Verlichting aansluiten, ophangen en repareren
Bij verlichting zit de moeilijkheid zelden in de twee draadjes. Bij vervangen gaat het om de fitting en de spanning: GU10 werkt op 230 volt en heeft geen trafo nodig, GU5.3 en G4 werken op 12 volt en hebben er wel een nodig. Bij ophangen gaat het om het plafond, want de schroefpunten in een centraaldoos zijn bedoeld voor het afdekplaatje en een licht armatuur, niet voor een hanglamp van vijf kilo. En als er iets niet brandt, zoemt of knippert, werk je van lichtbron naar armatuur naar driver naar schakelaar.
Alle gidsen over verlichting
Lamp vervangen
Een lamp vervangen kost zelden meer dan tien minuten, maar het armatuur openkrijgen wel. Zoek daarom eerst uit hoe de…
Lamp aansluiten
Een lamp aansluiten draait om een simpele regel: blauw is de nul, zwart is de schakeldraad die van je lichtschakelaar…
Gu10 fitting
Een gu10 fitting werkt altijd op 230 volt, en dat is precies de reden waarom een gu10 ledspot donker blijft…
Beltrafo
Een beltrafo maakt van 230 volt de lage spanning waar je deurbel op loopt, meestal 8, 12 of 24 volt…
Tl buis vervangen
Een tl-buis wissel je in twee minuten: kwartslag draaien, eruit nemen, de nieuwe er in dezelfde beweging in zetten. Het…
Lamp ophangen plafond
Een lamp ophangen aan het plafond bestaat uit twee losse vragen: waar hangt het gewicht aan, en welke draad gaat…
Halogeen steeklampjes
Een halogeen steeklampje herken je aan twee pennetjes in plaats van schroefdraad, en de afstand tussen die pennen bepaalt welk…
Wat er allemaal onder verlichting valt
Verlichting is een van de weinige delen van de installatie waar je als bewoner vrijwel alles zelf aan mag doen, zolang je van de meterkast achter de hoofdzekering afblijft. Hoe de rest in elkaar zit, van groepen tot bedrading, staat bij alles over elektra in huis. Hier gaat het over wat er aan het lichtpunt hangt en over wat er misgaat zodra je eraan begint.
De vragen vallen bijna altijd in drie soorten. Er moet een lichtbron vervangen worden, er moet iets nieuws opgehangen en aangesloten worden, of er brandt iets niet meer zoals het hoort.
Bij vervangen zit het werk in de fitting, niet in de aansluiting. Welke lamp erin past en hoe je hem eruit krijgt zonder glas te breken, lees je bij een lamp verwisselen die vastzit of niet meer te koop is.
Bij ophangen zit het werk in het plafond. Twee draden in een lasklem is zo gebeurd, maar een hanglamp van vier kilo aan een gestuct gipsplafond vraagt dat je weet wat er boven die plaat zit. Hoe je de draden daarna netjes op de klemmen krijgt, staat bij een lamp aansluiten op bruin, blauw en aarde.
Doet het licht het niet, dan is de vraag steeds dezelfde: ligt het aan de lichtbron, aan het armatuur, aan de driver of trafo, of aan de schakeling ervoor. Die volgorde van uitsluiten scheelt je een avond gokken en staat verderop bij de symptomen uitgewerkt.
Welke fitting zit er in je lamp en wat past erop
Bijna elke miskoop komt door de fitting. Twee pennetjes zien er van een meter afstand hetzelfde uit, terwijl de een op 230 volt werkt en de ander op 12 volt en dus een trafo nodig heeft.
De snelste test is meten en tellen. Twee dikke pennen met een verdikking aan het eind, ongeveer 10 mm uit elkaar, die je indrukt en een kwartslag draait: dat is een GU10 en die zit rechtstreeks op het net. Twee dunne rechte pennen op 5,3 mm die je recht insteekt: dat is een GU5.3 en daar hoort een trafo bij. Alles over maten, dimbaarheid en het indraaien van zo'n lamp staat bij de GU10-fitting en zijn valkuilen.
Nog kleiner wordt het bij de insteeklampjes. Een G4 heeft twee dunne draadpennen op 4 mm en werkt op 12 volt, een G9 heeft twee lusjes van dik draad op 9 mm en werkt gewoon op 230 volt. Zit er een G4 in een hanglamp en vind je nergens een trafo, dan klopt er iets niet en is het meestal toch een G9. Bij insteek halogeen lampjes en hun ledvervangers staat welke welke is.
Een losse fitting vervangen mag en is goed te doen. Een nieuwe fitting in een oude lamp zetten betekent het armatuur opnieuw bedraden met de bekabeling die erbij hoort, en dat is bij een staande lamp, een tafellamp of een schemerlamp vrijwel altijd tweeaderig snoer met een trekontlasting. Merken als Calex verkopen losse fittingen, ook als verhuisfitting met snoer eraan om tijdelijk een peertje op te hangen.
Niet elke lichtbron zit in een fitting. Ingebouwde bedlampjes, zoals de bedlamp aan een Auping-bed, en de vaste ledmodules in moderne plafondlampen zijn onderdelen: daar meet je wat er op de voeding staat en bestel je het onderdeel na, of je vervangt de hele module. Een losse led printplaat is soms per maat te koop, maar dan moet de spanning en de stroom van de driver wel kloppen.
Zit een lamp vast in de fitting, forceer dan niet aan het glas. Groep uit, handschoen aan, en pak de metalen schroefrand beet met een tang. Een klikfitting van kunststof, zoals je die bij Ikea-armaturen tegenkomt, krijg je open door de twee lipjes tegelijk in te drukken; losmaken lukt zelden door alleen te trekken.
| Fitting | Spanning | Hoe je hem herkent | Waar je hem tegenkomt | Waar je op let |
|---|---|---|---|---|
| E27 | 230 V | Schroefdraad van 27 mm | Plafonniere, staande lamp, buitenlamp, verhuisfitting | Maximaal wattage van het armatuur is een warmtegrens |
| E14 | 230 V | Schroefdraad van 14 mm | Kroonluchter, schemerlamp, afzuigkap | Meet de lengte, een led is vaak langer dan het peertje |
| GU10 | 230 V | Twee dikke pennen met knopje, 10 mm, kwartslag | Inbouwspots binnen | Geen trafo nodig, dimbaar alleen als dat op de lamp staat |
| GU5.3 (MR16) | 12V | Twee rechte pennen, 5,3 mm, recht insteken | Oudere inbouwspots met trafo | Vraagt een trafo of driver met het juiste minimumvermogen |
| G4 | 12V | Twee dunne draadpennen, 4 mm | Kleine spotjes in glazen armaturen, meubelverlichting | Geen trafo in het armatuur betekent bijna altijd G9 |
| G9 | 230 V | Twee lusjes van dik draad, 9 mm | Moderne hanglampen met capsules | Wordt heet, pak hem met een doekje beet |
| R7S | 230 V | Staaflamp met een veerkontakt aan beide kanten | Staande lamp, bouwlamp, schijnwerper | Meet 78 of 118 mm voordat je een ledstaaf koopt |
| G23 (PL-S, 2P) | 230 V via ballast | Twee platte pennen in een blokje | Wandarmatuur, buitenlamp, kleine plafonnière | Starter zit in de voet, een led-versie vraagt meestal ombouw |
| G13 (tl-buis) | 230 V via ballast | Twee pennen aan elk uiteinde, 60 tot 150 cm | Garage, schuur, berging, werkkast | Eerst uitzoeken of er een spoel of een HF-ballast in zit |
| B22 (bajonet) | 230 V of 42 volt | Twee nokjes, indrukken en draaien | Oudere armaturen en zwakstroomlampen in flats | Komt in Nederland weinig meer voor, meten wat erop staat |
Van halogeen naar led: watt, lumen en lichtkleur
Watt zegt hoeveel stroom een lamp gebruikt, lumen zegt hoeveel licht eruit komt. Bij gloeilampen liepen die twee gelijk op, bij led niet meer. Wie een lamp koopt op watt, koopt sinds tien jaar de verkeerde felheid.
Het maximale wattage dat op een armatuur staat, is een warmtegrens uit de tijd van de gloeilamp. Een led van 10 watt in een armatuur waar maximaal 40 watt op staat, is dus geen probleem. Wel telt of de warmte weg kan: in een dicht gesloten kapje of een inbouwspot zonder lucht eromheen wordt de driver het eerst moe.
Lichtkleur bepaalt de sfeer meer dan het vermogen. Goedkope ledverlichting is vaak koud wit en maakt een kleine ruimte kil. Kies 2700 kelvin voor licht dat in de buurt komt van de oude gloeilamp, 3000 kelvin in een badkamer en 4000 kelvin of hoger in een werkplaats of garage. Kies je voor dimbaar, kies dan lampen die warmer worden bij het dimmen, anders blijft het licht bleek.
Een ledlamp minder fel maken kan op vier manieren. Een dimbare lamp met een geschikte dimmer, een lamp met minder lumen, een matte kap in plaats van helder glas, of een reepje dimfolie. Zo'n folie is er ook in warm licht, waarmee je een te blauwe lamp een graad gezelliger maakt. Voor een fel controlelampje volstaat een stukje tape: een ledlamp afplakken is lelijk, maar het werkt.
Wie het nog over peertjes heeft, bedoelt de gloeilamp, en die is er alleen nog als sfeerlamp met een zichtbare gloeidraad. De ledversie daarvan geeft hetzelfde beeld bij een fractie van het verbruik, maar let bij die filamentlampen op de dimbaarheid: niet elke uitvoering kan dat.
Wat vaak wordt vergeten: een smerige kap kost licht. Een stoffige plafonnière of een vergeeld kapje slikt zo een kwart van de opbrengst, en dan koop je een fellere lamp terwijl een sopje genoeg was. Welke lamp waar hoort en hoe je hem eruit haalt, staat bij het vervangen van een lamp per fitting.
| Oude lamp | Lichtopbrengst | Led die daarbij hoort | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| 20W halogeen (12 volt, G4 of GU5.3) | ongeveer 200 lumen | 2 tot 3 watt | Oude trafo haalt zijn minimale belasting niet meer |
| 25 watt gloeilamp | ongeveer 220 lumen | 2 tot 3 watt | Vaak in een kroonluchter, let op de lengte |
| 35 watt halogeenspot | ongeveer 400 lumen | 4 tot 5 watt | Straalhoek van 36 graden geeft een rustiger beeld dan 60 |
| 40 watt gloeilamp | ongeveer 470 lumen | 4 tot 5 watt | Voor een sfeerlamp naast de bank ruim genoeg |
| 50W halogeen GU10 | ongeveer 600 lumen | 6 tot 7 watt | De klassieke inbouwspot, een-op-een te vervangen |
| 60 watt gloeilamp | ongeveer 800 lumen | 8 tot 9 watt | Standaard voor een hanglamp boven de tafel |
| 75 watt gloeilamp | ongeveer 1050 lumen | 10 tot 12 watt | Wordt in een kleine kap snel te warm |
| 100 watt gloeilamp | ongeveer 1500 lumen | 13 tot 16 watt | Kijk of de lamp in het kapje past, hij is fors |
| 36 watt tl-buis van 120 cm | ongeveer 3000 lumen | 16 tot 20 watt ledbuis | Ombouwen van het armatuur is nodig, zie verderop |
| 11 watt PL-S | ongeveer 900 lumen | 5 tot 7 watt PL-S led | Lees op de doos of hij op de bestaande ballast mag |
Trafo's, 12 volt en zwakstroom
Er lopen drie werelden door elkaar in een gemiddeld huis. Verlichting op 230 volt rechtstreeks, verlichting op 12 of 24 volt achter een trafo of driver, en in oudere flats zwakstroom van 42 volt in de gemeenschappelijke ruimten.
De meeste problemen ontstaan bij het tweede type. Een elektronische halogeentransformator heeft een minimale belasting, vaak 20 watt. Hang je daar drie ledspots van 4 watt aan, dan haalt hij die 20 watt niet en gaat hij pulseren, flikkeren of helemaal niet starten. De oplossing is de trafo vervangen door een led-driver, niet de spotjes een voor een terugbrengen naar de winkel.
Wil je weten of een trafo kapot is, meet dan de secundaire kant met een multimeter op wisselspanning. Een klassieke wikkeltrafo geeft onbelast zijn nominale spanning of iets meer, dus rond de 11 tot 13 volt. Een elektronische trafo geeft onbelast vaak niets of een onzinnige waarde, want die start pas onder belasting. Trafo doormeten zonder lamp erop levert daar dus geen uitsluitsel op: hang er een bekend goede halogeenlamp aan en meet opnieuw.
Een lichte bromtoon uit een wikkeltrafo is normaal en niet gevaarlijk. Wordt het geluid luider en voelt het blok heet aan, dan is er iets mis met de belasting of met de trafo zelf en gaat hij eruit. Een zoemende trafo die je nauwelijks kunt aanraken hoort niet weggewerkt te zitten boven een gipsplafond.
Hoeveel er in totaal aan een groep mag hangen, reken je uit met de rekenhulp voor het vermogen per groep. Voor verlichting kom je zelden in de buurt van de grens, maar in een werkplaats met veel armaturen en een paar machines is dat een reële vraag.
| Soort voeding | Waar hij zit | Hoe je merkt dat hij niet deugt | Wat je ermee doet |
|---|---|---|---|
| Wikkeltrafo (magnetisch) | Oudere halogeenspots, 12V | Bromt hard, wordt heet, geeft geen spanning meer | Vervangen door een led-driver van 12V |
| Elektronische halogeentrafo | Spots vanaf de jaren negentig | Ledspots flikkeren of starten niet: minimale belasting niet gehaald | Vervangen door een led-driver |
| Led-driver met vaste spanning | Ledstrips van 12V of 24V | Strip brandt zwak aan het eind of knippert | Vermogen optellen en 20 procent marge nemen |
| Led-driver met vaste stroom | Inbouwspots met een vaste module | Spot valt uit of pulseert | Driver moet passen bij de mA en het voltbereik van de spot |
| Beltrafo 8 tot 24V | Op de rail in de meterkast | Bel doet het niet, of de accu van een videodeurbel loopt leeg | Kies op VA, niet alleen op volt |
| Zwakstroom 42 volt | Berging en gang van oudere flats | Bolletje geeft weinig licht en er past niets anders in | Installatie van het gebouw, dus overleg met de beheerder |
Inbouwspots: hoeveel, waar en hoe je ze doorlust
Spots inbouwen in een plafond begint met tellen, niet met boren. Te veel spotjes in een raster midden op het plafond geeft een verhoorkamer, te weinig geeft schaduwen op precies de plek waar je werkt. De vuistregel die wij aanhouden: verlicht wat je gebruikt, dus het aanrecht, de spiegel en de looproute, en vul de rest aan met een lamp op ooghoogte. Een inbouwspot heet in webshops ook wel een downlight, maar dat is hetzelfde ding.
Voor een lichtplan in de badkamer werken vier tot zes spots in een gemiddelde ruimte prima, mits er ook licht bij de spiegel komt. Spots recht boven de spiegel zetten je gezicht in de schaduw, dus hang de spiegelverlichting ervoor of ernaast. Boven een aanrecht is de afstand tot de muur belangrijker dan het aantal: op 25 tot 35 cm uit de wand valt het licht op het blad en niet op de kastdeurtjes.
Het gat is bijna altijd 68 tot 72 mm, geboord met een gatenzaag. Is het gat te groot geworden of zat je 2 cm mis, dan zijn er correctieringen die tot ongeveer 110 mm afdekken. Een ring voor spotjes is verkrijgbaar per merk en per maat, dus neem de spot mee naar de winkel.
Trimless spots zijn een verhaal apart. Die worden ingestuukt en moeten dus in het plafond zitten voordat de stukadoor komt. In een bestaand gestuct plafond kun je ze niet zomaar nog stucen, daarvoor moet de plaat open.
| Ruimte | Richtlijn aantal | Onderlinge afstand | Waar je ze zet |
|---|---|---|---|
| Badkamer van 2 bij 2 meter | 4 spots van 350 tot 450 lumen | 80 tot 100 cm | Niet recht boven de spiegel, maar er net voor |
| Badkamer van 3 bij 2 meter | 5 of 6 spots | 80 tot 100 cm | Een aparte spot boven de douche in de juiste IP-klasse |
| Toilet | 1 spot of een plafonnière | n.v.t. | Boven de wastafel, niet achter je hoofd |
| Keukenblad | 1 spot per 60 cm blad | 60 cm | 25 tot 35 cm uit de muur |
| Kookeiland van 2 meter | 3 spots of 2 hanglampen | 60 tot 70 cm | Hanglampen op 70 tot 80 cm boven het blad |
| Woonkamer | Spots als aanvulling, niet als enige licht | 1 tot 1,5 meter | Langs de wanden en boven de kast, niet in een raster |
| Hal en overloop | 1 spot per 1,5 tot 2 vierkante meter | 1 meter | In de looprichting, zodat de trap uitgelicht wordt |
| Dakkapel | 2 of 3 spots | 60 tot 80 cm | Let op de isolatiedikte boven de plaat |
| Uitbouw of aanbouw | Langs de randen | 1 meter | Rondom, anders wordt het midden een donker gat |
| Overstek of carport | 1 spot per 1 tot 1,5 meter | 1 tot 1,5 meter | Minimaal IP44, en van onderaf bereikbaar houden |
Een lamp ophangen aan het plafond of aan de wand
In Nederlandse plafonds zit meestal een centraaldoos, ook wel plafonddoos genoemd: een vierkante doos van ongeveer 7 bij 7 cm met een afdekplaatje eroverheen. Dat deksel krijg je er zelden af door te trekken. Bij de gangbare types, zoals de bekende Attema-plaatjes, draai je het een kwartslag en dan valt het eruit.
In die doos zitten twee schroefpunten. Die zijn bedoeld voor het afdekplaatje en voor een licht armatuur, niet als ophangpunt voor een zware hanglamp. Past de beugel van je nieuwe lamp er niet op, dan is er ook geen universele beugel die dat oplost. De gatafstand verschilt per fabrikant, en veel lampen worden gemaakt voor een land waar een buisje uit het plafond komt in plaats van een doos. Voor centraaldozen zonder bruikbare schroefpunten bestaan wel losse klemmen.
Dus boor je twee gaten, en dat is minder eng dan het lijkt. In een gipsplafond boor je niet dieper dan de plaatdikte, meestal 12,5 mm. Zet desnoods een stukje tape op de boor als dieptemarkering. Dat een leidingzoeker rond de centraaldoos in alle richtingen aanslaat, is normaal: daar liggen de buizen naar de doos toe. Even een klein gaatje boren en met een telefoonlamp of een endoscoop kijken geeft meer zekerheid dan het apparaat.
Voor het gewicht geldt: twee goede hollewandpluggen houden een lamp van 2,5 kilo moeiteloos, en met vier pluggen kom je aan 5 kilo. Boven dat gewicht zoek je de houten of metalen regel achter de plaat en schroef je daarin. Alles over de verschillende plafonds staat bij een lamp ophangen aan een plafond, per ondergrond.
Zit er een gipsen ornament of een rozet rond het lichtpunt, boor daar dan niet doorheen. Zo'n ornament is bros en breekt uit; de schroeven horen erbuiten te vallen, in het plafond zelf. Een kapje of een ring van een plafondlamp bevestigen doe je pas als de beugel vastzit en de aansluiting getest is.
Een plafondlamp aan de wand hangen mag als het armatuur dat toestaat. Kijk naar de kabelinvoer, die hoort na het draaien niet naar boven te wijzen, en naar de warmte: een kap die op het plafond de hitte kwijt kon, doet dat aan een wand anders. Bij een wandlamp zonder boren geldt hetzelfde bezwaar als bij het plafond.
In een schuur of een tuinhuis hangt een wandlamp vaak aan een klampmuur: losse planken die op horizontale klampen zijn gespijkerd. Schroef daar in een klamp of in de stijl erachter en niet midden in een losse plank, want zo'n plank werkt met het weer en splijt langs de schroef. Waar de klampen lopen zie je aan de spijkerkoppen aan de buitenzijde, en anders teken je de lijn af aan de andere kant van de wand.
| Ondergrond | Waarmee je bevestigt | Wat er veilig aan hangt | Waar het misgaat |
|---|---|---|---|
| Betonnen vloer | Nylon plug 6 mm met schroef 4,5 x 40 mm | Ruim boven 10 kilo | Boorstof niet weggezogen, dan grijpt de plug niet |
| Gipsplafond, in de regel geschroefd | Schroef rechtstreeks in de regel | 10 kilo en meer | De regel ligt zelden precies waar je hem wilt |
| Gipsplafond tussen de regels | Hollewandplug of klapanker | 2 tot 5 kilo per plug | Een gewone nylon plug draait zich los in gips |
| Systeemplafond | Ophangdraad aan de constructie erboven | Niets aan de tegel zelf | De tegel scheurt in en zakt door |
| Houten plafond of balklaag | Schroef in de balk, of een lat opklampen | Volgt de balk | Een schroef in zachtboard of riet houdt niets |
| Rieten plafond | Door het riet heen in de constructie erachter | Volgt de constructie | Warmte van het armatuur vlak tegen riet |
| Stucwerk op steen | Plug in de steen, niet in de stuclaag | Volgt de steen | Te kort boren, dan zit de plug in de stuc |
| Geklampte houten wand (klampmuur) | Schroef in een klamp of in de stijl erachter | 2 tot 5 kilo, afhankelijk van de klamp | Een schroef midden in een losse plank splijt hem op termijn |
| Cellenbeton (gasbeton) | Speciale gasbetonplug | 2 tot 5 kilo | Nylon plug scheurt het materiaal uit |
| Centraaldoos | De twee schroefpunten in de doos | Licht armatuur en het afdekplaatje | Zware hanglamp trekt de doos uit het plafond |
Een hanglamp inkorten, verlengen of met meerdere aan één lichtpunt hangen
Een hanglamp inkorten hoeft bijna nooit met een schaar. In de baldakijn zit een snoerklem of een kabelstop; je trekt het snoer naar boven, klemt hem op de goede lengte vast en laat het extra snoer opgerold in de kap zitten. Een lamp aan een ketting kort je in door schakels te openen en de aardleiding mee in te korten.
Moet het echt korter, knip dan het snoer af en zet de aders opnieuw op de klemmen, met de trekontlasting weer in het armatuur. Zonder die trekontlasting hangt het gewicht aan de klemmen en dat is de reden dat oude lampen na jaren beginnen te knipperen. Een hanglamp tijdelijk hoger hangen tijdens het schilderen doe je met een haak ernaast, niet met een knoop in het snoer.
Verlengen kan met een nieuw stuk lampsnoer en een lasklem in de baldakijn, of met een kant-en-klaar pendelsnoer. Een lamp verlengen met een verlengsnoer over het plafond kom je in oudere huizen vaak tegen. Het werkt, maar het is lelijk, en die lasverbinding hoort in een doos en niet los boven het plafond.
Twee hanglampen op één lichtpunt is toegestaan en gebruikelijk: je sluit ze parallel aan, dus bruin bij bruin, blauw bij blauw, in een lasklem in de centraaldoos. Drie lampen op een lichtpunt gaat net zo, alleen wordt het dan krap in de doos en is een baldakijn voor meerdere snoeren netter. Lampen parallel schakelen betekent dat ze allemaal de volle spanning krijgen; in serie zetten mag niet, want dan brandt niets goed.
Wil je een verplaatsbare hanglamp boven een tafel die soms ergens anders staat, hang dan een decoratief snoer aan een haak met een trekontlasting en leid het snoer naar het lichtpunt. Een lamp met katrol, zoals de klassieke katrolhanglamp boven de eettafel, gebruikt datzelfde principe met een contragewicht. Op welke hoogte een lamp hoort, staat in onze tabel met standaardmaten in huis.
| Situatie | Hoogte onderkant lamp | Opmerking |
|---|---|---|
| Boven een eettafel | 75 tot 90 cm boven het tafelblad | Lager mag bij een gesloten kap, hoger bij open glas |
| Boven een kookeiland | 70 tot 80 cm boven het blad | Zo kijk je er nog overheen naar de ander |
| Midden in een woonkamer | Minimaal 210 cm boven de vloer | Anders loop je met je hoofd tegen de kap |
| Hal, gang en overloop | Minimaal 210 cm boven de vloer | Meet bij een trap vanaf de bovenste trede |
| In de nok van een zolder | Minimaal 200 cm boven de vloer | Volg de nokrichting, anders hangt de lamp scheef |
| Boven een open trapgat | Gelijk met de bovenste verdieping | Kies een lamp die je met een katrol kunt laten zakken |
Tl-armaturen en het ombouwen naar led
Een tl-buis vervangen door een ledbuis is niet altijd wisselen en klaar. Wat je moet doen, hangt af van wat er in het armatuur zit, en dat zie je pas als de kap eraf is. Een kap van een tl-armatuur zit meestal met klemmen aan de lange zijkanten: aan beide kanten tegelijk naar buiten duwen, dan komt hij los. Bij oudere Philips-armaturen draai je de losse kap juist een slag om de buis heen.
Zit er een spoel in met een starter ernaast, dan is het een conventioneel voorschakelapparaat. De snelste route is de starter vervangen door de dummystarter die bij de ledbuis zit. Netter is de ballast en de condensator eruit halen en 230 volt rechtstreeks naar de fitting brengen, want dan verlies je geen vermogen meer in de spoel. Die condensator van een tl-lamp is de compensatiecondensator en die heeft een ledbuis niet nodig.
Zie je geen starter, dan zit er een elektronische ballast in en dan moet die er hoe dan ook uit. Een ledbuis werkt daar zelden op. Voor het aansluitschema van een dubbele tl-armatuur geldt dan: beide fittingen krijgen 230 volt parallel, elk met hun eigen fase en nul volgens het schema dat de fabrikant van de buis meelevert.
Let bij het ombouwen op één ding dat mensen verrast. Na de ombouw staat er netspanning op de pennen van de fitting zodra de schakelaar aan is. Plak daarom een sticker op het armatuur dat het omgebouwd is, en schakel altijd de groep uit voordat je een buis wisselt. Het stap-voor-stap wisselen zelf staat bij een tl-buis vervangen en de starter beoordelen.
| Wat erin zit | Hoe je het herkent | Wat je doet bij een ledbuis | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| Conventionele ballast met starter | Zware spoel plus een draaistarter | Starter vervangen door de meegeleverde ledstarter | Ballast blijft verbruiken, dat kost een paar watt |
| Conventionele ballast, netjes omgebouwd | Zelfde armatuur | Ballast en condensator eruit, 230 volt naar de fitting | Volg het schema van de buisfabrikant |
| Elektronische ballast (HF) | Geen starterhouder te vinden | Ballast verwijderen, rechtstreeks bedraden | Zonder ombouw doet een ledbuis het meestal niet |
| Dubbel armatuur met twee buizen | Twee starters of een dubbele HF-ballast | Beide fittingen parallel op 230 volt | Bij een dubbele tl armatuur elke buis apart controleren |
| Eenzijdige aansluiting | Op de buis staat fase en nul aan één kant | Alleen die kant bedraden | Aan de andere kant staat dan geen spanning, dat is de bedoeling |
| Tweezijdige aansluiting | Fase aan de ene kant, nul aan de andere | Beide kanten bedraden | Verwissel je dat, dan brandt hij niet |
| PL-S met 2 pennen (2P) | Blokje met twee platte pennen, starter ingebouwd | PL-S led kiezen die op de ballast mag, of ombouwen | Bij een pl lamp ombouwen naar led de doos goed lezen |
Een sensor, een schemerschakelaar en een tijdklok doen niet hetzelfde
Het woord sensor dekt drie heel verschillende dingen, en de meeste klachten komen doordat mensen het ene kopen en het andere verwachten. Een bewegingsmelder reageert op warmte die beweegt, een schemerschakelaar reageert alleen op omgevingslicht, en een tijdschakelaar telt de klok.
Een schemerschakelaar zoals de Steinel NightMatic 2000 of de NightMatic 3000 is geen bewegingsmelder. Die schakelt aan als het donker wordt en uit als het licht wordt, en dat is precies wat mensen die zo'n lamp instellen niet verwachten. Blijft hij continu branden, draai dan de lichtregelaar helemaal naar het maantje: op het zonnetje vindt hij het altijd donker genoeg. In de handleiding staat het als lux-instelling.
Voor een buitenlamp met sensor die blijft branden, of dat nu een Philips is of een goedkope schijnwerper, werkt deze volgorde. Zet de tijdknop helemaal naar links op de kortste tijd, zet de lux-knop op het maantje, haal de spanning eraf en zet hem er na een halve minuut weer op. Zulke lampen doen bij inschakelen een zelftest van een paar minuten waarin ze gewoon branden. Is hij daarna nog aan bij daglicht, dan is de sensor defect en niet verkeerd ingesteld.
Werkt een bewegingssensor niet met led, dan is het bijna altijd de minimale belasting. Op het typeplaatje staat dan iets als 40 tot 400 watt, en dat verraadt een halfgeleideruitgang. Zo'n melder heeft een minimale stroom nodig om zichzelf te voeden en drie ledlampen van 5 watt leveren die niet. Een melder met een echt relais heeft geen ondergrens en is de aankoop die dit oplost.
Twee bewegingsmelders op één lamp kan door de geschakelde uitgangen parallel te zetten, mits beide melders een eigen nulaansluiting hebben en de fabrikant het toestaat. Sommige melders raken van slag als er spanning van buitenaf op hun uitgang komt te staan. In serie zetten werkt sowieso niet, want dan moeten ze allebei tegelijk beweging zien.
De goedkope schijnwerpers met sensor die je bij Action vindt, verkocht als Baltimore led sensor light en in de floodlight- en lichtbalkuitvoering, hebben dezelfde drie regelaars als de duurdere merken: tijd, lux en gevoeligheid. De gebruiksaanwijzing is een vouwblaadje dat vaak in de doos achterblijft, en zonder dat blaadje is de betekenis van de drie knopjes vooral proberen. Sommige sensorlampen, zoals de Livarno-serie van Lidl, koppel je via een app aan elkaar. Kijk voor de aankoop of dat via een eigen hub loopt of via een open standaard, want anders staat de ene lamp los van de andere.
Twee dingen aan het plafond die op verlichting lijken maar het niet zijn: een armatuur met een ingebouwde rookmelder, en een flitslamp van een alarminstallatie aan de gevel. Bij de eerste controleer je of de melder los te testen is, bij de tweede dat hij op zijn eigen kring zit en niet meeschakelt met het buitenlicht. Een deurlamp met sensor naast de voordeur hoort er wel bij.
| Type | Waar hij op reageert | Waar hij goed in is | Waar hij mis op gaat |
|---|---|---|---|
| PIR-bewegingsmelder | Warmte die beweegt | Trapkast, berging, gevel | Kijkt niet door glas, reageert op een kat of warme luchtstroom |
| HF- of radarmelder | Beweging door materiaal heen | Toilet of gang waar de melder onzichtbaar moet zijn | Schakelt door een dichte deur heen, dus niet in een kast |
| Schemerschakelaar (NightMatic 2000 en 3000) | Alleen op omgevingslicht | Gevellamp die van schemer tot ochtend brandt | Lux-knop op zon betekent altijd aan |
| Tijdschakelaar of astroklok | De klok en de datum | Anti-inbraakverlichting binnen tijdens vakantie | Lege gangreserve na een stroomonderbreking |
| Deurschakelaar | De deur die opengaat | Trapkast, meterkast, kledingkast | Vaak speelgoedkwaliteit en bedoeld voor soepel snoer van 0,75 mm2 |
| Lichtbron met sensor erin | Beweging vlak voor de lamp | Kelderkast, berging, buitendeur | Moet vrij zicht hebben, dus niet achter een glazen kap |
| Buitenlamp met timer | Nalooptijd na beweging | Oprit en achterpad | Te lange nalooptijd laat de lamp de halve nacht branden |
Buitenverlichting, tuin en schutting
Buiten draait alles om twee dingen: water eruit houden en de juiste kabel gebruiken. De IP-code op het armatuur zegt het eerste. Een lamp met IP20 hoort binnen, aan de gevel begint het bij IP44 en op een plek waar de regen er echt tegenaan slaat neem je IP65.
Een buitenlamp monteren op een muur doe je met de wartel naar beneden, met de meegeleverde rubberring tussen armatuur en gevel, en met het afwateringsgaatje aan de onderkant open. De meeste lampen die volgelopen zijn, hingen ondersteboven of misten die ring. Voor een hoek is er een aparte hoekbeugel of een hoekmodel; een vlakke lamp op een hoek scheef trekken geeft altijd een kier.
Kortsluiting door water in een buitenlamp merk je doordat de aardlekschakelaar eruit gaat bij de eerste flinke bui. Haal de lamp open, laat hem drogen, en kijk vooral naar de lasdoos erachter: negen van de tien keer staat daar het water in en niet in het armatuur zelf. Een aparte doos met gelvulling lost dat definitief op.
Voor de tuin geldt: een grondkabel die je ingraaft moet daar tegen kunnen. Gewoon soepel snoer hoort niet in de grond, en welke ader je nodig hebt bij welke lengte en belasting reken je na met de kiezer voor draad en kabel. Graaf diep genoeg dat een spade er niet bij kan, in de praktijk zo'n 60 cm, en leg de kabel in een zandbed.
Tuinverlichting doorlussen gebeurt bij een 12 volt-systeem met de klikconnectoren van dat merk. Bij 230 volt hoort elke aftakking in een waterdichte doos. Verlichting op een houten schutting werk je weg in een kabelgoot aan de achterkant of onder de afdeklat; nietjes door de kabelmantel zijn de oorzaak van de meeste kortsluiting in tuinverlichting. Ook in een tuinhuis geldt dat de bekabeling in buis of goot hoort en niet los langs de wand.
| IP-code | Wat hij tegenhoudt | Waar dat past |
|---|---|---|
| IP20 | Alleen aanraking, geen water | Binnen, buiten de badkamerzones |
| IP23 | Vallende druppels onder een hoek | Diep overdekt, bijvoorbeeld onder een breed overstek |
| IP44 | Spatwater van alle kanten | Gevel, carport, tuin, badkamer buiten de natte zone |
| IP54 | Stof en spatwater | Schuur, berging, spots onder de dakgoot |
| IP65 | Straalwater en stofdicht | Douche, gevel op het zuidwesten, dakoverstek waar regen inwaait |
| IP67 | Tijdelijke onderdompeling | Grondspots en verlichting langs een vijverrand |
| IP68 | Blijvend onder water | In de vijver zelf |
Indirecte verlichting maken met ledstrips en een verlaagd plafond
Indirecte verlichting op het plafond zelf maken is populair en het gaat vaker mis dan goed, om één reden: strijklicht. Licht dat vlak langs een wand of een plafond scheert, laat elke oneffenheid zien. In een kleine ruimte met een niet perfect vlakke wand is dat merkbaar, en dan zie je de stucnaden waar je eerst overheen keek.
Werkt het wel, dan is een verlaagd plafond met led een van de mooiste dingen die je kunt bouwen. De kern is een plafondplaat die de wand niet raakt, met een spleet van 5 tot 7 cm ertussen waarin de ledstrip licht naar boven werpt. Een zwevend plafond met ledverlichting werkt precies zo, alleen loopt de spleet dan rondom.
Houd er bij het ontwerp rekening mee dat de strip ooit stukgaat. Wij zien plannen langskomen met een sponning van 14 mm hoog en 22 mm diep, en daar krijg je met normale vingers nooit meer een strip in of uit. Maak de opening royaal, of monteer de strip in een aluminium ledprofiel dat je later los kunt lichten.
De rand van de gipsplaat krijg je strak met een stucstopprofiel; dat is precies waarvoor het gemaakt is en het dekt de lichtspleet niet af als je het goed zet. Er bestaan ook instucbare ledprofielen, maar daar kijk je vaak recht in de led en dan is het effect van indirect licht juist weg.
Rond een lichtstraat werkt ledverlichting in de opstand hetzelfde als in een koof: de strip zit tegen de opstaande kant en schijnt naar het glas toe, zodat je de losse punten niet ziet. Kies daar een uitvoering die tegen warmte kan, want onder glas op het zuiden loopt de temperatuur in de zomer flink op.
Voor het wegwerken van de strip zelf geldt overal hetzelfde: een aluminium profiel met een matte afdekking. Zonder profiel zie je losse stippen in het keukenblad of in de tegels, en dat is bij een ledstrip onder een plank net zo storend als bij een sfeerstrip van een merk als Hue. De driver hoort op een plek te zitten waar je later bij kunt, dus niet ingebouwd achter een dichtgezette plaat.
| Toepassing | Spanning | Vermogen per meter | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| Sfeerlicht in een koof | 12V of 24V | 5 tot 10 watt | Bij lengtes boven 5 meter is 24V rustiger |
| Werklicht onder een keukenkast | 24V | 10 tot 14 watt | Profiel met matte kap, anders zie je stippen in het blad |
| Rondom een verlaagd plafond | 24V | 10 tot 14 watt | Boven de 10 meter vanaf twee kanten voeden |
| Ledstrip in een badkamernis | 12V of 24V, waterdicht | 5 tot 10 watt | IP65-strip, driver buiten de natte zone |
| Traptreden van een open trap | 12V of 24V | ongeveer 5 watt | Per trede een stuk, of één strip in een groef in de muur |
| Onder een plank of in een nis | 12V | 5 watt | Voeding vanaf de achterkant, anders zie je het snoer |
| RGB of RGBW sfeerstrip | 24V | 14 tot 20 watt | Veel verbruik voor weinig licht, warmwit is zuiniger |
Licht dat knippert, zoemt of uitvalt
Werkt er iets niet, houd dan de volgorde aan: lichtbron, armatuur, driver of trafo, schakelaar, groep. Draai eerst een lamp waarvan je zeker weet dat hij goed is in een ander armatuur. Doet hij het daar wel, dan ligt het niet aan de lamp maar aan de fitting, de contactveer of de bedrading.
Een lamp die het niet doet terwijl er wel stroom staat, is meestal een contactprobleem. De middencontactveer in een E27-fitting wordt na jaren plat gedrukt; met de groep uit kun je die voorzichtig een millimeter omhoog buigen. Doet een lamp het ineens niet meer nadat je aan de kap hebt gezeten, dan zit er een ader los onder een klem.
Knipperen de lampen in het hele huis, en gaan er ook apparaten kapot, dan ligt het niet aan een lamp. Dat patroon past bij een slechte nulverbinding in de aansluiting, waardoor de spanning op de ene fase te hoog wordt en op de andere te laag. Lampen die door piekspanning sneuvelen zijn daar het eerste teken van. Bel in dat geval de netbeheerder en wacht niet af.
Flikkerende lampen in één ruimte komen bijna altijd door de dimmer of door een slechte verbinding. Een faseaansnijdingsdimmer voor gloeilampen kan een ledlamp niet aan, en dan flikkeren de lampen en zoemt het armatuur. Twee dimmers achter elkaar zetten werkt sowieso niet: een armatuur met een eigen dimmer aan de kap hoort achter een gewone schakelaar en niet achter een wanddimmer.
Zoemende of brommende verlichting heeft drie klassieke oorzaken. Een niet-dimbare lamp op een dimmer, een magnetische trafo die overbelast is, en een tl-armatuur waar een bewegingsmelder met een halfgeleideruitgang voor zit. Dat laatste hoor je in de ballast en niet in de melder, wat het zoeken zo verwarrend maakt.
Een staande lamp met een aanraakdimmer in de stang is een geval apart. Zo'n touch-lamp, zoals de Costanza van Luceplan met zijn R7S-staaflamp, gaat soms vanzelf aan doordat de aanraakelektronica reageert op vocht of op storing op de leiding. Die elektronica is ook het onderdeel dat het eerst kapotgaat. Wie zo'n lamp wil ombouwen naar led, kan een R7S-ledstaaf van de juiste lengte proberen, maar reken erop dat het dimmen dan hapert of helemaal wegvalt.
Kortsluiting in een lamp oplossen begint bij de laatste plek waar je aan hebt gezeten. Een losgesprongen ader onder een klem, een draadje dat tussen kap en armatuur bekneld raakte, of vocht in een doos zijn samen de oorzaak van vrijwel elke groep die eruit klapt zodra je inschakelt. Een oplaadbare lamp die steeds uitvalt, zoals een kampeerlantaarn van Barebones, heeft daarentegen bijna altijd een versleten accu of een vies laadcontact.
| Wat je ziet of hoort | Meest voorkomende oorzaak | Wat je eraan doet |
|---|---|---|
| Ledlamp knippert en valt daarna uit, komt later terug | Driver wordt te warm in een dicht armatuur | Lamp met minder vermogen of een armatuur dat lucht doorlaat |
| Ledlamp brandt zwak na terwijl de schakelaar uit staat | Controlelampje in de schakelaar of inductie op een lange leiding | Controlelampje eruit, of een ontstoringscondensator parallel aan de lamp |
| Ledlamp gaat vanzelf aan en uit | Restspanning of een dimmer die de lamp niet aankan | Dimbare uitvoering nemen of de dimmer vervangen |
| Ledlamp brandt minder fel dan eerst | Driver loopt terug door warmte, of stof op de kap | Kap reinigen en de ventilatie rond de lamp verbeteren |
| Alle lampen in huis flikkeren tegelijk | Grote schakelende belasting of een slechte nulverbinding | Bij herhaling de netbeheerder bellen |
| Lampen en apparaten gaan willekeurig kapot | Onderbroken nul, te hoge spanning op een fase | Direct de netbeheerder bellen, zelf niets proberen |
| Lamp zoemt of bromt hoorbaar | Niet-dimbare lamp op een dimmer, of een oude trafo | Dimbare lamp plaatsen of de trafo vervangen |
| Tl-armatuur bromt sinds er een melder voor zit | Melder met triac-uitgang op een inductieve last | Melder met relaisuitgang kopen |
| Ledspots vallen na een half uur uit | Thermische beveiliging van de driver | Isolatie weghalen of luchtdichte spots met ruimte erboven |
| Tl-buis gaat even aan en dan weer uit | Versleten buis of starter, of te koud in de ruimte | Starter vervangen, daarna de buis |
| Halogeenlamp knippert | Slecht contact in de fitting of een versleten trafo | Fitting nazien, dan de trafo doormeten |
| Buitenverlichting knippert na regen | Vocht in het armatuur of in de lasdoos erachter | Openen, drogen, ring vervangen en de doos waterdicht maken |
| Kortsluiting zodra je inschakelt | Ader onder een klem uit, of vocht in een doos | Groep uit, alle verbindingen langs, aders opnieuw klemmen |
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een GU10 en een GU5.3 fitting?
De GU10 werkt op 230 volt en heeft twee dikke pennen met een verdikking aan het eind, op ongeveer 10 mm van elkaar; je duwt hem in en draait een kwartslag. De GU5.3 werkt op 12 volt, heeft twee dunne rechte pennen op 5,3 mm en steek je recht in. Een GU10 heeft geen trafo nodig, een GU5.3 wel. Zit er dus een transformator in het plafond, dan zijn het bijna zeker 12 volt-spots.
Kan ik een lamp ophangen zonder boren?
Voor een licht armatuur kan het door de twee schroefpunten in de centraaldoos te gebruiken of een bestaand gat opnieuw te benutten met een haak. Een lamp ophangen met montagekit aan een plafond raden we af: de kit hecht matig op stuc en verf en verweekt door de warmte van het armatuur. Wil je in een huurhuis helemaal niets beschadigen, dan is een lamp op batterijen met een sensor de veiligste uitweg, zeker voor een badkamerlamp zonder boren.
Hoeveel spotjes heb ik nodig in de badkamer?
In een badkamer van 2 bij 2 meter kom je met vier spots van 350 tot 450 lumen goed uit, in een badkamer van 3 bij 2 meter met vijf of zes. Houd 80 tot 100 cm tussen de spots aan. Belangrijker dan het aantal is waar ze hangen: zet ze niet recht boven de spiegel, want dan sta je in je eigen schaduw, maar iets naar voren. Reken in een lichtplan de spot boven de douche apart mee, want die moet een hogere IP-klasse hebben.
Kan ik twee of drie hanglampen op één lichtpunt aansluiten?
Ja, dat is gewoon toegestaan. Je sluit ze parallel aan in een lasklem in de centraaldoos: alle bruine aders bij elkaar, alle blauwe bij elkaar, en de aarde erbij als de armaturen die hebben. Bij drie lampen op een lichtpunt wordt het krap in de doos en is een baldakijn voor meerdere snoeren netter. In serie schakelen mag niet, want dan krijgt elke lamp maar een deel van de spanning en brandt niets goed.
Welke draad is L en welke is N bij een lamp?
L is de fase en die is in nieuwe bedrading bruin; N is de nul en die is blauw. Groen-geel is altijd de aarde. Uit een centraaldoos komt de geschakelde draad vaak zwart, en die gaat op L. In oude installaties zie je rood, wit en grijs door elkaar, en dan is meten de enige zekerheid. Verwissel L en N niet uit gemak, ook al brandt de lamp dan gewoon: bij onderhoud verwacht de volgende persoon de fase op L.
Mijn lamp heeft geen aardedraad, mag dat?
Dat mag als het armatuur dubbel geïsoleerd is. Je herkent dat aan twee vierkantjes in elkaar op het typeplaatje, en veel kunststof armaturen en Ikea-lampen zijn zo uitgevoerd. De groen-gele draad uit het plafond dop je dan af in de doos in plaats van hem weg te knippen, want een volgende lamp kan hem nodig hebben. Een metalen armatuur zonder dat teken hoort wel geaard, en buitenlampen van metaal helemaal.
Mijn plafonnière gaat niet open, hoe krijg ik het kapje eraf?
Kijk eerst welk systeem erop zit. Een kap met een schroefrand draai je linksom terwijl je de hele rand met vlakke hand omvat; een rubber huishoudhandschoen of een zuignap geeft daarbij veel meer grip dan je vingers. Hangt de kap aan drie stelschroefjes, dan draai je die los en laat je het glas zakken. Een bajonetkap duw je eerst een paar millimeter omhoog en draai je pas daarna.
Zit hij daarna nog vast, dan is het zelden het schroefdraad zelf maar overgeschilderde verf of een verdroogde rubberring. Snijd de naad rondom los met een afbreekmes en werk in kleine stukjes rond de kap, zodat je de rand niet uit het armatuur wrikt. Zet de groep uit voordat je begint, want zodra het kapje loskomt zit je met je hand vlak bij de fitting.
Hoe kort ik een hanglamp in?
Meestal hoeft er niets geknipt te worden. In de baldakijn zit een snoerklem waarmee je het snoer op hoogte vastzet en het overtollige stuk opgerold in de kap laat zitten. Moet het echt korter, knip dan af, strip de aders opnieuw, zet ze op de klemmen en breng de trekontlasting terug aan. Zonder die trekontlasting hangt het gewicht van de lamp aan de klemmetjes en gaat de verbinding op termijn haperen.
Hoe weet je of een trafo kapot is?
Begin met een lamp waarvan je zeker weet dat hij goed is. Doet die het ook niet, meet dan met een multimeter op wisselspanning aan de secundaire kant. Een wikkeltrafo hoort onbelast rond zijn nominale waarde te geven, dus zo'n 11 tot 13 volt bij een 12 volt-type. Een elektronische halogeentransformator geeft onbelast vaak niets, want die start pas onder belasting: trafo doormeten heeft daar alleen zin met een lamp eraan.
Welke beltrafo heb ik nodig voor een videodeurbel?
Kijk naar het vermogen in VA en niet alleen naar de volt. Voor de bedrade stand vragen fabrikanten van videodeurbellen meestal 8 tot 24 volt wisselspanning en meer dan 10 VA. Een deurbel trafo van 8 VA voldoet daar niet aan, ook niet als je hem op de 24 volt-klem zet, want dan zakt de stroom mee naar 0,33 ampère. Een bel trafo van 12, 18 of 25 VA is de veilige keuze; een zwaardere trafo neemt wel meer breedte in de groepenkast in.
Waarom blijft mijn buitenlamp met sensor branden?
Zet eerst de tijdknop op de kortste stand en de lux-knop helemaal op het maantje, haal daarna de spanning eraf en zet hem er weer op. Zulke lampen branden bij het inschakelen een paar minuten als zelftest. Kijk ook of er nog een beschermsticker op de lens zit. Blijft de lamp met sensor branden bij daglicht terwijl de lux-knop op het maantje staat, dan is de sensor defect. Dat komt vaker voor bij nieuwe lampen dan je zou denken.
Hoe bouw ik een dubbele tl armatuur om naar led?
Kijk eerst wat erin zit. Zitten er twee starters, dan kun je die vervangen door de meegeleverde ledstarters en ben je klaar. Wil je het netjes, of zit er een elektronische ballast in zonder starterhouder, dan moeten de ballast en de compensatiecondensator eruit en breng je 230 volt rechtstreeks naar de fittingen. Volg het aansluitschema dat bij de buis zit, want de ene ledbuis is eenzijdig aangesloten en de andere tweezijdig.
Waarom knipperen de lampen in mijn hele huis?
Als de lampen in huis knipperen op het moment dat een pomp, een warmtepomp of een inductiekookplaat inschakelt, is dat een spanningsdip en meestal onschuldig. Flikkeren alle lampen zonder aanleiding, gebeurt het bij de buren ook, of gaan er ook apparaten kapot, dan wijst dat op een slechte nulverbinding in de aansluiting. Dat is geen klus voor jezelf: bel de netbeheerder, want een onderbroken nul geeft te hoge spanning op een deel van de installatie.
Waarom brandt mijn ledlamp zwak of gaat hij vanzelf aan en uit?
Er komt een klein beetje stroom bij de lamp terwijl de schakelaar uit staat. De bekendste oorzaken zijn een controlelampje in de schakelaar, een tijdklok die zichzelf via de lamp voedt, en capacitieve koppeling in een lange leiding waar de fase naast de geschakelde ader ligt. Het controlelampje eruit halen lost het meestal op; anders zet je een ontstoringscondensator of een lastweerstand parallel aan de lamp.
Hoe maak ik een ledlamp minder fel of warmer van kleur?
De felheid van een lamp regel je het netst met een dimbare lamp en een dimmer die voor led geschikt is. Kan dat niet, kies dan een lamp met minder lumen of een mat kapje in plaats van helder glas. Voor een snelle ingreep bestaat dimfolie en led folie in warm licht, die je op de kap of over een fel controlelampje plakt. Een lamp met drie standen, in de winkel 3 step dim genoemd, dim je met de schakelaar zelf zonder dimmer.
Welke grondkabel gebruik ik voor tuinverlichting?
Voor 230 volt in de tuin gebruik je een kabel die geschikt is om in te graven, met een mantel die tegen vocht en mechanische belasting kan. Gewoon soepel snoer of installatiedraad hoort daar niet. Welke doorsnede je nodig hebt hangt af van de lengte en de belasting, en dat reken je na met onze hulp bij het kiezen van kabel. Graaf zo diep dat een spade er niet bij kan, in de praktijk rond de 60 cm, en leg de kabel in een bedje zand.
Wat betekent het symbool voor noodverlichting op een tekening?
Op het armatuur zelf staat het bekende groene pictogram met de rennende figuur, eventueel met een pijl naar de vluchtrichting. Op een installatietekening is het symbool van noodverlichting minder eenduidig: het is meestal het armatuursymbool met een extra aanduiding, en welke precies verschilt per tekenbureau en per land. Kijk daarom altijd in de legenda van de tekening zelf in plaats van uit te gaan van een standaard.
Hoe repareer ik kerstverlichting die het niet meer doet?
Bij oudere snoeren staan de lampjes in serie en valt de hele reeks uit door één kapot lampje; die zoek je met een lampje-voor-lampje-test of met een speciale tester. Bij moderne ledsnoeren zit het probleem meestal in het kastje met de programma's of in de voeding, en dat is zelden de moeite van repareren waard. Controleer bij een snoer voor buiten altijd eerst of er geen water in de stekkerverbinding staat.
Kan ik verlichting draadloos schakelen zonder nieuwe leidingen?
Ja, en dat is vaak de goedkoopste oplossing als er geen leiding ligt. Met een systeem als klik aan klik uit zet je een ontvanger achter de lamp of in de centraaldoos en plak je de zender als losse schakelaar op de wand. Voor spotjes en armaturen met een eigen module werkt dat net zo. Let er wel op dat een ontvanger achter een dimbare lamp niet zomaar dimt, en dat een lamp draadloos schakelen niet betekent dat de vaste schakelaar mag vervallen.
Ik zocht op een knipperend lampje van een apparaat, hoort dat hier?
Nee. Een controlelampje op een apparaat is een signaal van de besturing en staat los van de verlichting in huis. Dat geldt voor het witte, gele of rode lampje van een Franke boiler, het rode lampje dat blijft knipperen op een Delonghi Magnifica S, en het lampje voor glansspoelmiddel in een vaatwasser. Hetzelfde geldt voor de knipperende lampjes bij een storing van een Bosch Maxx 7 Sensitive, het rode lampje van een Miele T1 Excellence, het standby lampje van een Philips tv dat niet aan gaat of dat je wilt uitzetten, het rode lampje op een Eufy HomeBase en het groene lampje van een SMA Sunny Boy omvormer.
Wat een kleur en een knipperritme daar betekenen, verschilt per model. Zoek op het typenummer van het plaatje aan de achterkant en pak de handleiding erbij. Stoort zo'n lampje alleen 's nachts, dan is een reepje dimfolie of tape over de led de simpelste oplossing.
Is het gevaarlijk om een lamp de hele dag aan te laten?
Bij led is een lamp aan laten niet gevaarlijk, zolang het armatuur zijn warmte kwijt kan en de lamp niet ingebouwd zit tussen isolatiemateriaal. Bij halogeen ligt dat anders: die wordt zo heet dat een gordijn of een stapel papier ertegenaan een reëel risico is. Een oude wikkeltrafo die permanent onder spanning staat en heet aanvoelt, hoort ook niet dag en nacht te draaien.