Groepenkast uitbreiden als er geen ruimte meer is
Een groepenkast kan op drie manieren vol zitten: geen vrije modules op de rail, geen vrije klem meer in de aansluitblokken, of al vier groepen achter elke aardlekschakelaar. Welke van die drie het is, bepaalt of je genoeg hebt aan een verdeelblok en een kamrail of dat er een tweede kast naast moet. Meer vermogen is een apart verhaal: dat vraagt een zwaardere aansluiting en die regelt je netbeheerder. Werken doe je spanningsloos, en boven de hoofdschakelaar blijft er spanning staan zolang de hoofdzekering erin zit.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Set VDE-geïsoleerde schroevendraaiers, plat en kruis
- Tweepolige spanningszoeker die je op een bekende spanning kunt testen
- Multimeter en bij voorkeur een isolatiemeter
- Striptang en een tang voor adereindhulzen
- Momentschroevendraaier voor de klemmen van de zware toestellen
- IJzerzaagje of kamrailschaar om de kamrail af te korten
- Trekveer en trekgel voor de bekabeling
- Boormachine met steenboor en waterpas voor de bijkast
- Labelprinter of watervaste stift voor de groepenverklaring
Materiaal
- Installatieautomaat in de doorsnede die bij de groep hoort
- Aardlekschakelaar 30 mA type A, twee- of vierpolig
- Los stuk DIN-rail met eindsteunen
- Verdeelblok of etageklemmen voor extra fase- en nulklemmen
- Kamrail van dezelfde serie als de automaten, met eindkapjes
- Adereindhulzen en installatiedraad in de juiste kleuren
- Mantelkabel voor de voeding naar een bijkast
- Wartels, blindplaatjes en een extra aardrail
Kijk eerst waar de kast precies vol zit
Een groepenkast die vol lijkt, zit meestal maar op één van drie punten vast. Er is geen vrije breedte meer op de DIN-rail, de fase- en nulblokken hebben geen vrije klem meer, of achter elke aardlekschakelaar hangen al vier eindgroepen. Welke van die drie het is, bepaalt het hele plan, dus tel dat uit voordat je materiaal koopt.
Wat er verder allemaal in de kast hoort en hoe de installatie is opgebouwd, staat in ons overzicht over de meterkast en de groepen. De rail zelf meet je in modules van 17,5 millimeter breed. Een Nederlandse groepenkast heeft doorgaans rijen van twaalf of achttien modules, en er moet boven en onder de rail ruimte overblijven om de aders netjes langs te leggen.
Tel daarna op wat je er echt bij wilt zetten. Een gewone stopcontactgroep kost één module, een krachtgroep met vier polen kost er vier, en een derde aardlekschakelaar nog eens twee tot vier. Komt het net niet uit, dan is een hele rij bijplaatsen vaak eenvoudiger dan alles opschuiven.
Hoeveel groepen je huis eigenlijk nodig heeft en hoeveel vermogen je per groep kwijt kunt, reken je door met onze rekenhulp voor het aantal groepen. Dat voorkomt dat je één groep bijzet terwijl er drie nodig waren.
| Onderdeel | Breedte in modules | Waar je op let |
|---|---|---|
| Hoofdschakelaar tweepolig | 2 | Bij een aansluiting op één fase, meestal 40 of 63 A |
| Hoofdschakelaar vierpolig | 4 | Bij drie fasen, schakelt de drie fasen en de nul tegelijk |
| Aardlekschakelaar tweepolig 30 mA | 2 | Maximaal vier eindgroepen erachter |
| Aardlekschakelaar vierpolig 30 mA | 4 | Voor groepen die over drie fasen verdeeld zijn |
| Installatieautomaat eenpolig | 1 | De nul loopt via de nulklem en wordt niet geschakeld |
| Installatieautomaat tweepolig | 2 | Fase en nul allebei geschakeld, gebruikelijk in oudere kasten |
| Aardlekautomaat voor één groep | 1 tot 2 | Per serie verschillend, de smalle uitvoering is één module |
| Krachtgroep vierpolig | 4 | Drie fasen plus nul, voor kookplaat, laadpaal of machine |
| Verdeelblok op DIN-rail | 2 tot 4 | Levert nieuwe fase- en nulklemmen op |
| Overspanningsbeveiliging | 2 tot 4 | Vraagt korte aders, dus reserveer plek dicht bij de hoofdschakelaar |
Maak voordat je iets losdraait een scherpe foto van de hele kast en een tweede van de klemmen van dichtbij. Bij het terugbouwen weet je dan precies welke ader waar zat, ook als je er twee dagen later pas mee verder gaat.
Aansluitblokken vol terwijl er nog rail over is
Dit komen we vaak tegen: op de rail is nog plek, maar de fase- en nulblokken zitten helemaal vol. Drie blokken van vier voor de fasen en één van vier voor de nul is precies genoeg voor twee aardlekschakelaars, een paar automaten en een hoofdschakelaar, en daarna is het op. Blokken die je aan elkaar klikt bestaan niet, dus je maakt zelf extra klemmen.
De nette manier is een verdeelblok op een eigen stukje DIN-rail. Je voedt dat blok met één ader van voldoende doorsnede vanaf het bestaande blok of rechtstreeks vanaf de hoofdschakelaar, en daarna heb je weer vier tot twaalf klemmen per pool. Een rij etageklemmen doet hetzelfde en is smaller, maar kost meer tijd om aan te sluiten.
Voor de voeding van de automaten onderling is een kamrail handiger dan losse draadjes. Die klik je over de bovenklemmen van een rij automaten, waarna één ader vanuit de aardlekschakelaar de hele rij voedt. Kort de rail af op het aantal automaten en dek de tanden af die je niet gebruikt, want die staan onder spanning.
Twee aders in een klem duwen die voor één ader is bedoeld is geen oplossing. De contactdruk wordt slecht, de klem loopt warm en dat is precies hoe bruinverkleurde klemmen ontstaan. Zit ook de aardrail vol, dan geldt hetzelfde: plaats een extra aardrail bij en zorg dat de aardedraad netjes doorverbonden is met de hoofdaardklem.
Op verdeelblokken en zware klemmen staat het aanhaalmoment op het toestel gedrukt, vaak tussen 2 en 3,5 Nm. Met een momentschroevendraaier haal je dat in één keer goed. Te los wordt warm, te vast beschadigt de ader.
Uitbreiden met een extra kast ernaast
Is de kast echt vol, dan is de groepenkast uitbreiden met een extra kast ernaast meestal sneller en goedkoper dan alles vervangen. Je hangt een kleine wandkast naast of onder de bestaande, trekt er één voedingskabel naartoe en verdeelt daarin de nieuwe groepen. De bestaande installatie blijft ongemoeid.
De voeding is het punt waar het misgaat. Een bijkast met vier groepen achter een automaat van 16 A betekent dat die vier groepen samen nooit meer dan 16 A mogen trekken, want de voedingsautomaat valt dan als eerste. Wij takken daarom liever af op de hoofdschakelaar of het verdeelblok met een kabel die de volle aansluitwaarde aankan, en zetten in de bijkast een lastscheider zodat je die apart spanningsloos kunt maken.
De aarde hoort in datzelfde plan. De bijkast krijgt een eigen aardrail die je doorverbindt met de hoofdaardklem, met een ader van minimaal dezelfde doorsnede als de fasen in de voedingskabel. Een kast in een schuur of garage sluit je aan op diezelfde aarde en niet op een losse elektrode; wanneer een aardpen slaan wel aan de orde is, hangt af van het type aansluiting dat je hebt.
Meet ook de ruimte na. Een standaard meterkast is krap, en een kast die vijf centimeter te ver naar voren komt zorgt dat de deur van de meterkast niet meer sluit. Reken de aders mee die voor de toestellen langs lopen, niet alleen de diepte van de kast zelf.
| Situatie | Voeding naar de bijkast | Beveiliging ervoor | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| Paar extra groepen in dezelfde meterkast, één fase | 3 x 6 mm² | Lastscheider of automaat 40 A | Zo kort mogelijk aftakken op de hoofdschakelaar |
| Bijkast met drie fasen in dezelfde meterkast | 5 x 6 mm² | Vierpolige lastscheider | Fasen in dezelfde volgorde doorverbinden, L1 blijft L1 |
| Onderverdeler op zolder of in de garage | 5 x 6 of 5 x 10 mm² | Automaat in de hoofdkast, een stap onder de hoofdzekering | Lengte meetellen, bij lange kabels speelt spanningsverlies |
| Kleine bijkast voor één zware groep | 3 x 2,5 mm² | Automaat 16 A | Alleen als die ene groep ook echt niet meer dan 16 A trekt |
| Kast in een vrijstaande schuur | 5 x 6 mm² grondkabel | Vierpolig, eigen aardlekschakelaar in de schuurkast | Aarde meenemen vanuit de woning, kabel op diepte en in zand |
| Alleen extra klemmen nodig, geen extra rij | 1 ader per pool vanaf het bestaande blok | Geen, blijft achter dezelfde beveiliging | Doorsnede minimaal gelijk aan de zwaarste aftakking erachter |
Wat er per merk anders is
De handeling is bij elk merk hetzelfde: toestel op de rail klikken, voeden, aansluiten en testen. Wat verschilt is de klemconstructie, de kamrail en de vraag of er nog onderdelen voor te krijgen zijn. Dat laatste bepaalt vaker dan je denkt of uitbreiden nog zin heeft.
Bij alles wat nu in de handel is, zijn de toestellen onderling uitwisselbaar op de rail, want de DIN-rail is genormeerd. Een automaat van het ene merk klikt dus gewoon in een kast van het andere merk. De kamrail is dat niet: de steek en de vorm van de klemopeningen verschillen per fabrikant en soms per serie, dus die koop je bij hetzelfde merk als de automaten.
Oudere kasten zijn een ander verhaal. Een kast uit de jaren tachtig met keramische smeltpatronen heeft geen aardlekschakelaar en vaak geen bruikbare rail, en nieuwe onderdelen zijn er meestal niet meer voor. Uitbreiden lukt dan hooguit door er een moderne kast naast te hangen, en in de praktijk is de hele kast vervangen dan verstandiger dan blijven lappen.
Neem bij twijfel een bestaand toestel mee naar de groothandel of fotografeer het typeplaatje. De serieaanduiding staat op de zijkant van de automaat, en met die aanduiding vind je de bijpassende kamrail, klemmen en afdekplaatjes in één keer.
| Merk of type kast | Zo breid je uit | Waar je tegenaan loopt |
|---|---|---|
| Hager | Extra rij in de kast, kamrail per fase op maat afkorten, of een aanbouwkast ernaast | De kamrail past alleen binnen dezelfde serie, dus noteer de serieaanduiding |
| ABB | Rij bijplaatsen in de bestaande kast of een tweede kast koppelen | De bouwhoogte ligt vast, dus een dikkere bijkast steekt uit voorbij de kastdeur |
| Attema | Uitbreidingskast van dezelfde serie ernaast, doorverbinden via een wartel of doorvoer | Let op de plaats van de invoeropeningen, die zitten niet altijd waar je ze wilt |
| Holec | Nieuwe onderdelen zijn er praktisch niet meer, dus een moderne kast ernaast of vervangen | Geen aardlekbeveiliging aanwezig, dus de nieuwe groep krijgt die in de bijkast |
| Schneider, Eaton en Legrand | Zelfde aanpak als Hager en ABB, toestellen zijn los verkrijgbaar | Aardlekautomaten verschillen in breedte per serie, meet voor je koopt |
| Kast zonder merkaanduiding | Losse DIN-rail met een verdeelblok bijplaatsen, toestellen naar keuze | Geen passende kamrail, dus alles met losse aders en aderendhulzen doorverbinden |
Van één fase naar drie fasen
Meer groepen betekent niet meer vermogen. Bij een aansluiting van 1 x 25 A heb je ongeveer 5750 watt beschikbaar, en dat verandert niet doordat je er groepen bij zet. Vliegt de hoofdzekering eruit terwijl de groepen het houden, dan is de aansluiting te licht en niet de kast, en dan gaat het gesprek over de groepenkast uitbreiden naar 3 fase.
Verzwaren naar 3 x 25 A vraag je aan bij je netbeheerder, niet bij een installateur. De netbeheerder wisselt de hoofdzekering en zo nodig de aansluitkabel en de meter, en wat er daarna in de groepenkast gebeurt is jouw kant van de streep. Reken op een traject van weken tot maanden en op een tarief dat flink oploopt zodra er gegraven moet worden.
Aan de kastkant betekent drie fasen bijna altijd een nieuwe kast. Je hebt een vierpolige hoofdschakelaar nodig, drie fasenblokken in plaats van één, en aardlekschakelaars die je per fase of vierpolig indeelt. Hoeveel vermogen je per fase kwijt kunt en hoe je dat over de groepen verdeelt, reken je door met de groepencalculator.
Verdeel de groepen daarna op basis van wat tegelijk aanstaat en niet op aantal. Drie fasen waarbij de kookplaat, de wasdroger en de laadpaal allemaal aan L1 hangen, schakelt net zo vaak uit als een aansluiting op één fase. Meet na een paar weken de stroom per fase en verhang zo nodig een groep.
| Aansluiting | Beschikbaar vermogen | Waar het meestal op stukloopt |
|---|---|---|
| 1 x 25 A | Ongeveer 5750 watt | Inductie, waterkoker en wasdroger die toevallig gelijk aanslaan |
| 1 x 35 A | Ongeveer 8050 watt | Niet elke netbeheerder biedt deze stap nog aan |
| 1 x 40 A | Ongeveer 9200 watt | Vaak het maximum op één fase, daarna moet je naar drie fasen |
| 3 x 25 A | Ongeveer 17250 watt, mits netjes verdeeld | Onbalans: alle zware verbruikers aan dezelfde fase |
| 3 x 35 A | Ongeveer 24150 watt | Meterkast en aansluitkabel moeten het ook aankunnen |
| 3 x 50 A en zwaarder | Vanaf ongeveer 34500 watt | Grootverbruik, andere tarieven en vaak een aparte meteropstelling |
Wacht met de kast tot de datum van de netbeheerder vaststaat. Een vierpolige kast op een aansluiting met één fase werkt wel, maar je hebt dan twee fasenblokken die nergens op aangesloten zijn en een hoofdschakelaar die maar één pool schakelt. Plan de ombouw van de kast op of vlak voor de dag dat de aansluiting verzwaard wordt.
Een krachtgroep of een fornuisgroep voor de kookplaat
De vraag die bij het uitbreiden het vaakst terugkomt, gaat over de kookgroep, en daar krijg je van drie installateurs vier antwoorden op. Het is gewoon een rekensom. Een fornuisgroep in Nederlandse uitvoering heeft twee fasen en twee nullen, per fase gezekerd op 16 A, en levert dus 2 x 230 x 16 en daarmee ongeveer 7360 watt.
Een krachtgroep met drie fasen en een nul, ook 16 A per fase, komt uit op 3 x 230 x 16 en dus ongeveer 11040 watt. Staat er op het typeplaatje van je inductieplaat 7620 watt, dan past die niet op een fornuisgroep en wel op een krachtgroep. De redenering dat 7620 dicht genoeg bij 7360 ligt gaat niet op: de automaat kijkt naar de stroom per fase, en die zit er dan overheen zodra je alle zones vol opendraait.
Veel inductieplaten laten zich op één, twee of drie fasen aansluiten door bruggen in de aansluitdoos te verleggen volgens het schema in de handleiding. Kies je drie fasen, dan hangt de plaat achter een vierpolige aardlekautomaat, of achter een vierpolige aardlekschakelaar met een driepolige automaat erachter. Wat een aansluiting op twee fasen precies inhoudt en wanneer die volstaat, staat bij de 2-fase aansluiting.
Kies het type aardlekbeveiliging bewust. Inductie en frequentiegestuurde apparaten geven gelijkstroomcomponenten in de lekstroom, en een aardlekschakelaar van het oude type AC herkent die niet betrouwbaar. Voor een kookgroep is type A de ondergrens.
Aardlekschakelaars en de verdeling van de groepen
Achter één aardlekschakelaar van 30 mA horen maximaal vier eindgroepen. Dat is de indeling die NEN 1010 aanhoudt en daarom heeft een kast met acht groepen twee aardlekschakelaars. Ga je van acht naar tien groepen, dan komt er dus ook een derde aardlekschakelaar bij, en die vraagt zelf ook weer twee tot vier modules op de rail.
Verdeel de groepen zo dat één uitschakeling niet het halve huis meeneemt. De koelkast en de vriezer horen niet achter dezelfde aardlekschakelaar als de wasmachine en de vaatwasser, want een lekkend verwarmingselement in de wasmachine laat dan ook je diepvries ontdooien terwijl je weg bent. Verlichting en stopcontacten van dezelfde ruimte splitsen helpt om bij een uitschakeling nog iets te kunnen zien.
Een aardlekautomaat combineert beide functies in één toestel en geeft elke groep zijn eigen aardlekbeveiliging. Dat kost per groep meer, maar het uitzoeken van een aardlekschakelaar die door lekstroom uitvalt wordt er veel eenvoudiger van, want het probleem zit dan altijd in die ene groep.
Meet voordat je uitbreidt de isolatieweerstand van de groepen die je achter een nieuwe aardlekschakelaar wilt hangen. Oude installaties hebben per groep vaak een kleine lekstroom, en vier van die groepen bij elkaar tellen op tot een aardlekschakelaar die zonder duidelijke aanleiding uitschakelt.
De bekabeling naar de nieuwe groep
Een nieuwe groep is pas een groep als er ook een kabel ligt. In een bestaande woning is dat vaker het echte werk dan de kast zelf, want de buizen zitten in de muur en zijn zelden leeg. Zit er een lege buis, dan heb je geluk; anders trek je bij, hak je in of leg je op.
Een extra ader door een buis waar al twee aders in zitten is haalbaar, mits er niet te veel bochten in zitten en je een goede trekveer gebruikt. Trekgel of een beetje zeep scheelt veel kracht. Loopt het vast in een bocht, trek dan alle aders er samen uit en gelijktijdig weer in, want los bijtrekken lukt bijna nooit.
Voor een stopcontactgroep van 16 A is 2,5 mm² de gebruikelijke doorsnede, voor verlichting volstaat 1,5 mm². Bij langere lengtes en zwaardere groepen loopt de doorsnede op omdat spanningsverlies gaat meespelen. Welke kabel in welke situatie hoort en wat het verschil is tussen de mantelsoorten, zoek je op met de draad- en kabelkiezer.
Neem de aarde altijd mee in dezelfde buis. Oudere installaties hebben op slaapkamers vaak alleen fase en nul, en de nieuwe groep is het moment om die aarde erbij te trekken. Sta je toch te hakken, houd dan meteen de standaardhoogtes voor stopcontacten en schakelaars aan, zodat de nieuwe punten in lijn liggen met de rest.
| Groep | Doorsnede | Automaat | Opmerking |
|---|---|---|---|
| Verlichting | 1,5 mm² | 10 of 16 A | Maximaal aantal punten in de gaten houden, niet het hele huis op één groep |
| Stopcontacten algemeen | 2,5 mm² | 16 A | Standaardgroep, aardlek van 30 mA verplicht |
| Wasmachine of vaatwasser | 2,5 mm² | 16 A | Eigen groep, deze apparaten geven de meeste valse uitschakelingen |
| Fornuisgroep, twee fasen | 2,5 mm² per fase | 2 x 16 A | Ongeveer 7360 watt, perilex met twee fasen en twee nullen |
| Krachtgroep, drie fasen | 2,5 mm² per fase | 3 x 16 A | Ongeveer 11040 watt, vierpolige beveiliging |
| Laadpunt voor de auto | Vanaf 2,5 mm², bij lengte zwaarder | 16 tot 32 A | Aardlekbeveiliging geschikt voor gelijkstroomcomponenten |
| Voeding naar een bijkast | 6 tot 10 mm² | Naar de zwaarte van de aftakking | Aarde in dezelfde doorsnede als de fasen meenemen |
| Groep naar een vrijstaande schuur | 5 x 6 mm² grondkabel | Vierpolig | Op diepte in zand, met waarschuwingslint erboven |
Spanningsloos werken in de meterkast
Werk in de groepenkast doe je spanningsloos, en dat is minder vanzelfsprekend dan het klinkt. Zet je de hoofdschakelaar uit, dan is alles onder die schakelaar dood, maar op de klemmen erboven staat gewoon spanning zolang de hoofdzekering in de meterkast zit. Dat zijn precies de klemmen waar je bij een uitbreiding aan moet.
De hoofdzekering en de kabel daarnaartoe zijn eigendom van de netbeheerder en zijn verzegeld. Die zegel verbreek je niet en die zekering trek je er niet uit. Moet er echt aan de aanvoerzijde gewerkt worden, dan schakelt de netbeheerder de aansluiting af of doet een installateur het onder eigen verantwoordelijkheid.
Meet altijd na en vertrouw niet op een schakelaarstand. Test je tweepolige spanningszoeker eerst op een bekende spanning, meet dan op je werkplek en controleer daarna nog eens op die bekende spanning. Een contactloze pen die niet piept bewijst niets, want die reageert ook niet op een lege batterij.
Wie voor het eerst aan de installatie werkt, kan beter beginnen bij het gewone elektrawerk in en om het huis dan in de meterkast. Een tweede voedingsbron erbij zetten gaat nog een stap verder: het aansluiten van een aggregaat op de meterkast vraagt een omschakelaar die terugvoeden naar het net onmogelijk maakt.
Een schakelaar onder de kast maakt niet de hele kast spanningsloos. Dat is de hoofdschakelaar, en die schakelt alleen wat erachter zit. De aanvoer vanaf de kilowattuurmeter blijft onder spanning staan. Ga er dus nooit vanuit dat de kast dood is omdat de lampen uit zijn: meet elke klem waar je aan werkt afzonderlijk.
Zo zet je een groep bij in een volle kast
Deze volgorde werkt voor een extra groep in de bestaande kast en, met de bijkast erbij, ook voor een uitbreiding ernaast.
-
Tel de vrije modules, klemmen en groepen per aardlek
Meet de vrije ruimte op de rail in modules van 17,5 millimeter, tel de vrije klemmen in de fase- en nulblokken en tel hoeveel groepen er achter elke aardlekschakelaar hangen. Pas als je alle drie weet, weet je of je een verdeelblok, een rij of een hele bijkast nodig hebt.
-
Controleer of de aansluitwaarde het aankan
Kijk op de hoofdzekering of op je jaarnota welke aansluiting je hebt. Bij 1 x 25 A is er ongeveer 5750 watt beschikbaar en dat is met inductie, een wasdroger en een laadpunt snel op. Blijkt dat te krap, vraag dan eerst de verzwaring aan, want die bepaalt hoe de kast eruit moet gaan zien.
-
Koop het materiaal bij de serie die je al hebt
Noteer merk en serie van een bestaande automaat en koop de kamrail, klemmen en afdekplaatjes daarbij. Toestellen zijn onderling uitwisselbaar op de DIN-rail, de kamrail niet. Koop meteen adereindhulzen en installatiedraad in de juiste kleuren, zodat je niet halverwege stilvalt.
-
Schakel af en meet dat het spanningsloos is
Zet de hoofdschakelaar uit en meet daarna elke klem waar je aan gaat werken. De klemmen boven de hoofdschakelaar blijven onder spanning zolang de hoofdzekering erin zit, en die zekering is verzegeld en van de netbeheerder. Moet je daaraan werken, dan stopt het hier en bel je de netbeheerder of een installateur.
-
Plaats de rail, het verdeelblok en de toestellen
Klik de nieuwe DIN-rail op zijn plaats met eindsteunen aan beide kanten, zet daarop het verdeelblok en daarna de toestellen in de volgorde die je op papier hebt gezet. Hoofdschakelaar links, dan de aardlekschakelaars, daarachter de bijbehorende automaten. Laat de blindplaatjes zitten op de plekken die je nog niet gebruikt.
-
Voed de nieuwe groep en haal de klemmen op moment aan
Kort de kamrail af, dek de vrije tanden af en voed de rij vanaf de aardlekschakelaar. Werk met adereindhulzen op soepele aders en haal elke klem aan op het moment dat op het toestel staat. Controleer daarna elke ader door er stevig aan te trekken.
-
Trek de kabel naar het nieuwe punt
Gebruik een trekveer en trekgel, en trek bij een volle buis alle aders er samen uit en gelijktijdig weer in. Neem de aarde altijd mee, ook als de bestaande groep die niet had. Welke doorsnede bij welke groeplengte hoort, zie je in de draad- en kabelkiezer.
-
Test, meet en werk de groepenverklaring bij
Schakel in, druk op de testknop van elke aardlekschakelaar en controleer of de juiste groep uitvalt. Meet de spanning en de aardverbinding op het nieuwe punt. Schrijf daarna de nieuwe groep bij op de groepenverklaring in de kast, met de ruimte die hij voedt en de datum.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je de kast weer dichtdoet
Uit de praktijk
Aansluitblokken vol, rail nog half leeg
Een kast met drie blokken van vier voor de fasen en één blok van vier voor de nul zat helemaal vol: twee vierpolige aardlekschakelaars, drie tweepolige automaten en een vierpolige hoofdschakelaar hadden elke klem bezet. Er moest nog een automaat bij en later ook een vierpolige krachtgroep voor de kookplaat. Op de rail was ruimte zat, maar er was geen enkele klem meer vrij om die toestellen te voeden.
Er bestaan geen blokken die je aan elkaar klikt, en dat is precies waar het zoeken op vastliep. Wat hier werkte: een los stuk DIN-rail tussen de bestaande rijen, met daarop een vierpolig verdeelblok. Dat blok werd per pool gevoed met één ader van 10 mm² rechtstreeks vanaf de hoofdschakelaar, en leverde daarmee weer twaalf nieuwe klemmen op. De krachtgroep kon er een half jaar later zonder verder gedoe bij.
Vier installateurs, vier antwoorden over de kookgroep
Bij een verbouwing kwam er een inductieplaat met geïntegreerde afzuiging van 7620 watt. De aansluiting ging van 1 x 25 A naar 3 x 25 A en de kast moest dus toch om. De vraag was alleen of de plaat op een fornuisgroep met twee fasen kon of op een krachtgroep met drie.
De adviezen liepen alle kanten op. Iemand rekende voor dat een fornuisgroep 7360 watt geeft en dat 7620 daar dus bij past, wat niet klopt omdat de beveiliging per fase kijkt. Een ander zei dat een krachtgroep te precies aangesloten moet worden en daarom af te raden is, terwijl een verkeerd aangesloten fornuisgroep net zo goed misgaat. Het is uiteindelijk een krachtgroep geworden met een vierpolige aardlekautomaat, en de bruggen in de aansluitdoos van de plaat zijn gelegd volgens het schema voor drie fasen uit de handleiding.
Alle zwaarte aan één fase na het verzwaren
Na een verzwaring naar drie fasen werd de kast in eigen beheer opnieuw ingedeeld. De schakelaar onder de kast haalde de spanning eraf en dat was gemeten, dus het werken zelf ging goed. Wat mis ging zat in de indeling: de keuken, de wasmachine en de droger hingen allemaal aan L1, terwijl L2 en L3 vooral verlichting en slaapkamers voedden.
Het gevolg was dat er nog steeds groepen uitvielen op maandagochtend, met een aansluiting die op papier drie keer zoveel aankon. De oplossing was niet meer materiaal maar herverdelen: eerst een tang-ampèremeter om de belasting per fase te meten op een normale dag, daarna twee zware groepen verhangen naar L2 en L3. Let op de klemmen boven die schakelaar, want daar bleef ook toen gewoon spanning op staan.
Een extra groep voor de werkkamer achter de meterkast
Een werkkamer die intensief gebruikt werd, hing aan dezelfde groep als de rest van de begane grond. Die kamer lag direct achter de meterkast, dus de kabelweg was kort en een eigen groep bijzetten lag voor de hand. Het probleem zat in de aarde: in de bestaande buis lagen al twee aders en de oude stopcontacten daar hadden geen aardcontact.
Een derde ader los bijtrekken door een buis met bochten lukte niet. Wat wel werkte was alle aders er samen uittrekken en gelijktijdig met de nieuwe aardedraad weer inbrengen, met trekgel op de bundel. In hetzelfde werk zijn de lege buizen die er bij een eerdere verbouwing al in gelegd waren gebruikt voor de zwaardere punten, zodat er later niet opnieuw gehakt hoefde te worden.
Veelgemaakte fouten
Groepen bijzetten terwijl de aansluitwaarde het probleem is
Als de hoofdzekering eruit vliegt en de groepen blijven staan, is er te weinig vermogen en niet te weinig ruimte. Een extra groep verandert daar niets aan, want alles trekt uit dezelfde 25 A. Zoek eerst uit of het om de aansluiting gaat en vraag dan de verzwaring aan bij de netbeheerder.
Twee aders in een klem duwen die voor één ader is bedoeld
Het lijkt te passen, dus het gebeurt vaak als de blokken vol zitten. De contactdruk wordt slecht, de klem loopt warm en na een jaar zie je de bruine verkleuring op de klem en de isolatie. Zet er liever een verdeelblok bij op een los stukje rail.
Meer dan vier eindgroepen achter één aardlekschakelaar
Bij het bijzetten van groepen is de aardlekschakelaar het onderdeel dat mensen vergeten mee te tellen. Boven de vier groepen wordt de kans op een uitschakeling die het halve huis meeneemt te groot, en de opgetelde lekstromen van oude groepen doen de rest. Reken een derde aardlekschakelaar gewoon mee in de modules.
Een bijkast voeden vanaf een automaat van 16 A
Vier nieuwe groepen achter een voedingsautomaat van 16 A betekent dat die vier samen niet meer dan 16 A mogen trekken. Er is geen selectiviteit, dus bij overbelasting valt de voedingsautomaat en niet de groep waar het probleem zit. Voed een bijkast met een kabel en een beveiliging die bij de hele kast passen.
Een kamrail van een ander merk erin passen
De DIN-rail is genormeerd, de kamrail niet. Tanden die net niet in de klemopening vallen of een steek die een millimeter afwijkt geven een half contact, en dat is de warmste plek in de kast. Koop de kamrail bij hetzelfde merk en dezelfde serie als de automaten.
De fasen door elkaar doorverbinden naar de bijkast
Bij drie fasen moet L1 in de bijkast ook echt op L1 van de hoofdkast zitten, en hetzelfde geldt voor de nul op de nulklem. Een apparaat kan bij een verwisseling ogenschijnlijk gewoon werken, maar je meetgegevens per fase kloppen niet meer en een driefasenmotor draait de verkeerde kant op. Houd de kleurvolgorde aan en controleer met de meter.
Aannemen dat de kast dood is omdat de hoofdschakelaar uit staat
De hoofdschakelaar schakelt alleen wat erachter zit. Op de klemmen aan de aanvoerzijde staat spanning zolang de verzegelde hoofdzekering erin zit, en dat zijn precies de klemmen waar je voor een uitbreiding aan moet. Meet elke klem apart met een tweepolige spanningszoeker die je voor en na de meting test.
De groepenverklaring niet bijwerken
Een groep die nergens staat opgeschreven, kost bij het volgende probleem een halve avond zoeken. En de volgende die de kast opent kan jij zelf zijn, drie jaar later. Schrijf de nieuwe groep bij met de ruimte die hij voedt en zet de datum erbij.
Veelgestelde vragen
Mag ik zelf mijn groepenkast uitbreiden?
Werk in je eigen woning aan de installatie achter de kilowattuurmeter mag je zelf doen, mits het resultaat voldoet aan NEN 1010. De grens ligt bij de verzegelde hoofdzekering en de aansluitkabel: die zijn eigendom van de netbeheerder en daar blijf je vanaf. Verhuur je de woning of gaat het om een bedrijfspand, dan gelden er andere eisen en laat je het werk opleveren door een installateur.
Hoeveel groepen mogen er achter één aardlekschakelaar?
Maximaal vier eindgroepen achter één aardlekschakelaar van 30 mA. Dat is de indeling die NEN 1010 aanhoudt, en het beperkt zowel de gevolgen van een uitschakeling als de opgetelde lekstroom. Zet je een vijfde groep bij, dan hoort daar dus ook een extra aardlekschakelaar bij, en die kost zelf twee tot vier modules op de rail. Reken dat mee voordat je materiaal bestelt.
Hoe kan ik een Hager groepenkast uitbreiden?
Bij een Hager-kast heb je meestal drie mogelijkheden: een lege rij benutten, een extra rail bijplaatsen, of een aanbouwkast naast de bestaande hangen. De toestellen zelf klikken op de genormeerde DIN-rail en zijn uitwisselbaar. De kamrail is dat niet: die moet uit dezelfde serie komen, omdat de steek en de klemopeningen per serie verschillen. Noteer de serieaanduiding van de zijkant van een bestaande automaat voordat je bestelt.
Kan ik een ABB groepenkast uitbreiden met een extra rij?
Dat kan als de kast een vrije rijhoogte heeft en de bouwhoogte het toelaat. In veel gevallen is de kast op maat gemaakt voor de meterkast, dus meet eerst of er echt ruimte over is en of de kastdeur nog sluit. Zit de kast helemaal vol, dan koppel je er een tweede kast naast en voed je die met één kabel vanaf de hoofdschakelaar, met een lastscheider in de bijkast.
Is een Attema groepenkast uitbreiding met een aanbouwkast mogelijk?
Ja, een uitbreidingskast van dezelfde serie naast de bestaande kast is de gebruikelijke route. Je verbindt de twee door met een korte kabel via een wartel of doorvoer, en zet in de bijkast een eigen aardrail die je doorverbindt met de hoofdaardklem. Kijk vooraf waar de invoeropeningen zitten, want die bepalen aan welke kant de bijkast moet komen en hoeveel ruimte de aders innemen.
Kan ik een Holec groepenkast uitbreiden?
Oude kasten van dit type stammen uit de tijd van smeltpatronen en hebben doorgaans geen aardlekschakelaar en geen bruikbare DIN-rail. Nieuwe onderdelen zijn er praktisch niet meer voor. Je kunt er een moderne kast naast hangen voor de nieuwe groepen, maar dan houd je een installatie in twee tijdperken. In de meeste gevallen is de kast in zijn geheel vervangen door een moderne groepenkast met aardlekbeveiliging verstandiger en op termijn goedkoper.
Kan ik mijn groepenkast uitbreiden met een extra kast buiten de meterkast?
Dat kan, en het is een goede oplossing als de meterkast krap is. Je hangt dan een onderverdeler op zolder, in de garage of in de bijkeuken en voedt die met één kabel vanuit de hoofdkast. Kies de doorsnede naar de zwaarte van de aftakking en de lengte, meestal 6 of 10 mm² per ader, en neem de aarde in dezelfde doorsnede mee. Zet in de onderverdeler een lastscheider zodat je die apart kunt afschakelen.
Wat kost het uitbreiden van een groepenkast?
Een extra groep in een kast waar nog ruimte is, kost aan materiaal 40 tot 150 euro, afhankelijk van of er een aardlekschakelaar bij moet en hoeveel kabel je trekt. Een bijkast met voeding en een paar groepen zit eerder rond de 150 tot 400 euro aan materiaal. Laat je het door een installateur doen, reken dan op arbeidsloon per groep bovenop dat bedrag, en op meer als er gehakt en gefreesd moet worden.
Wanneer moet ik de groepenkast uitbreiden naar 3 fase?
Zodra het gevraagde vermogen boven de aansluitwaarde uitkomt en niet meer over de tijd te spreiden is. Met inductie, een warmtepomp, een wasdroger en een laadpunt in hetzelfde huis is 1 x 25 A snel te krap. Vraag de verzwaring naar 3 x 25 A aan bij je netbeheerder, want alleen die mag de hoofdzekering en de aansluitkabel wijzigen. Aan de kastkant komt er dan een vierpolige hoofdschakelaar en een indeling over drie fasen.
Hoeveel modules heb ik nodig voor een krachtgroep?
Een vierpolige automaat of aardlekautomaat voor een krachtgroep is vier modules breed, dus zeven centimeter op de rail. Komt er ook een vierpolige aardlekschakelaar bij, dan tel je er nog eens vier bij. Reken daarnaast op ruimte voor de aders, want vier zware aders naar één toestel nemen meer plek in dan je denkt. Hoeveel vermogen je op die groep kwijt kunt, reken je na met de groepencalculator.
Kan ik een groep bijzetten zonder de kast spanningsloos te maken?
Doe dat niet. Je werkt in een kast waar op een handbreedte afstand blanke delen onder spanning zitten, met een schroevendraaier die makkelijk uitschiet. Zet de hoofdschakelaar uit, meet elke klem na en werk alleen aan het deel dat aantoonbaar dood is. Moet je aan de klemmen boven de hoofdschakelaar zijn, dan is dat werk voor de netbeheerder of een installateur, want daar staat spanning op zolang de verzegelde hoofdzekering erin zit.
Waarom valt mijn aardlekschakelaar na de uitbreiding steeds uit?
Meestal omdat er nu vier groepen achter hangen waarvan er drie al een kleine lekstroom hadden. Die lekstromen tellen op en samen komen ze in de buurt van de 30 mA. Meet per groep de isolatieweerstand, of schakel de groepen één voor één in om te zien welke de doorslag geeft. Vochtige buitengroepen, oude boilers en verwarmingselementen zijn de gebruikelijke veroorzakers van lekstroom in de installatie.
Wanneer je beter een vakman belt
Het bijzetten van een groep in een kast waar ruimte voor is, is werk dat je met kennis van elektra zelf kunt doen. Er zijn een paar punten waarop dat ophoudt, en die zijn niet vrijblijvend.
Alles wat achter de verzegelde hoofdzekering zit, is van de netbeheerder. Moet de aansluiting spanningsloos gemaakt worden om aan de aanvoerzijde van de hoofdschakelaar te kunnen werken, dan bel je de netbeheerder of laat je een installateur het onder diens verantwoordelijkheid doen. Een zegel verbreken en de zekering trekken is geen optie.
Voor de stap van één fase naar drie fasen geldt hetzelfde. De verzwaring vraag je aan bij de netbeheerder, en die wisselt de hoofdzekering, zo nodig de aansluitkabel en de meter. De ombouw van de kast erna kun je uitbesteden of zelf doen, maar de aansluiting zelf is niet iets waar je aan werkt.
Twijfel je of de bestaande installatie de nieuwe groep aankan, laat dan een installateur meten. Isolatieweerstand, aardverspreidingsweerstand en de kwaliteit van oude aansluitingen zijn dingen die je met een meetapparaat vaststelt en niet met een blik in de kast. Dat geldt zeker bij een kast van voor de jaren negentig, waar de aarding vaak niet is wat je ervan verwacht.