Lasdop gebruiken: een verbinding die vast blijft zitten
In een lasdop doet de stalen veer het werk: hij trekt de gestripte aders in elkaar en perst ze over een paar millimeter met kracht tegen elkaar aan. Daarom twist je de aders eerst zelf en knip je het bundeltje recht af, want een ader die er losjes tussen hangt krijgt nauwelijks klemdruk. Een steeklasklem gaat sneller en voldoet voor gewone lichtpunten en stopcontacten prima, maar een dop of klem die er al eens in gezeten heeft gebruik je nooit opnieuw. Soepele aders horen niet in een draailasdop maar in een klem met een hefboompje.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Striptang met instelbare striplengte
- Combitang om de aders in elkaar te twisten
- Zijkniptang om het getwiste bundeltje recht af te knippen
- Tweepolige spanningszoeker om te controleren of de groep echt spanningsloos is
- Kleine kruiskopschroevendraaier voor het deksel van de lasdoos
- Hoofdlamp of zaklamp, want in een lasdoos in het plafond zie je anders niets
- Krimptang voor adereindhulzen als er soepele aders in het spel zijn
Materiaal
- Draailasdoppen in de maat die bij het aantal aders past
- Steeklasklemmen of hefboomklemmen, altijd nieuwe
- Adereindhulzen voor soepele aders
- Lasdoos of centraaldoos met deksel
- Installatiedraad in de doorsnede van de groep, om verkleurde aderuiteinden te kunnen vervangen
Wat een lasdop is en hoe hij werkt
Een lasdop is het kunststof kapje met een stalen veer erin waarmee je twee of meer aders in een lasdoos aan elkaar vastzet. Het is een van de manieren om aders in een installatie met elkaar te verbinden, naast de steeklasklem, de hefboomklem en het kroonsteentje.
Binnenin zit een kegelvormige veer met een scherpe binnenrand. Draai je de dop rechtsom over de gestripte aders, dan trekt die veer de aders naar elkaar toe en perst ze over een paar millimeter met kracht tegen elkaar aan. Daar zit de hele verbinding in. Het kapje zelf doet twee andere dingen: het geeft je grip om te draaien en het isoleert het blanke koper.
Dat verschil met een klem is groter dan het lijkt. In een lasdop raken de aders elkaar rechtstreeks over een flinke lengte koper. In een steeklasklem raakt elke ader een verend contactplaatje, en loopt de stroom van ader naar plaatje naar strip naar de volgende ader. Dat zijn een paar overgangen extra, en elke overgang is een plek waar weerstand en dus warmte kan ontstaan.
Een lasdop hoort altijd in een lasdoos of centraaldoos met een deksel erop, en die doos moet bereikbaar blijven. Losse verbindingen die achter stucwerk of boven een dicht plafond verdwijnen zijn niet toegestaan, hoe netjes ze ook gemaakt zijn.
Zet de groep uit voordat je een lasdoos opendraait. Schakel de groep in de meterkast af en controleer daarna met een tweepolige spanningszoeker of er ook echt geen spanning meer staat, op alle aders in de doos. In een plafonddoos komt regelmatig een ader binnen die op een andere groep zit dan de lamp zelf, bijvoorbeeld een schakeldraad die van een andere kant komt.
Lasdop of lasklem: wat pak je wanneer
Lasklem of lasdop, die vraag levert al jaren dezelfde tweedeling op en beide kampen hebben een punt. Elektrisch gezien maakt de dop de betere verbinding, want de aders liggen daarin over een flinke lengte onder veerdruk tegen elkaar aan. De steeklasklem en de hefboomklem werken met een verend contactplaatje per ader, wat een paar extra overgangen betekent. Daar staat tegenover dat een klem in twee seconden klaar is en dat een slecht gedraaide dop een veel slechtere verbinding is dan een goede klem.
In een gewone woninginstallatie voldoen klemmen voor lichtpunten en stopcontactgroepen prima. Waar wij ze liever niet zien, is op de zwaar en langdurig belaste groepen: een kookgroep, een boiler, een groep waar continu veel vermogen over loopt. Daar is de dop of een klem die daar met naam en toenaam voor is vrijgegeven de veiligere keuze.
Er zit ook verschil tussen klemmen onderling. Bij goedkope series trek je een massieve ader van 2,5 mm2 er met matige kracht zo weer uit, terwijl bij een goede klem eerder het koper afbreekt dan dat de ader loslaat. Het merk of de kleur van het huisje zegt je weinig, de trektest wel. Wat voor alle typen geldt: nooit hergebruiken. Een klem of dop die er al eens in gezeten heeft, gaat de afvalbak in.
Voor toestellen in een behuizing kom je verder met een kroonsteentje met schroefklemmen. Dat hoort niet los in een lasdoos, want de schroeven kunnen loskomen en er zit geen isolatie omheen die tegen aanraken beschermt.
| Verbinding | Hoe hij vastzit | Waar hij voor bedoeld is | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| Draailasdop | Een conische veer perst de aders rechtstreeks tegen elkaar | Twee tot vijf massieve aders van 1,5 of 2,5 mm2 | Aders even ver strippen, eerst twisten, geen soepele aders |
| Steeklasklem | Een verende contactstrip per gat, de ader klikt vast | Lichtpunten en stopcontactgroepen in een woning | Eén ader per gat, nooit hergebruiken, altijd de trektest doen |
| Hefboomklem | Een klemveer die je met een hendeltje open en dicht zet | Soepele en massieve aders, ook door elkaar heen | Het enige type dat je zonder schade kunt openen en opnieuw sluiten |
| Kroonsteentje | Een schroef drukt de ader tegen een messing huls | Toestelaansluitingen binnen een behuizing | Schroef natrekken, op soepele aders eerst een adereindhuls |
| Doorverbindklem met meer posities | Meerdere klemveren op één doorverbonden rail | Een lichtgroep die je in een doos doorlust naar meer punten | Handig als je met vijf aders in één dop krap komt te zitten |
| Gietmof | Kunsthars sluit de hele verbinding luchtdicht af | Een verbinding die in de grond ligt of onbereikbaar wordt | Eenmalig, daarna niet meer te openen of te controleren |
Doe na elke verbinding de trektest: pak elke ader apart beet en trek er stevig aan, in de richting van de dop of klem. Komt er een ader mee, dan zat hij er niet goed in en had je dat nooit gemerkt tot de lamp een jaar later begon te knipperen.
Massief, soepel of aluminium: wat kan een lasdop aan
De draailasdop is gemaakt voor massieve aders. De veer heeft een hard oppervlak nodig om zich in vast te bijten, en dat vindt hij bij één stevige koperen kern. Bij een soepele ader met tientallen dunne draadjes gebeurt iets anders: de bundel wordt platgeperst, de draadjes wijken naar de zijkant uit en het koper kruipt onder die druk langzaam weg. De klemdruk loopt daarmee terug, soms binnen weken en soms pas na jaren.
Een combinatie van een massieve installatieader en het soepele aansluitsnoertje van een armatuur is daarom geen goede verbinding, ook niet als hij bij het aantrekken keihard vastzit en het licht het al drie jaar doet. Zoek je een lasdop die flexibele kabel aankan, dan zoek je eigenlijk een hefboomklem, want die is voor massieve en soepele aders vrijgegeven. Wil je toch schroef- of klemwerk gebruiken, zet dan eerst een adereindhuls op de soepele ader en krimp die aan.
Aders van verschillende dikte in één dop mogen wel, maar dan let je op de dunste. Houd die een paar millimeter langer dan de rest, of vouw hem dubbel, zodat de veer hem ook echt pakt in plaats van eromheen te grijpen. Welke doorsnede bij welke groep en welk kabeltype hoort, zoek je op met de draad- en kabelkiezer.
Kom je in een oude installatie aluminium aders tegen, herkenbaar aan de doffe grijze kern die zachter aanvoelt dan koper, verbind die dan niet zelf met een gewone dop of klem. Aluminium kruipt onder klemdruk en oxideert, waardoor de verbinding vanzelf slechter wordt.
| Wat je in de doos hebt | Wat je gebruikt | Waarom |
|---|---|---|
| Twee tot vijf massieve aders van dezelfde dikte | Draailasdop of een nieuwe steeklasklem | De standaardsituatie in een lichtgroep of stopcontactgroep |
| Massieve ader samen met een soepele ader | Hefboomklem, of adereindhuls op de soepele ader | De veer van een draailasdop perst losse draadjes plat en die kruipen weg |
| Twee soepele aders, bijvoorbeeld twee armatuursnoertjes | Hefboomklem | Een draailasdop houdt een bundel losse draadjes niet betrouwbaar vast |
| Aders van 1,5 en 2,5 mm2 door elkaar | Draailasdop, met de dunste ader iets langer of dubbelgevouwen | Anders grijpt de veer om de dunne ader heen in plaats van erop |
| Zes of meer aders die samen moeten | Doorverbindklem met genoeg posities | Een overvolle dop geeft de buitenste ader nauwelijks klemdruk |
| Aluminium aders in een oude installatie | Laten beoordelen door een installateur | Aluminium kruipt en oxideert, gewone doppen en klemmen zijn er niet voor bedoeld |
| Een ader met een inkeping of een geknikte kern | Afknippen en opnieuw strippen | Op de inkeping is het koper verzwakt en breekt de ader vroeg of laat af |
| Verbinding in een vochtige of buitensituatie | Waterdichte lasdoos met wartels, of een gietmof | Koper dat vochtig wordt oxideert en de overgangsweerstand loopt op |
Een verbinding die niet deugt kan later duur uitpakken. Ontstaat er brand en blijkt die te herleiden tot zelf aangelegd werk dat niet aan de regels voldoet, dan kan een verzekeraar daarover moeilijk gaan doen. Dat is geen reden om nooit zelf iets te doen, wel een reden om het volgens de regels te doen en de dozen bereikbaar te houden.
Lasdoppen gebruiken: strippen, twisten en aandraaien
De veer in de dop draait de aders in principe zelf een stukje in elkaar, maar op die belofte moet je niet blind varen. Zodra er drie of meer aders in gaan, of aders van verschillende dikte, gebeurt het regelmatig dat er eentje rechtop blijft staan terwijl de rest om elkaar heen draait. Die ene ader krijgt dan bijna geen klemdruk en dat is precies het begin van een vals contact.
Daarom twisten wij altijd eerst zelf. Strip ruimer dan je nodig hebt, ongeveer twee centimeter, leg de aders strak naast elkaar met de uiteinden gelijk en draai het bundeltje rechtsom in elkaar met een combitang. Rechtsom, want dat is dezelfde kant op als waarheen je straks de dop draait. Knip het getwiste bundeltje daarna recht af op ongeveer een centimeter en zet de lasdop erop.
Ruim strippen en daarna afknippen scheelt echt werk. Met twee centimeter blank koper heb je genoeg lengte om met de tang te pakken en te draaien, terwijl je met een centimeter zit te wurmen. Het overtollige stuk gaat er toch af, dus je hebt niets te verliezen.
Draai de dop aan tot je ziet dat de isolatie van de aders een klein stukje meedraait. Dan staat de veer op spanning. Er mag daarna geen blank koper meer onder de rand van de dop uitkomen. Zie je nog koper, draai de dop er dan af, knip het bundeltje een paar millimeter korter en begin opnieuw.
Welke ader hoort bij welke ader
In een lasdoos verbind je gelijksoortige aders met elkaar: bruin op bruin, blauw op blauw en groengeel op groengeel. Welke functie daarbij hoort en waarom je die volgorde nooit door elkaar mag halen, staat bij de fase en de nul uit elkaar houden. Kom je oudere kleuren tegen zoals zwart voor de fase, kijk dan eerst bij de aderkleuren van oude en nieuwe installaties voordat je gaat verbinden.
De uitzondering is de schakeldraad, die vaak zwart of grijs is en in een doos apart wordt gehouden van de nul. Die gaat van het schakelmateriaal naar het lichtpunt en hoort dus in een eigen dop, niet bij de doorgaande fase.
Hoeveel aders er in één dop passen
De gangbare huisdop pakt twee tot vijf massieve aders van 1,5 of 2,5 mm2. Wat de dop in jouw hand precies aankan, staat op de verpakking, en die aantallen verschillen per maat. Overvul een dop niet, want dan zit de buitenste ader nog maar met een randje in de veer en krijgt hij nauwelijks druk. Heb je zes of zeven aders bij elkaar, gebruik dan een doorverbindklem met genoeg posities of splits de verbinding over twee doppen met een doorverbinding ertussen.
Zet je striptang vast op de gewenste maat en strip alle aders in één sessie. Aders die allemaal precies even ver gestript zijn, gaan veel makkelijker recht het bundeltje in en dat is de helft van het werk.
Een lasdop losmaken zonder de aders te beschadigen
Een lasdop losmaken begint simpel: je draait het kunststof kapje linksom eraf. Wat veel mensen verrast, is dat de veer daarna vaak op de aders blijft zitten en dat die er moervast in staat. Aan de aders trekken helpt niet en wrikken met een schroevendraaier beschadigt het koper.
De methode die wel werkt is de veer aan zijn punt pakken. Zet een combitang op het bovenste, smalste stukje van de veer, dus voorbij de aders, en trek met een korte krachtige haal recht omhoog. De veer rekt daarbij iets uit en schuift van het getwiste bundeltje af. Draai daarna de aders uit elkaar.
Knip het getwiste stuk vervolgens af en strip opnieuw. Dat lijkt zonde, maar de veer heeft groeven in het koper gedrukt en op die plekken is de kern verzwakt. Een ader die je twee keer twist en weer rechttrekt, breekt precies daar af, vaak net op het moment dat je de doos dichtdoet.
Bij een steeklasklem gaat het anders. Pak de ader beet, draai hem heen en weer terwijl je trekt, dan laat de contactstrip zijn grip los. Doe dat niet met bruut geweld recht naar achteren, want dan kan de snijveer in de klem beschadigen. Die klem gaat daarna sowieso weg.
Waarom een gebruikte dop niet terug mag
Er gaat een advies rond dat je een veer die te strak zit tegen de draairichting in kunt opendraaien, zodat hij wijder wordt en er weer overheen past. Dat is precies wat je niet moet doen. De veer moet met een bepaalde kracht op het koper drukken, en zodra je hem hebt opgerekt is die kracht weg. De verbinding voelt dan nog steeds vast aan, maar de contactdruk is te laag en dat geeft op termijn een vals contact met warmteontwikkeling.
Hetzelfde geldt voor steeklasklemmen. Het snijrandje dat zich in het koper zet is na één keer uittrekken vaak licht beschadigd of verbogen. Een zakje nieuwe doppen kost een paar euro, en een verbinding die na drie jaar begint te branden kost aanzienlijk meer.
Moet je in een doos zijn waar de aders al kort zijn, knip dan niet zomaar nog een stuk af. Maak eerst de doos vrij en kijk of je vanuit de leiding een paar centimeter extra ader naar binnen kunt trekken. Anders sta je straks met aders die te kort zijn om nog fatsoenlijk mee te werken.
Waar de lasdoos mag zitten en waarom bereikbaarheid meetelt
Een verbinding hoort in een doos met een deksel, en die doos moet je zonder breekwerk kunnen openen. De installatienorm vraagt dat verbindingen toegankelijk blijven voor controle en onderhoud, met als enige uitzondering verbindingen die daar speciaal voor gemaakt zijn, zoals een gietmof in de grond. Dit hoort bij de basisregels die voor al het werk aan elektra in huis gelden.
In de praktijk betekent dat: geen lasdoppen los boven een dichtgezet plafond, geen doos die je onder het stucwerk laat verdwijnen en geen verbinding die je in de spouw of tussen de isolatie legt. Werk je met inbouwspots, zorg dan dat elke doos vlak bij een spotopening ligt, zodat je hem door dat gat naar beneden kunt halen. Bij een verlaagd plafond met losse platen of een luik zit je goed.
Laat ook wat lengte over in de doos. Een ader die strak staat, trekt aan de verbinding zodra iemand aan de kabel komt, en dat is een van de manieren waarop een dop na jaren losser gaat zitten. Klem de kabels vast vlak voor de doos, zodat trek aan de leiding niet op de aders komt te staan.
Voor de plaats van dozen, schakelaars en stopcontacten werken installateurs met vaste leidingzones en hoogtes, zodat je later terugvindt waar iets zit. Die maten staan bij elkaar in het overzicht met standaardhoogtes en leidingzones.
Wat er misgaat als de verbinding niet goed zit
Een verbinding die niet goed zit valt zelden meteen uit. Hij werkt eerst gewoon, want het koper raakt elkaar net genoeg. Op dat contactpunt is de weerstand alleen hoger dan hij hoort te zijn, waardoor het daar bij belasting warm wordt. Koper zet uit door die warmte en krimpt weer bij afkoelen, en na duizenden van die cycli zit de verbinding losser dan aan het begin.
Losser betekent meer weerstand, dus meer warmte. Vanaf dat punt versnelt het proces zichzelf. Er komt een bruine verkleuring op de lasdop of de klem, daarna een geur van warme kunststof, en in het ergste geval verkoolt het materiaal om de verbinding heen. Zo ontstaan de meeste storingen die als knipperend licht beginnen en als schroeiplek eindigen.
Een groep die zwaar en langdurig wordt belast, maakt van een matige verbinding sneller een probleem dan een lichtgroep die per dag een paar uur aan staat. Reken daarom na wat er werkelijk op een groep hangt met de groepencalculator, en verdeel zware verbruikers over meer groepen als het krap wordt.
Vind je in een doos een verkleurde dop of een verbrande klem, laat het dan niet bij het vervangen van dat ene onderdeel. Knip de verkleurde aderuiteinden af tot je schoon koper ziet, en controleer de andere dozen van diezelfde groep, want daar is meestal met hetzelfde materiaal en dezelfde werkwijze gewerkt.
| Wat je merkt | Wat er meestal aan de hand is | Wat je doet |
|---|---|---|
| De lamp knippert of valt af en toe even uit | Vals contact, vaak een ader die niet goed in de veer zit | Doos openen, verbinding helemaal opnieuw maken met nieuw materiaal |
| Bruine verkleuring op dop of klem | Overgangsweerstand die al langere tijd warmte maakt | Alles vervangen en de verkleurde aderuiteinden afknippen |
| Geur van warme kunststof bij een plafondpunt | Een verbinding die op weg is naar verkoling | Groep uitschakelen, doos opzoeken en niet weer inschakelen voor het opgelost is |
| De aardlekschakelaar valt bij vochtig weer | Vocht in een doos of blank koper dat onder de dop uitsteekt | Dozen nalopen op vocht en op koper dat buiten de isolatie komt |
| De groep valt meteen bij inschakelen | Twee aders raken elkaar in de doos, of een losse aderdraad steekt uit | Verbindingen stuk voor stuk nalopen en de aders netjes terugvouwen |
| De dop draait rond zonder aan te trekken | Te kort gestript, de veer krijgt geen koper te pakken | Ruimer strippen, opnieuw twisten en een nieuwe dop gebruiken |
| De dop voelt warm aan bij normaal gebruik | Te weinig contactdruk of te veel vermogen op de groep | Verbinding vernieuwen en de belasting van de groep narekenen |
Een schroeiplek of verkoold materiaal is geen klusje voor later. Schakel die groep uit en laat hem uit tot de verbinding vernieuwd is. Zit de verkleuring in of vlak achter de meterkast, dan stopt het zelf doen daar en bel je een installateur.
Lasdoppen bij lampen, spots en schakelaars
De meeste lasdoppen in een woning zitten in plafonddozen bij lichtpunten, en daar komen de meeste vragen ook vandaan. Hangt er maar één kabel uit het plafond met twee aders, dan gaat het meestal om een lamp met twee draden aansluiten en heb je aan twee kleine verbindingen genoeg.
Ingewikkelder wordt het bij een wisselschakeling of een doorgelust lichtcircuit. Daar komen soms zes of zeven aders in één doos samen en het is verleidelijk om alles in twee dikke doppen te proppen. Doe dat niet. Splits netjes per functie: doorgaande fase bij elkaar, nul bij elkaar, aarde bij elkaar en de schakeldraad naar het lichtpunt apart. Bij een wisselschakeling loopt er ook een kabel met vier aders tussen de schakelaars, waarvan de correspondentieaders nooit in de dop met de nul horen.
Bij armaturen en inbouwspots stuit je bijna altijd op soepele aansluitsnoertjes. Die horen niet in een draailasdop, dus gebruik daar een hefboomklem. Dat heeft nog een voordeel: als je over een paar jaar een spot vervangt, klap je het hendeltje open in plaats van dat je opnieuw moet strippen en twisten.
Kom je onderweg een ader tekort, breek dan niet meteen de muur open. Vaak zit er ruimte in de bestaande buis en kun je met een trekveer een extra ader door de leiding trekken, wat netter is dan een extra lasdoos in het zicht.
Zo maak je een verbinding met een draailasdop
Deze volgorde werkt in een gewone lasdoos of centraaldoos met massieve installatieaders.
-
Schakel de groep uit en controleer op spanning
Zet de juiste groep in de meterkast af en houd daarna een tweepolige spanningszoeker op elke ader in de doos, ook op de aders waarvan je denkt te weten dat ze dood zijn. In plafonddozen komt regelmatig een ader van een andere groep binnen. Werk je in de meterkast zelf, dan houdt het zelf doen op bij de hoofdzekering: alles daarachter is werk voor een installateur.
-
Maak de doos vrij en kies het juiste verbindingsmateriaal
Haal het deksel eraf en leg de aders uit elkaar zodat je ziet wat waar naartoe gaat. Tel hoeveel aders er per verbinding samen moeten en pak een dop die dat aantal aankan volgens de verpakking. Zit er een soepele ader tussen, bijvoorbeeld van een armatuur, gebruik dan een lasklem met een hefboompje in plaats van een dop.
-
Strip ruim en houd de uiteinden gelijk
Strip ongeveer twee centimeter van de isolatie, ruimer dus dan de dop nodig heeft. Zet je striptang op maat zodat alle aders even ver gestript zijn. Met die extra lengte kun je straks met de tang pakken en draaien, en het overtollige stuk knip je er toch weer af.
-
Twist de aders rechtsom in elkaar
Leg de gestripte aders strak naast elkaar met de uiteinden gelijk, pak ze samen met een combitang en draai het bundeltje rechtsom in elkaar. Rechtsom, want dat is de kant waarheen je de dop straks draait. Zo weet je zeker dat elke ader meedoet en niet één ader rechtop blijft staan.
-
Knip het bundeltje recht af op ongeveer een centimeter
Knip het getwiste geheel met een zijkniptang haaks af, zodat alle aders precies even lang eindigen. Een centimeter is voor de gangbare dop genoeg. Een scheef afgeknipt bundeltje betekent dat de kortste ader nauwelijks in de veer komt en dat is precies de ader die later loslaat.
-
Draai de dop erop tot de isolatie meedraait
Zet de dop recht op het bundeltje en draai stevig rechtsom aan. Je bent ver genoeg als de isolatie van de aders een klein stukje mee begint te draaien onder de dop. Er mag daarna geen blank koper meer onder de rand uitkomen, want dat is de reden dat een aardlekschakelaar in een vochtige doos gaat vallen.
-
Doe de trektest op elke ader
Pak elke ader apart beet en trek er stevig aan in de lengterichting. Er mag niets bewegen. Komt een ader mee, gooi de dop dan weg, knip het bundeltje af, strip opnieuw en begin bij het twisten. Een dop die eenmaal open is geweest gaat niet terug op de aders.
-
Leg alles terug, sluit de doos en test
Vouw de aders zo terug dat er geen trek op de verbindingen staat en de doppen elkaar niet klem duwen. Schroef het deksel dicht, zet de groep weer aan en test de schakelaar een paar keer. Voel na een uur belasting nog even aan de doos of hij koud is gebleven.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je de lasdoos dichtschroeft
Uit de praktijk
Draailasdoppen met spotkabels boven een dicht plafond
In een woning zaten boven het plafond draailasdoppen waarin de massieve installatieaders van de lichtgroep samen met de soepele aansluitsnoertjes van inbouwspots waren verwerkt. De verbindingen zaten stevig en deden het al een paar jaar zonder klachten, dus de eerste reactie was dat het zo kon blijven.
Toch waren het twee problemen tegelijk. De veer in een draailasdop is gemaakt voor een massieve kern en perst de losse draadjes van een soepel snoertje plat. Dat koper kruipt onder de klemdruk langzaam weg, waardoor de verbinding stilletjes slechter wordt. Daarnaast zaten de dozen boven een dichtgezet plafond, dus controleren of ingrijpen kon alleen met breekwerk.
Wat hier werkte: bij de spots die via hun eigen inbouwgat bereikbaar waren, is de doos door de opening naar beneden gehaald en zijn de doppen vervangen door hefboomklemmen die massief en soepel door elkaar mogen. Voor het deel waar helemaal niets te bereiken viel, is vanaf de dichtstbijzijnde bereikbare centraaldoos een nieuwe voeding getrokken, zodat de oude verbindingen spanningsloos konden worden achtergelaten.
De veer die na het losdraaien op de aders bleef zitten
Bij het verwijderen van een oude lasdop ging het kunststof kapje er zonder moeite af, maar de stalen veer bleef om de getwiste aders zitten en verroerde geen millimeter. Trekken aan de aders leverde niets op, behalve dat de kabel uit de leiding kwam.
Wat wel werkte, was de veer aan zijn punt pakken. Met een combitang op het bovenste, smalste deel van de veer en één korte krachtige haal recht omhoog rekt de veer iets uit en schuift hij van het bundeltje af. Daarna waren de aders met de hand uit elkaar te draaien.
Twee dingen namen we hieruit mee. Het getwiste stuk gaat er altijd af en je stript opnieuw, want de veer laat groeven achter en op die inkepingen breekt de kern later af. En bij de nieuwe verbinding is ruimer gestript, ongeveer twee centimeter, waarna het bundeltje op een centimeter is teruggeknipt. Dat maakte het twisten met de tang merkbaar makkelijker dan bij de krappe striplengte van de eerste poging.
Een uitgebrande groepenkast door klemmen die al eens gebruikt waren
We hebben meer dan eens een verkoolde klem in een doos aangetroffen, en één keer een groepenkast die van binnen zwart en gesmolten was. De overeenkomst tussen die gevallen was niet het merk en niet het type, maar de geschiedenis: het waren steeklasklemmen die bij een eerdere verbouwing al eens gebruikt waren en daarna opnieuw waren ingestoken.
Dat gaat mis omdat de contactveer na het uittrekken van een ader niet meer op dezelfde spanning staat en het snijrandje beschadigd kan zijn. De verbinding werkt daarna nog jaren gewoon, tot de belasting toeneemt of het koper door duizenden warmtecycli net iets is gekropen. Vanaf dat punt maakt de verbinding zelf de warmte die hem verder verslechtert.
De aanpak was overal hetzelfde: alle klemmen in de betrokken dozen vervangen door nieuwe, de verkleurde aderuiteinden afknippen tot schoon koper zichtbaar was, en op de zwaarder belaste groepen draailasdoppen gebruiken in plaats van klemmen. Sindsdien houden wij één regel aan zonder uitzondering: gebruikt materiaal gaat in de afvalbak, ook als het er nog goed uitziet.
De klem waar de ader zo weer uit kwam
Bij het vergelijken van twee zakjes steeklasklemmen uit verschillende prijsklassen deden we bij allebei dezelfde test: een massieve ader van 2,5 mm2 insteken en er daarna stevig aan trekken. Bij de goedkope serie kwam de ader er met matige kracht recht uit, zonder dat er iets zichtbaar kapot was.
Bij de betere serie gebeurde het omgekeerde: eerder rekte het koper op dan dat de klem losliet. Dat is het verschil dat je aan de buitenkant van zo'n huisje niet ziet en dat ook niet aan de kleur af te lezen is. Prijs zegt iets, maar de trektest zegt meer.
Sindsdien testen wij standaard elke ader na het insteken, ook bij materiaal dat we al vaker gebruikt hebben. Het kost twee seconden per ader en het is het enige moment waarop je een slechte verbinding nog gratis kunt ontdekken.
Veelgemaakte fouten
De dop erop draaien zonder de aders eerst te twisten
De veer draait de aders wel een stukje in elkaar, maar bij drie of meer aders blijft er vaak eentje rechtop staan terwijl de rest om elkaar heen draait. Die ene ader krijgt nauwelijks klemdruk en is precies degene die over een jaar zorgt voor knipperend licht. Twisten met een combitang kost tien seconden en haalt die kans weg.
Te kort strippen, waardoor de veer geen koper pakt
Met een halve centimeter blank koper grijpt de veer deels in de isolatie in plaats van in het koper. De dop draait dan rond zonder echt aan te trekken en voelt toch vast aan. Strip ruim, ongeveer twee centimeter, twist, en knip het bundeltje daarna terug tot ongeveer een centimeter.
Blank koper dat onder de rand van de dop uitsteekt
Steekt er koper onder de dop uit, dan is de isolatie onvolledig. In een vochtige doos of tegen een andere ader aan is dat de reden dat de aardlekschakelaar valt of dat de groep meteen bij inschakelen eruit knalt. Draai de dop eraf, knip een paar millimeter van het bundeltje en probeer opnieuw.
Een soepele ader in een draailasdop stoppen
De losse draadjes van een soepele ader worden door de veer platgeperst en kruipen daarna onder die druk weg. De verbinding zit bij het aandraaien keihard vast en wordt in de jaren erna stilletjes slechter. Gebruik voor soepel werk een hefboomklem, of krimp er eerst een adereindhuls op.
Een dop of klem opnieuw gebruiken
Een klem waar al eens een ader in heeft gezeten staat niet meer op dezelfde veerspanning en heeft vaak een beschadigd snijrandje. Bij een dop geldt hetzelfde voor de uitgerekte veer. Het is de meest voorkomende oorzaak van verbindingen die na jaren warm worden, en een zakje nieuwe kost een paar euro.
De veer oprekken om hem passend te maken
Een veer die te strak zit laat zich tegen de draairichting in opendraaien, waarna hij ruimer om de aders past. Daarmee haal je precies de contactdruk weg waar de hele verbinding op drijft. Hij voelt daarna nog steeds vast aan, maar elektrisch is het een vals contact in wording.
De lasdoos wegwerken achter stuc of onder een dicht plafond
Een verbinding moet je kunnen controleren zonder breekwerk, ook als je zelf zeker weet dat hij goed zit. Bovendien vindt de volgende bewoner nooit terug waar de onderbreking zit als er ooit een storing optreedt. Zet de doos bij een spotopening, onder een luik of in een plafond met losneembare platen.
Aders in elkaar draaien en er isolatietape omheen wikkelen
Tape geeft geen klemdruk, dus de aders komen los zodra het koper door warmte gaat werken. Daarnaast laat de lijmlaag van tape na een paar jaar los in een warme doos. Een verbinding hoort mechanisch geklemd te zijn, met een dop of een klem, en daarna geïsoleerd.
Veelgestelde vragen
Wat is een lasdop?
Een lasdop is een kunststof kapje met een conische stalen veer aan de binnenkant, waarmee je twee tot vijf aders in een lasdoos aan elkaar verbindt. Het kapje isoleert en geeft grip om te draaien, de veer maakt het eigenlijke contact door de aders met kracht tegen elkaar aan te persen. De naam komt van lassen in de betekenis van verbinden, er komt geen soldeer of laswerk aan te pas.
Hoe werkt een lasdop?
Je zet de gestripte aders bij elkaar en draait de dop er rechtsom overheen. De kegelvormige veer binnenin heeft een scherpe binnenrand die zich in het koper zet, en doordat de veer naar de punt toe smaller wordt, trekt hij de aders bij het aandraaien steeds strakker naar elkaar toe. Je bent ver genoeg als de isolatie van de aders een klein stukje meedraait. Vanaf dat moment staat de veer op spanning en zit de verbinding vast.
Lasdop of lasklem, wat is de betere verbinding?
Elektrisch gezien de dop, want daarin raken de aders elkaar rechtstreeks over een flinke lengte onder veerdruk. Bij een lasklem loopt de stroom via een contactveer en een verbindingsstrip, wat een paar overgangen extra betekent. In een gewone woninginstallatie voldoen goede klemmen voor lichtpunten en stopcontacten prima, en een slecht gedraaide dop is slechter dan een goede klem. Op zwaar en langdurig belaste groepen kiezen wij de dop. Meer over de verschillende typen staat bij de soorten lasklemmen en waar ze voor bedoeld zijn.
Hoe kun je een lasdop losmaken?
Draai eerst het kunststof kapje linksom eraf. Blijft de veer daarna op de aders zitten, pak dan met een combitang het bovenste smalle puntje van de veer en trek met een korte krachtige haal recht omhoog. De veer rekt iets uit en schuift van het bundeltje af. Trek niet aan de aders zelf en wrik er niet met een schroevendraaier tussen, want dan beschadig je het koper of trek je de kabel uit de leiding.
Kun je een lasdop hergebruiken?
Nee, ook al ziet hij er ongeschonden uit. Bij het losdraaien rekt de veer uit en daarmee verdwijnt de contactdruk waar de verbinding op werkt. De dop voelt daarna nog steeds vast aan, maar er ontstaat een vals contact dat bij belasting warm wordt. Hetzelfde geldt voor steeklasklemmen, waarvan het snijrandje bij het uittrekken vaak beschadigt. Knip ook het getwiste stuk ader af en strip opnieuw, want de veer heeft groeven in het koper achtergelaten.
Hoeveel draden mogen er in één lasdop?
De gangbare huisdop is bedoeld voor twee tot vijf massieve aders van 1,5 of 2,5 mm2, en op de verpakking staat precies wat die maat aankan. Overvul een dop niet: bij te veel aders komt de buitenste maar met een randje in de veer en krijgt hij nauwelijks klemdruk. Moeten er zes of meer aders samen, gebruik dan een doorverbindklem met genoeg posities of splits de verbinding over twee doppen.
Kun je een lasdop op flexibele kabel gebruiken?
Liever niet. Een draailasdop is gemaakt voor een massieve kern waar de veer zich in kan vastbijten. Bij flexibele kabel wordt de bundel dunne draadjes platgeperst en kruipt het koper onder de klemdruk langzaam weg, waardoor de verbinding in de loop van de tijd slechter wordt zonder dat je er iets van merkt. Gebruik voor soepele aders een hefboomklem die voor beide soorten is vrijgegeven, of krimp eerst een adereindhuls op de ader.
Moet je de aders eerst zelf in elkaar twisten?
Bij twee aders van dezelfde dikte gaat het meestal ook zonder, maar vanaf drie aders raden wij het sterk aan. In de praktijk blijft er anders regelmatig eentje rechtop staan terwijl de rest om elkaar heen draait, en die ader krijgt dan bijna geen klemdruk. Draai het bundeltje rechtsom in elkaar met een combitang, dus dezelfde kant op als waarheen de dop straks draait, en knip het daarna haaks af.
Hoeveel moet je strippen voor een lasdop?
Onder de dop komt ongeveer een centimeter blank koper te zitten, maar wij strippen bewust ruimer, zo'n twee centimeter. Met die extra lengte kun je het bundeltje met een tang pakken en netjes twisten, en daarna knip je het terug op maat. Zorg dat alle aders precies even ver gestript zijn en knip het bundeltje haaks af, want een scheve ader komt nauwelijks in de veer terecht.
Zijn lasdoppen of lasklemmen brandveiliger?
Beide typen zijn goedgekeurd installatiemateriaal en beide zijn veilig als je ze goed gebruikt. De problemen die wij tegenkwamen, van een verkoolde klem tot een uitgebrande groepenkast, kwamen bijna nooit door het type maar door hergebruik, door een ader die niet meedeed of door een klem van slechte kwaliteit. Nieuw materiaal, één ader per gat, de trektest doen en de belasting van de groep kennen doet meer voor de veiligheid dan de keuze tussen dop en klem.
Mag een lasdop weggewerkt worden boven een plafond of in een muur?
Nee. Verbindingen moeten bereikbaar blijven voor controle en onderhoud, dus zonder breekwerk te openen zijn. Boven een verlaagd plafond met losneembare platen of naast een inbouwspot waar je de doos door het gat naar beneden kunt halen zit je goed, dichtgestuukt of onder een vaste plafondplaat niet. De enige uitzondering zijn verbindingen die daar speciaal voor gemaakt zijn, zoals een gietmof die met hars wordt afgegoten.
Waarom wordt een lasdop warm?
Warmte betekent altijd weerstand op de plek waar het koper elkaar raakt. Dat komt door te weinig contactdruk, door een ader die niet goed meedoet, door hergebruikt materiaal of doordat er meer vermogen over de groep gaat dan verstandig is. Warmte laat het koper uitzetten en krimpen, waardoor de verbinding losser wordt en nog warmer, dus dit lost zichzelf niet op. Maak de verbinding opnieuw met nieuw materiaal en reken met de groepencalculator na wat er werkelijk op die groep hangt.
Kun je een lasdop buiten of in een vochtige ruimte gebruiken?
Alleen in een doos die daar geschikt voor is, met wartels en een dichtende deksel. Een gewone lasdop in een vochtige omgeving laat het koper oxideren, en een geoxideerd contactvlak geeft meer weerstand en dus warmte. Ligt de verbinding in de grond of komt hij op een plek waar water bij kan, gebruik dan een gietmof die volledig met hars wordt afgegoten. Die kun je daarna niet meer openen, dus maak en controleer de verbinding eerst zorgvuldig.
Wanneer je beter een vakman belt
Een lasdop of lasklem in een lasdoos van een lichtgroep is werk dat je met de groep uit prima zelf doet. Er zijn wel een paar grenzen waar het zelf doen ophoudt.
De eerste ligt in de meterkast. Alles achter de hoofdzekering, dus de hoofdaansluiting, de kabel van de netbeheerder en het aansluitpunt zelf, is werk voor een installateur of de netbeheerder. Ook een groep bijplaatsen in de groepenkast hoort daarbij. Wat er verder bij komt kijken staat bij het overzicht over elektra in en om het huis.
De tweede is verkoling. Vind je een verbrande klem, een gesmolten dop of roetsporen in een doos, schakel die groep dan uit en laat hem uit. Laat de hele groep nakijken, want de kans is groot dat elders met hetzelfde materiaal en dezelfde werkwijze is gewerkt.
De derde is de verbinding waar je niet bij kunt. Zitten er dozen boven een dichtgezet plafond of achter stucwerk, dan moet er iets veranderen aan de installatie in plaats van aan die ene dop, en dat vraagt om iemand die de hele groep kan overzien. Datzelfde geldt bij aluminium aders in oudere installaties.
De vierde is hoogte. Werken aan een plafond van vier meter hoog vanaf een ladder met een tang in je hand is geen goed idee. Huur een rolsteiger of laat het doen, want een val van drie meter loopt slechter af dan welke slechte verbinding ook.