, en bevestig de scharnieren daaraan.
Een kolom metselen zonder poort is eenvoudiger, maar het verband blijft belangrijk. Verdraai het patroon per laag zodat er nergens een stootvoeg over de volle hoogte doorloopt. Controleer bij elke laag met de waterpas op twee zijden, want een pilaar die een graad uit het lood staat zie je van tien meter afstand.
Een boog metselen doe je op een mal. Zaag de vorm uit multiplex, zet twee van die vormen op afstand met latjes ertussen en plaats het geheel op stelpalen met wiggen eronder, zodat je de mal straks kunt laten zakken zonder te wrikken. Voor een halfronde boog metselen is de straal simpelweg de helft van de opening.
Metsel vanaf beide zijden tegelijk omhoog en eindig in het midden met de sluitsteen. De voegen lopen wigvormig: smal aan de binnenkant van de boog en breder aan de buitenkant. Houd de smalle kant op minstens vijf millimeter, anders zit er te weinig mortel om kracht over te dragen. Laat de mal minstens een week staan en langer bij kou, en zak hem daarna in stappen met de wiggen zodat de boog geleidelijk belast wordt.
Een rondboog metselen en een toog metselen zijn familie van elkaar. Een toog is de vlakke of licht gebogen strek boven een raam of deur, en die draagt uit zichzelf maar een beperkte overspanning. Boven ongeveer een meter opening leg je er een stalen hoeklijn of latei onder, ook al blijft die uit het zicht.
Een ronde muur metselen zet je uit met een pen in het middelpunt en een touw op de straal. Korte stenen zijn hier je vriend: bij een kleine straal passen klinkers en waaltjes veel beter dan lange metselstenen, omdat de wigvormige voeg anders veel te breed wordt. Wil je een waterput metselen of een put metselen rond een pompschacht, werk dan in ringen, controleer elke laag met een draaiende maatlat vanuit het hart en metsel niet meer dan vier of vijf lagen per dag.
Waaltjes metselen en keien verwerken vragen geduld. Waaltjes zijn dun, dus je hebt bijna twintig lagen per meter en elke onnauwkeurigheid stapelt zich op. Wil je een muur van veldkeien metselen, houd er dan rekening mee dat ronde keien onderling geen verband maken: je vult veel meer met specie, je werkt in lagen van maximaal dertig centimeter per dag en je legt de keien zo dat ze elkaar toch raken.
Zet bij een pilaar of penant je metselprofiel op twee aangrenzende zijden en werk met een draadje langs beide hoeken. Vier hoeken die stuk voor stuk op het oog gesteld zijn lopen gegarandeerd uit elkaar, en aan de bovenkant zie je dat terug als een pilaar die licht getordeerd staat.
Metselen bij vorst en in de winter
Op vrijwel elke zak metselmortel staat dat je niet onder de vijf graden mag verwerken. Die grens gaat niet alleen over de lucht maar over de temperatuur van het werk zelf: de steen, het zand en de aangemaakte specie. Een muur in de schaduw van een noordgevel is 's ochtends een stuk kouder dan de thermometer aangeeft.
Goed om te snappen is dat specie niet droogt maar verhardt. Er vindt een chemische reactie plaats tussen cement en water, en die reactie heeft dat water juist nodig. Droogt de mortel te snel uit door zon of wind, dan stopt de reactie voortijdig en blijft het werk zwak, ook al voelt het hard aan.
Kou vertraagt die reactie sterk maar maakt hem niet stuk. Onder de vijf graden bindt de specie merkbaar langzamer en rond het vriespunt ligt het proces vrijwel stil. Zolang het werk niet daadwerkelijk bevriest, is dat voor het eindresultaat geen ramp.
Bevriezen is dat wel. Het water in verse specie zet uit als het bevriest en drukt de nog zwakke binding kapot, waarna de voeg zanderig blijft en er nooit meer sterkte in komt. Je ziet het pas in het voorjaar, wanneer je de voeg met je duim kunt uitkrabben.
De praktische vuistregel voor metselen met vorst in het vooruitzicht: ga door zolang het overdag boven de vijf graden blijft en er de eerste nacht na het metselen geen vorst komt. Na een dag of drie is de specie sterk genoeg om een lichte nachtvorst van een graad of twee te doorstaan. Metselen bij vorst overdag doe je niet, ook niet met een bouwlamp erbij.
Wat je wel kunt doen is de omstandigheden sturen. Begin later op de ochtend en stop ruim voor het donker, dek het verse werk af met dekens of folie tot over de muur heen en sla je stenen en je zand vorstvrij en droog op. Bevroren zand met ijsklontjes erin geeft nooit een goede mortel.
Verhardingsversneller bestaat, maar dat is geen antivries. Zo'n middel verkort de bindingstijd waardoor je werk eerder vorstbestendig is, maar het verlaagt het vriespunt niet. Strooi nooit zout door je specie: dat geeft blijvende uitslag op de gevel en tast wapening aan.
In de zomer speelt het omgekeerde. Bij dertig graden en wind trekt het water uit de mortel voordat hij gebonden heeft, met precies hetzelfde zwakke resultaat. Dek je werk dan af tegen de zon en houd de bovenste lagen de eerste dag licht vochtig.
| Weersituatie | Kun je metselen? | Wat je aanpast |
|---|---|---|
| Overdag boven 10 graden, geen nachtvorst | Ja, gewoon doorwerken | Niets, alleen bij zon je werk afdekken |
| Overdag 5 tot 10 graden, geen nachtvorst | Ja, met aandacht | Later beginnen, vroeg stoppen en het werk 's nachts afdekken |
| Overdag boven 5 graden, komende nacht lichte vorst | Alleen op werk van drie dagen oud | Verse lagen niet meer opzetten, alles afdekken met dekens |
| Overdag rond het vriespunt | Nee | Stoppen, mortel en stenen vorstvrij opslaan |
| Vorst in de grond | Nee | Niet op bevroren ondergrond storten of metselen |
| Boven 25 graden met wind | Ja, met aandacht | Stenen extra bevochtigen, werk afdekken tegen uitdrogen |
Metselwerk dat in de eerste dagen bevroren is, herstel je niet. Het lijkt na de dooi weer normaal, maar de binding is verbroken en de voeg blijft los zand. Breek die lagen weg en metsel opnieuw, want er komt geen sterkte meer bij.
Zo metsel je een tuinmuurtje van begin tot eind
Deze volgorde geldt voor een vrijstaand muurtje in de tuin en werkt met kleine aanpassingen ook voor een plantenbak, een penant of de muur van een schuur.
-
Zet de muur uit en graaf de sleuf
Span een draad op de plek van de muur en zet met piketten de hoeken uit. Meet bij een rechthoek de diagonalen na, want gelijke diagonalen betekent haaks. Graaf de sleuf tien centimeter breder dan het metselwerk aan beide zijden en tot op vaste grond, bij een muur van een meter tot zestig centimeter diep.
-
Stort de fundering en laat hem binden
Maak een bekisting of stort rechtstreeks tegen de grondkant, leg het wapeningsnet op afstandhouders en stort in één keer door. Por met een lat in het beton en tik tegen de bekisting, zodat de luchtbellen eruit gaan. Laat de strook minstens drie dagen liggen voor je erop gaat metselen, en een week bij koud weer.
-
Zet de profielen en span het draad
Zet aan beide uiteinden een metselprofiel loodrecht en waterpas vast, bij voorkeur op de uitstekende rand van je fundering. Schrijf de lagenmaat af op het profiel, bijvoorbeeld 62,5 millimeter voor waalformaat. Span daar je metseldraad tussen op de hoogte van de eerste laag, zodat je nooit meer hoeft te meten tijdens het werk.
-
Maak de stenen een dag van tevoren nat
Stapel de stenen buiten op en gooi er een paar emmers water overheen tot de stapel doorweekt is. Laat ze daarna een dag staan. Je wilt stenen die vanbinnen vochtig zijn en vanbuiten droog; sla er eventueel eentje doormidden om dat te controleren. Bij warm weer giet je 's avonds nog een keer.
-
Maak de specie aan en laat hem rijpen
Kies mortel met kalk bij zuigende baksteen en mortel zonder kalk bij beton, klinkers of blokken; wat waar hoort staat in ons overzicht over welke mortel bij welke steen past. Meng in porties tot alles homogeen is, laat de kuip tien minuten staan en meng dan nog kort door. Maak niet meer dan je in een uur verwerkt.
-
Leg de eerste laag waterpas in een dik bed
Breng een royaal speciebed aan van twee tot drie centimeter en leg de eerste steen op het draad. Klop hem met de troffelsteel op hoogte en controleer met de waterpas in twee richtingen. Deze laag corrigeert alle oneffenheden van je fundering, dus neem er de tijd voor: elke fout hier loopt door tot bovenaan.
-
Metsel op in verband en houd het tempo laag
Werk in halfsteens verband, begin elke laag bij de hoeken en vul daarna naar het midden toe. Smeer de kopse kant van elke steen vol voordat je hem aanschuift, zodat de stootvoeg dicht is. Verzet het draad per laag en stop na ongeveer een meter hoogte, want de onderste voegen zijn dan nog nat en gaan onder het gewicht lopen.
-
Voeg af, dek de muur af en laat hem uitharden
Strijk de voegen aan zodra ze duimdroog zijn, of krab ze vijftien millimeter uit om later apart te voegen. Verwijder de specieresten met een zachte borstel als ze net droog zijn en niet met water. Dek het werk af tegen zon, regen en nachtvorst en laat het minstens drie dagen met rust voor je de muur belast of afdekt met een rollaag.
Betoncalculator
Van kuub naar zakken, kruiwagens en emmers, met de mengverhouding erbij. Open de volledige betoncalculator
Voordat je de eerste steen legt
Uit de praktijk
Drie proefstukjes die maar niet wilden hechten
Iemand die voor het eerst ging metselen oefende met wat overgebleven bakstenen uit de tuin, voordat er een gat in een muur dicht moest. De eerste poging hechtte nergens: de stenen waren kurkdroog en zogen het water direct uit de specie. Een dag later waren ze met de hand van elkaar te tillen.
Bij de tweede poging werden de stenen vierentwintig uur van tevoren nat gemaakt en werd de specie aangemaakt volgens de verhouding op de zak. Dat ging veel beter: bij de proef na tien minuten bleef de bovenste steen hangen en een dag later zaten ze echt vast. Alleen voelde die mortel behoorlijk vloeibaar aan, en dat gaf onzekerheid.
De derde poging ging op gevoel, met flink minder water en een dikkere specie die meer leek op wat je in filmpjes ziet. Toen mislukte het weer: het breukvlak liet zien dat de mortel voor driekwart aan één steen bleef zitten in plaats van netjes in het midden te breken, en de steen bleef bij de tienminutenproef niet hangen. De oorzaak was dubbel. Op een warme dag is één keer natgooien niet genoeg, en te droge specie hecht net zo slecht als een te droge steen. Wat wel werkte was een steen die vanbinnen vochtig en vanbuiten droog was, met een specie die duidelijk smeuïger was dan wat de meeste mensen intuïtief aanmaken.
Betonblokken die dwars door de voeg zakten
Voor een muur van betonblokken werd eerst een proefstukje gemetseld. De specie was aangemaakt volgens de zak, vijfentwintig kilo mortel met kalk en 3,1 liter water, en zag er prima uit op de troffel. Zodra er een blok van twaalf kilo op kwam, zakte dat blok er doorheen en bleef er een flinterdunne voeg over.
De oorzaak zat in de kalk. Die maakt de mortel smeuïg en houdt het water vast, wat prettig is bij zuigende baksteen, maar een betonblok zuigt niet en drukt de specie gewoon opzij. Rustiger of langzamer mengen hielp niets, want de samenstelling was het probleem en niet de menging.
Met metselmortel zonder kalk en 2,7 liter water in plaats van 3,1 liter was het meteen opgelost. De specie bleef onder het blok staan, de voeg kwam uit op ruim een centimeter en het werk liep door zonder wegzakken. Tien minuten laten rijpen voor het verwerken maakte het verschil nog wat groter.
Een buitenhaard die na twee stookseizoenen scheurde
Een zelfgebouwde buitenhaard bestond uit een metalen inbouwhaard die rechtstreeks was ommetseld, met de stenen strak tegen het staal aan. Na twee seizoenen liepen er scheuren door de voegen en zaten er stenen los, waarna de haard uit veiligheidsoverwegingen is afgebroken.
De oorzaak was niet de mortel maar de uitzetting. Staal zet bij verhitting veel sterker uit dan metselwerk en duwt de stenen bij elke stookbeurt naar buiten, tot de voegen het begeven. Vuurvaste mortel had dat niet voorkomen, want het probleem zat in de beweging en niet in de hittebestendigheid.
Bij de herbouw is er ruimte gehouden tussen het staal en het metselwerk, opgevuld met minerale wol zodat de haard vrij kan werken. De stookopening is bewust niet groter gemaakt: bij de korte rookafvoer die zo'n haard heeft geeft een grotere opening minder trek, en dan komt de rook de tuin in in plaats van omhoog.
Plantenbakken van gelijmde betonklinkers
Een border werd gemaakt van een gratis partij betonklinkers van 200 bij 70 bij 60 millimeter, halfsteens verwerkt en gelijmd in plaats van gemetseld. De vraag vooraf was of dat stevig genoeg zou zijn bij een lengte van 3,5 meter, een halve meter hoog en helemaal vol met aarde.
De opzet die werkte: een rij tuintegels waterpas in een verdicht zandbed, de eerste laag klinkers in specie om die laag exact recht te krijgen, en alle volgende lagen met poederlijm voor buiten en een lijmkam. Poederlijm heeft een kleine laagdikte waarmee je nog kunt corrigeren. Wie helemaal geen voeg wil zien gebruikt pu-steenlijm, en dan loont het om de stenen eerst droog te passen en te sorteren, want ze rusten dan rechtstreeks op elkaar en elk hoogteverschil loopt door.
Bij de hogere bakken zijn tussen de lagen een paar ankers meegelijmd voor de zekerheid. Aan de binnenzijde kwam een isolatieplaat van twintig millimeter tegen het doorslaan van vocht en tegen de druk van bevroren grond. De buitenkant is daarna afgewerkt met stucmortel voor buiten en hoekprofielen op de hoeken. Voorstrijk bleek niet nodig, want betonsteen zuigt vrijwel geen vocht op.
Veelgemaakte fouten
Metselen met kurkdroge stenen
Een zuigende baksteen trekt het aanmaakwater binnen seconden uit de mortel, waarna er alleen zand overblijft dat nooit meer bindt. Het werk ziet er die middag prima uit en laat een dag later los. Maak zuigende stenen een dag van tevoren nat en laat de buitenkant weer opdrogen.
Mortel met kalk gebruiken onder zware betonblokken
Kalk maakt specie smeuïg, en dat is precies wat je niet wilt onder een blok van twaalf kilo. Het blok zakt door de voeg heen, de mortel puilt eruit en je houdt bijna geen laag over om op te dragen. Bij beton, klinkers en blokken neem je mortel zonder kalk en iets minder water.
De specie zo stijf maken als pindakaas
Veel beginners maken de mortel te droog, omdat dat netter oogt en minder knoeit. Zo'n specie vloeit niet in de oneffenheden van de steen en hecht daardoor maar op een deel van het vlak. Ga af op de troffelproef: de mortel moet blijven zitten bij kantelen en pas na een tik in één slof loslaten.
Een fundering die net zo breed is als de muur
Een strook beton die exact onder het metselwerk past spreidt de belasting niet en heeft dan ook nauwelijks baat bij wapening. De druk komt op dezelfde smalle baan grond terecht als zonder fundering. Maak de voet rondom tien centimeter groter, en onder een penant liever vijftien tot twintig.
Vuurvaste chamottestenen buiten toepassen
Chamottesteen wordt gekocht in de veronderstelling dat vuurvast ook sterk betekent. Het spul is poreus, zuigt water op en valt buiten na een paar vorstperiodes uit elkaar. Voor een bbq of vuurplaats in de tuin neem je hardgebakken steen of betonsteen, en chamotte bewaar je voor werk onder een dak.
Te snel te hoog opmetselen
Als het lekker loopt is de verleiding groot om in één dag door te werken tot manshoogte. De voegen onderin zijn dan nog nat en worden door het gewicht platgeperst, waardoor de muur gaat bollen en uit het lood loopt. Houd het op ongeveer een meter per dag en bij zware blokken op vijf lagen.
Doorwerken met nachtvorst in het vooruitzicht
Verse specie die bevriest is verloren: het water zet uit en drukt de nog zwakke binding kapot, waarna de voeg zanderig blijft. In het voorjaar krab je hem met je duim uit. Metsel alleen als het overdag boven de vijf graden blijft en er de eerste nacht daarna geen vorst komt.
Veelgestelde vragen
Hoeveel lagen metselen per dag kun je aanhouden?
Voor baksteen komt de praktische grens neer op ongeveer een meter tot anderhalve meter hoogte per dag, dus zestien tot vierentwintig lagen in waalformaat. Met zware betonblokken houd je het op vier of vijf lagen. De reden is niet je uithoudingsvermogen maar de specie: die is onderin na een paar uur nog nat en wordt door het gewicht van alles wat erop komt platgedrukt, waarna de muur gaat bollen en uit het lood loopt.
Hoeveel m2 metselen per dag is haalbaar?
Een ervaren metselaar met iemand die opperm haalt acht tot twaalf vierkante meter halfsteens werk per dag, en dat is inclusief het aanmaken en aandragen. Als doe-het-zelver reken je op twee tot vier vierkante meter, en op je eerste dag op minder. Dat lijkt weinig, maar de hoogtebeperking speelt ook mee: bij een lage tuinmuur ben je vooral bezig met uitzetten en de eerste laag, en die tijd verdien je daarna terug.
Moet je stenen nat maken voor metselen?
Bij zuigende stenen zoals gewone baksteen en waaltjes wel. Stapel ze een dag van tevoren op, gooi er een paar emmers water overheen tot de stapel doorweekt is en laat ze staan, zodat de buitenkant de volgende dag droog is en de kern nog vochtig. Betonstenen, betonblokken en betonklinkers zuigen nauwelijks, dus die verwerk je juist droog en stofvrij. Nat aan de buitenkant is altijd fout, want dan glijdt de steen weg op de specie.
Kun je betonblokken beter metselen of lijmen?
Dat hangt af van de maatvastheid van je blokken en van het uiterlijk dat je wilt. Lijmen met poederlijm of pu-steenlijm gaat sneller, geeft een naad van hooguit een paar millimeter en is prima voor een plantenbak of een muurtje tot ongeveer zestig centimeter dat je later gaat stucen. Metselen met specie kan met elke steen, laat corrigeren en is sterker bij hogere of grondkerende muren. In beide gevallen leg je de eerste laag in specie, want alleen zo krijg je hem waterpas.
Mag je metselen bij vorst?
Bij vorst overdag niet. De vuistregel is dat je doorgaat zolang het overdag boven de vijf graden blijft en er de eerste nacht na het metselen geen vorst valt. Specie droogt niet maar verhardt, en die reactie ligt rond het vriespunt vrijwel stil. Erger is dat het water in verse mortel bij bevriezing uitzet en de binding kapotdrukt. Na een dag of drie is het werk sterk genoeg om een lichte nachtvorst te doorstaan, mits je het afdekt.
Hoe lang moet beton drogen voor metselen?
Een gestorte fundering kun je na drie tot zeven dagen belasten met metselwerk, afhankelijk van de temperatuur. Bij tien graden of kouder wacht je liever een week, bij zomerse temperaturen zijn drie dagen genoeg voor een tuinmuurtje. Zijn volle sterkte bereikt beton pas na achtentwintig dagen, maar dat hoef je niet af te wachten voor het eigen gewicht van een muur. Wat je wel doet is het beton de eerste dagen vochtig houden, want ook hier geldt dat te snel uitdrogen sterkte kost.
Wat zijn de nadelen van een bbq metselen?
Het grootste nadeel is dat hij staat waar je hem hebt gebouwd en dat je hem niet meer verplaatst. Verder is een gemetselde bbq lastiger schoon te maken dan een losse, hij koelt langzaam af en de asafvoer moet je vooraf goed bedenken, anders schep je hem later met een blikje leeg. Reken ook op onderhoud: voegen die je met water blust scheuren, en een bak zonder afdekking zuigt regenwater op dat er in de winter uit vriest.
Kun je zelf een open haard metselen binnen?
Het metselwerk eromheen kun je zelf doen, de installatie niet. Bij een open haard metselen binnen bepalen de trek van het rookkanaal, de doorsnede en hoogte daarvan, de afstand tot brandbare materialen en de aansluiting op de schoorsteen of het resultaat veilig is. Een fout daarin geeft rook in huis of koolmonoxide, en dat merk je te laat. Laat kanaal en aansluiting door een erkende installateur maken en keuren, en metsel er daarna omheen met de vrije ruimte die de fabrikant voorschrijft.
Hoe metsel je een muur tegen een bestaande muur?
Je kiest tussen verankeren en loskoppelen. Verankeren doe je met roestvaste spouwankers om de twee lagen, geboord in de steen en niet in de voeg. Loskoppelen betekent een dilatatienaad van ongeveer een centimeter met een schuimband erin, afgewerkt met kit, zodat beide muren onafhankelijk kunnen zetten. Staat je nieuwe muur op een eigen fundering naast een woning die al lang gezet is, dan is die dilatatie meestal het veiligst. Draagt de nieuwe muur iets, dan hoort er een berekening bij, net als bij ander constructiewerk in de woning.
Kun je klinkers metselen of moeten die verlijmd worden?
Metselen met klinkers kan, maar niet met dezelfde specie als bij baksteen. Straatklinkers en betonklinkers nemen weinig tot geen vocht op, dus een smeuïge mortel met kalk blijft week en hecht slecht. Neem stugge mortel zonder kalk met wat minder water, of lijm ze met een steenlijm voor buiten. Betonklinkers metselen lukt zo prima voor een plantenbak of een laag muurtje; de eerste laag leg je altijd in specie om hem waterpas te krijgen.
Hoe metsel je op dpc folie zonder dat de eerste laag schuift?
Op folie hecht specie nu eenmaal slecht, dus je moet het mechanisch oplossen. Leg de dpc-folie in een verse laag specie op het trasraam, breng er direct een vol speciebed op aan en metsel vol en zat door, zodat de laag zichzelf vastzet. Belast die laag pas als de mortel gebonden heeft en zet er dus niet dezelfde dag nog een meter muur op. Laat de folie aan de buitenzijde een paar millimeter uitsteken en snijd hem na het voegen netjes af.
Wat heb ik nodig om een schuur te metselen?
Reken eerst de vierkante meters muurwerk uit: lengte maal hoogte van alle wanden, min de openingen. Voor een berging van vijfeneenhalve bij drie meter en 2,25 meter hoog kom je op ongeveer dertig vierkante meter. Halfsteens in waalformaat betekent ruim tweeduizend stenen en zestig tot negentig zakken mortel van vijfentwintig kilo, plus voegmortel als je apart voegt. Daarnaast heb je een vorstvrije fundering, een betonvloer, lateien boven de openingen en een dakconstructie nodig. Check bij je gemeente of je voor deze afmetingen een vergunning nodig hebt.
Wanneer je beter een vakman belt
Metselen leer je door het te doen, en een tuinmuurtje, een plantenbak of een bbq zijn precies de klussen waarop je dat kunt oefenen. Er zijn wel grenzen waar het geen kwestie van oefening meer is.
De eerste is alles wat draagt. Een muur die vloeren of het dak draagt, een doorbraak met een latei erboven, een borstwering langs een balkon: daar hoort een constructieberekening bij en vaak ook een vergunning. De maat van de balk, de oplegging en de tijdelijke ondersteuning tijdens het werk zijn geen inschattingen die je op gevoel maakt.
De tweede is de ondergrond. In veen, op een gedempte sloot of vlak naast een bestaande fundering die zich al gezet heeft, kan nieuw metselwerk ongelijk zakken en scheuren trekken tot in de gevel van je woning. Laat daar iemand meekijken die de plaatselijke grondslag kent, want palen van tien meter zet je niet zelf.
De derde is vuur binnenshuis. Het rookkanaal, de trek en de afstand tot brandbaar materiaal bepalen of een haard veilig is, en een fout daarin geeft koolmonoxide of brand. Laat het kanaal en de aansluiting door een erkende installateur maken en controleren voordat je eromheen metselt.
Hoogte is een grens op zichzelf. Metsel je boven ongeveer twee meter, gebruik dan een deugdelijke rolsteiger met leuning en geen ladder, want je hebt beide handen nodig en je sjouwt met emmers specie. Gaat het om een gevel over meerdere verdiepingen, dan is dat werk voor een metselaar met een goedgekeurde steiger.
Sloop je oud metselwerk of een oude schuur, houd dan rekening met asbest in golfplaten, in dakbeschot of rond een schoorsteen. Asbest verwijder je niet zelf: laat het inventariseren en door een gecertificeerd bedrijf weghalen voordat je met de rest verdergaat.