Wisselschakelaar aansluiten zonder te gokken met de draden
Een wisselschakelaar heeft drie aansluitingen: een moedercontact en twee wisselcontacten. Zet je er twee in dezelfde schakeling, dan bedien je een lamp vanaf twee plekken. De hele klus draait om twee dingen: weten welk gaatje het moedercontact is, en per aansluiting maar een ader gebruiken. Gaat er iets mis, dan zit de fout bijna altijd in die twee punten en niet in de schakelaar zelf.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Tweepolige spanningstester, ook wel duspol genoemd
- Multimeter met een doorbelstand of weerstandsstand
- Geïsoleerde schroevendraaiers, sleuf 3 mm en kruis PZ1
- Striptang voor installatiedraad van 1,5 mm²
- Zijkniptang
- Verhuisfitting met een lamp erin als testlamp
- Zaklamp of hoofdlamp voor in de inbouwdoos
- Telefoon om de oude aansluiting te fotograferen
Materiaal
- Wisselschakelaar of dubbele wisselschakelaar met bijpassende afdekplaat
- Inbouwdoos van 55 mm als het oude materiaal met klauwen vastzat
- Lasklemmen met hefboompje voor doorverbindingen en losse aders
- Installatiedraad 1,5 mm² in bruin en zwart voor korte brugjes
- Gekleurde kabeltapjes of tape met een viltstift om aders te labelen
Wat een wisselschakelaar doet
Een wisselschakelaar is geen aan-uitschakelaar. Hij heeft drie aansluitingen en verbindt het gemeenschappelijke contact afwisselend met het ene of het andere wisselcontact. Er is dus geen stand waarin hij helemaal open staat, hij wisselt alleen van uitgang.
Die eigenschap betaalt zich pas uit als je er twee gebruikt. Met 2 wisselschakelaars 1 lamp bedienen is precies waarvoor dit type gemaakt is: beneden aan de trap aan, boven weer uit, en de volgende keer andersom. In huis heet dat een hotelschakeling, en dat is verreweg de vaakst voorkomende reden om een wisselschakelaar aan te sluiten. Wie eerst wil zien hoe dit type zich verhoudt tot de andere schakelaars in een woning, begrijpt meteen waarom de bedrading anders loopt dan bij een gewone lichtschakelaar.
Je kunt een wisselschakelaar ook los gebruiken als gewone aan-uitschakelaar. Sluit dan de fase aan op het moedercontact en de lampdraad op een van de twee wisselcontacten, en laat het derde contact leeg. Dat werkt prima en is een handige uitweg als je er per ongeluk twee te veel hebt gekocht.
In een Nederlandse woning schakel je enkelpolig. Een wisselschakelaar enkelpolig aansluiten betekent dat alleen de bruine fase door de schakelaar loopt en dat de blauwe nul rechtstreeks doorgaat naar het armatuur. De nul komt nooit op een wisselschakeling terecht, en zie je hem toch in de doos liggen, dan hoort hij bij een stopcontact of bij een doorlus naar een volgend punt.
Verschil tussen een wisselschakelaar, een serieschakelaar en een kruisschakelaar
Het verschil tussen serie en wisselschakelaar is in een zin te vangen. Met een serieschakelaar schakel je twee lampen vanaf een plaats, met twee wisselschakelaars schakel je een lamp vanaf twee plaatsen. Wie voor de keuze serie of wisselschakelaar staat, hoeft dus alleen te bedenken of hij meer lampen wil of meer bedieningspunten.
Van buiten lijken ze op elkaar, want een serie- en wisselschakelaar hebben allebei drie aansluitingen. Van binnen zijn ze totaal verschillend. Bij een serieschakelaar zijn de twee fasecontacten intern doorverbonden, zodat een bruine ader beide wippen voedt. Bij een wisselschakelaar is dat ene contact juist het draaipunt waar de fase of de lampdraad op komt, en de twee andere contacten zijn de uitgangen die om en om worden aangesloten. Verwissel je die rollen, dan schakelt er wel iets, maar niet wat je wilt. Hoe je twee lichtpunten vanaf een plek los van elkaar bedient staat bij de serieschakelaar en zijn bedrading.
De kruisschakelaar is het derde type. Het verschil kruis en wisselschakelaar zit in het aantal aansluitingen en in de plaats in de keten: een kruisschakelaar heeft vier aansluitingen, geen moedercontact, en hij zit altijd tussen twee wisselschakelaars in. Hij verwisselt de twee wisseldraden van plek. Alleen daarom kun je er een derde en een vierde bedieningspunt mee maken.
| Type schakelaar | Aansluitingen | Wat je ermee kunt | Waar hij meestal zit |
|---|---|---|---|
| Enkelpolige lichtschakelaar | 2 | Een lamp vanaf een plaats aan en uit | Slaapkamer, berging, zolder |
| Wisselschakelaar | 3: een moedercontact en twee wisselcontacten | Een lamp vanaf twee plaatsen, samen met een tweede wisselschakelaar | Trap, gang, slaapkamer met bediening bij de deur en bij het bed |
| Serieschakelaar | 3, waarvan twee intern doorverbonden | Twee lampen los van elkaar vanaf een plaats | Woonkamer met twee lichtpunten, badkamer met licht en ventilator |
| Kruisschakelaar | 4 | Het derde en volgende bedieningspunt van dezelfde lamp | Lange gang, open trappenhuis, doorloopkamer |
| Dubbele wisselschakelaar, ook wissel-wisselschakelaar genoemd | 6, twee keer drie | Twee losse wisselschakelingen achter een afdekplaat | Hal met gangverlichting en een buitenlamp |
| Combinatie wisselschakelaar met stopcontact | 3 voor de schakelaar, 3 voor het stopcontact | Wisselschakeling plus een randaardestopcontact in dezelfde doos | Overloop, zolderkamer, werkkast |
| Dubbelpolige wisselschakelaar | 6 | Wisselen waarbij ook de nul mee wordt onderbroken | Werkschakelaars en installaties waar de nul niet betrouwbaar is |
De draden in de schakelaardoos herkennen
Bruin is de fase, blauw is de nul, zwart en grijs zijn schakeldraden en groen-geel is de aarde. Bij een wisselschakeling gaat het vooral om de zwarte aders, want daarin lopen de twee wisseldraden en de lampdraad.
Een wisselschakelaar aansluiten met 3 draden is de normale situatie. Bij de klassieke uitvoering komen er per schakelaar drie aders binnen. Bij de eerste schakelaar is dat een bruine fase met twee zwarte wisseldraden. Bij de tweede schakelaar zijn het drie zwarte: de twee wisseldraden plus de zwarte lampdraad die naar het armatuur loopt. Wie dus een wisselschakelaar met 3 zwarte draden voor zich heeft, staat vrijwel zeker bij de schakelaar waar de lamp aan hangt.
Daarnaast bestaat er een aderbesparende uitvoering. Die herken je meteen, want dan zit er bij beide schakelaars een bruine ader en meestal zelfs twee, omdat de fase door de doos wordt gelust naar een volgend punt. Die twee bruine aders verbind je met een lasklem en verder laat je ze met rust, tenzij dit de schakelaar is waar de fase de schakeling in gaat.
Vertrouw in oudere woningen niet blind op kleur. In installaties van voor de jaren zeventig kom je zwarte fasedraden en allerlei andere combinaties tegen, en in België is rood ook een gangbare fasekleur. Moet je een ader bijtrekken omdat er een tekort is, kijk dan in de draad- en kabelkiezer welke kabel en welke doorsnede bij die groep horen.
| Ader | Kleur | Waar hij vandaan komt | Waar hij hoort |
|---|---|---|---|
| Fase | Bruin, in oude installaties soms zwart of rood | Uit de groepenkast via de centraaldoos | Op het moedercontact van de eerste wisselschakelaar |
| Wisseldraad | Zwart, in een vijfaderige kabel ook grijs | Loopt van de ene schakelaar naar de andere | Op een wisselcontact, een ader per contact |
| Lampdraad | Zwart | Loopt naar het armatuur | Op het moedercontact van de tweede wisselschakelaar |
| Nul | Blauw | Uit de centraaldoos | Rechtstreeks naar het armatuur, niet op de schakelaar |
| Aarde | Groen-geel | Uit de centraaldoos | Naar het armatuur, kunststof schakelmateriaal heeft hem niet nodig |
| Doorlus van de fase | Tweede bruine ader | Gaat verder naar een volgend punt | Samen met de eerste bruine ader in een lasklem |
Zit er meer dan een fase in de doos, stop dan. Twee bruine aders die uit verschillende groepen komen horen niet in dezelfde inbouwdoos en al helemaal niet op een schakelaar. Na het uitschakelen van de ene groep staat er dan nog steeds spanning op de andere ader, en dat is precies het scenario waarin je een klap krijgt terwijl je denkt dat alles uit is.
Het moedercontact vinden op jouw schakelaar
Elke wisselschakelaar heeft een contact dat anders is dan de rest. Dat is het moedercontact, ook wel het gemeenschappelijke contact genoemd. Fabrikanten duiden het aan met een L, met een P, met een rode stip of met een pijl die naar binnen wijst, terwijl de pijlen bij de wisselcontacten naar buiten wijzen.
Op ouder Nederlands schakelmateriaal staan de letters P en S. Het p contact van een wisselschakelaar is de fase-aansluiting en dus het moedercontact, en de contacten met een S zijn de schakelcontacten. Vervang je zulk materiaal, noteer dan eerst welke ader op de P zat, want dat is de enige aanwijzing die je later nog hebt.
Staat er niets bruikbaars op en zit er geen kaartje in de verpakking, dan meet je het gewoon door. Zet je multimeter op de doorbelstand en houd een pen op het contact dat je verdenkt. Ga met de andere pen langs de overige contacten, eerst met de wip omhoog en daarna met de wip omlaag. Het contact dat in beide standen met precies een ander contact verbinding maakt, is het moedercontact. Schrijf de uitkomst met viltstift op de achterkant, dan hoef je dit bij de tweede schakelaar niet nog eens te doen.
Wat bij vrijwel alle merken geldt: in een klemgat past vaak een tweede ader, maar er hoort er maar een in. Twee aders naast elkaar in hetzelfde gat verbindt twee wisselcontacten met elkaar en haalt de wisselwerking eruit. Voor het aansluiten van de losse aders geldt hetzelfde als bij een gewone lichtschakelaar aansluiten: strippen op de lengte die op de achterkant staat aangegeven en daarna trekken om te voelen of de ader vastzit.
Voor het schema zelf maakt het merk niets uit. Een Berker wisselschakelaar aansluiten gaat op dezelfde manier als een Kopp wisselschakelaar aansluiten of een Peha wisselschakelaar aansluiten, en ook bij een Gira dubbele wisselschakelaar aansluiten verandert er niets aan de logica. Het verschil zit alleen in de plaats van het moedercontact en in de manier waarop de fabrikant dat aangeeft. Heb je een Wintop wisselschakelaar of een huismerk uit de bouwmarkt in handen, dan meet je dat contact in een halve minuut door en weet je precies waar je aan toe bent.
| Merk of uitvoering | Zo herken je het moedercontact | Waar je op moet letten |
|---|---|---|
| Berker wisselschakelaar, Berker dubbele wisselschakelaar en de wissel-wisseluitvoering | Meestal het middelste contact, aangeduid met een L of een rode punt | De dubbele uitvoering heeft zes aansluitpunten en de twee helften staan los van elkaar |
| Gira 310600 en de Gira dubbele wisselschakelaar 310800 | Aanduiding L bij het moedercontact, plus een pijl op het basiselement | Bij de dubbele uitvoering heeft elke helft een eigen moedercontact |
| Kopp wisselschakelaar en Kopp dubbele wisselschakelaar | De contacten zijn in twee kleuren uitgevoerd, het middelste gat van een kleur is de moeder | De twee buitenste gaten van diezelfde kleur zijn de bijbehorende wisselcontacten |
| Jung AS500 dubbele wisselschakelaar | Drie klemmen boven en drie onder, per helft een moedercontact | Houd elke helft bij elkaar en meng de bovenste en onderste rij niet |
| Peha opbouwschakelaar in spatwaterdichte IP54-uitvoering | L bij het ingaande contact | Bedoeld voor schuur, garage en buiten, let op de wartels en de pakking |
| Niko en ander Belgisch materiaal | L1 is het moedercontact, 1 en 1' zijn de wisselcontacten | In België is rood ook een fasekleur, dus meet voordat je iets aanneemt |
| Huismerken zoals Sencys, Q-link, Wintop, OK en Roth Lange | Meestal een L of een pijl, met het schema op de achterkant of in de verpakking | Bewaar het kaartje uit de doos tot de schakeling werkt |
| Ouder Nederlands materiaal met P en S | P is het moedercontact, de contacten met S zijn de schakelcontacten | Fotografeer de oude aansluiting voordat je een ader losdraait |
Maak drie foto's voordat je de oude schakelaar losdraait: de voorkant, de achterkant met de bedrading er nog op, en een overzicht van de doos waarop je ziet welke ader uit welke buis komt. Koop je je schakelaar bij de Gamma of een andere bouwmarkt, dan zit er meestal een aansluitschema in de verpakking. Dat kaartje is achteraf meer waard dan het lijkt, dus gooi het pas weg als alles werkt.
Twee wisselschakelaars aansluiten op 1 lamp
Een wisselschakelaar aansluiten op 1 lamp gaat volgens een vast stramien. De fase komt vanuit de centraaldoos binnen op het moedercontact van de eerste schakelaar. Vanaf de twee wisselcontacten van die schakelaar lopen twee aders naar de twee wisselcontacten van de tweede schakelaar. Vanaf het moedercontact van de tweede schakelaar loopt de zwarte lampdraad naar het armatuur.
De nul en de aarde blijven daar helemaal buiten. Die gaan rechtstreeks van de centraaldoos naar de lamp. In een stroomkringschema van een wisselschakeling zie je daarom een doorlopende lijn van de fase, via twee mogelijke routes, naar de lamp, en een aparte lijn voor de nul die nergens wordt onderbroken.
Wil je een wisselschakelaar aansluiten op 2 lampen die tegelijk meeschakelen, zet die dan parallel en niet in serie. De tweede lamp krijgt dezelfde zwarte schakeldraad en dezelfde blauwe nul als de eerste, en dan branden beide armaturen op volle sterkte. Sluit je ze achter elkaar, dan krijgt elke lamp de halve spanning en zie je dat direct aan de lichtopbrengst. Hoe je het armatuur zelf afmonteert staat bij het aansluiten van een lamp, en de kant van de schakelaar bij een lamp op een schakelaar aansluiten.
| Aansluiting | Schakelaar 1, beneden aan de trap | Schakelaar 2, boven aan de trap | Waarom dat zo is |
|---|---|---|---|
| Moedercontact met L of P | Bruine fase uit de centraaldoos | Zwarte lampdraad naar het armatuur | De schakeling begint bij de fase en eindigt bij de lamp |
| Wisselcontact 1 | Eerste zwarte wisseldraad | Diezelfde eerste wisseldraad | De twee schakelaars zijn via deze ader met elkaar verbonden |
| Wisselcontact 2 | Tweede zwarte wisseldraad | Diezelfde tweede wisseldraad | Een ader per contact, ook al passen er twee in het gat |
| Blauwe nul | Niet aansluiten | Niet aansluiten | De nul loopt rechtstreeks door naar het armatuur |
| Groen-gele aarde | Niet aansluiten | Niet aansluiten | Kunststof schakelmateriaal heeft geen aardaansluiting nodig |
| Tweede bruine ader | Met een lasklem doorverbinden | Met een lasklem doorverbinden | Zo blijft de voeding naar het volgende punt in stand |
Dubbele wisselschakelaar aansluiten voor twee lampen
Een dubbele wisselschakelaar is niet een schakelaar met twee knopjes, maar twee complete wisselschakelaars achter dezelfde afdekplaat. Vandaar de zes aansluitingen, drie per helft. Wie een dubbele wisselschakelaar aansluit voor 2 lampen en 2 schakelaars, legt in feite twee losse wisselschakelingen aan die elkaar nergens raken.
Daar zit ook de grootste valkuil. Bij een serieschakelaar zijn de beide fasecontacten intern doorverbonden, dus daar volstaat een bruine ader. Bij een dubbele wisselschakelaar is dat niet zo en blijft de tweede helft dood. Moet er bij beide helften fase komen, maak die verbinding dan zelf, het liefst met een lasklem buiten de schakelaar in plaats van door twee aders in een klemgat te persen.
Het schema van een dubbele wisselschakelaar volgt verder de gewone regels: per helft een moedercontact en twee wisselcontacten, en per lamp een eigen paar wisseldraden naar de tegenoverliggende schakelaar. Voor twee lampen op twee bedieningspunten zijn dat al snel vijf tot zes aders in dezelfde buis. Past dat niet, dan is een aderbesparende opzet of een tweede buis de nette route, en niet een extra ader erdoorheen wringen.
Een combinatie wisselschakelaar met stopcontact werkt als twee losse onderdelen in een doos. Het stopcontact krijgt gewoon fase, nul en aarde, de schakelaar krijgt zijn eigen aders, en de twee delen hebben verder niets met elkaar te maken. Hoe je dat contactdeel afmonteert lees je bij het aansluiten van een stopcontact. Twijfel je over de hoogte van een nieuwe doos, dan staat in het overzicht van standaardmaten op welke hoogte schakelaars en wandcontactdozen gebruikelijk zitten.
Je kunt ook een helft anders gebruiken dan waarvoor hij bedoeld is. Wil je op dat punt een gewone aan-uitschakelaar naast een wisselschakeling, gebruik dan van die helft het moedercontact plus een wisselcontact en laat het derde leeg. Zo maak je met een dubbele wisselschakelaar een combinatie van een wisselschakeling en een los lichtpunt.
Drie of meer bedieningspunten met een kruisschakelaar
Twee bedieningspunten maak je met twee wisselschakelaars. Wil je die wisselschakelaar met 3 schakelaars uitbreiden, dan komt er een kruisschakelaar bij. Die zet je tussen de twee wisselschakelaars in, midden in het paar wisseldraden. Elk volgend bedieningspunt is opnieuw een kruisschakelaar in datzelfde paar aders.
De volgorde ligt vast. Aan het begin en aan het eind van de keten staat altijd een wisselschakelaar, alles ertussen is kruis. Zet je per ongeluk een kruisschakelaar aan een uiteinde, dan krijg je de schakeling nooit werkend, hoe je de aders ook verwisselt. Dat is meteen het antwoord op de vraag kruis of wisselschakelaar: wie zich afvraagt of hij een wisselschakelaar of kruisschakelaar moet kopen, heeft ze bij drie bedieningspunten allebei nodig, want ze doen elk iets anders in dezelfde schakeling.
Of je drie punten nodig hebt hangt van de ruimte af. Een open trappenhuis over twee verdiepingen is het klassieke voorbeeld, net als een lange gang met een deur aan beide uiteinden en een zijdeur halverwege. In een slaapkamer zie je het ook: een schakelaar bij de deur en aan weerszijden van het bed nog een. De complete opzet met drie of meer punten, inclusief de aders die je daarvoor moet trekken, staat bij de hotelschakeling met meerdere bedieningspunten.
Een kruisschakelaar als wisselschakelaar gebruiken kan trouwens wel, andersom niet. Neem dan een contact aan de ene zijde als moedercontact en de twee contacten aan de andere zijde als wisselcontacten, en laat het vierde leeg. Meet met de doorbelstand na welke contacten in welke wipstand verbinding maken, want de indeling verschilt per merk. Handig als je er nog eentje in de kast hebt liggen.
Hangt het armatuur boven een open trappenhuis, huur dan een kamersteiger of laat het doen. Een ladder met twee poten op een traptrede en twee op de overloop staat nooit stabiel, en je werkt met beide handen boven je hoofd. Een val van die hoogte is een stuk ernstiger dan de klus zelf. Dit is het punt waarop stoppen en iemand bellen de verstandige keuze is.
De lamp doet niets of blijft branden: zo zoek je de fout
Klachten over een wisselschakeling vallen vrijwel altijd in drie groepen. De lamp doet helemaal niets, de lamp blijft branden bij de wisselschakelaar en gaat met de tweede schakelaar niet uit, of de tweede schakelaar werkt alleen als de eerste in een bepaalde stand staat. Elk van die drie wijst naar een andere fout.
Blijft de lamp branden of reageert de tweede schakelaar maar half, dan zitten de wisseldraden vrijwel zeker verkeerd. De klassieker is dat ze allebei in hetzelfde klemgat zijn geduwd, want in veel schakelaars past er een tweede ader naast. Elektrisch zijn de twee wisselcontacten dan doorverbonden en is er niets meer om te wisselen. De andere klassieker is een lampdraad die op een wisselcontact zit in plaats van op het moedercontact.
Doet er helemaal niets meer iets, ook een stopcontact in dezelfde doos niet, dan zoek je niet in de schakelaar maar in de voeding. Meet de spanning tussen bruin en blauw, dus tussen fase en nul. Meten tussen bruin en zwart heeft geen zin, want dan meet je via de gloeidraad of de driver van de lamp en zie je een spanning die niets zegt. Meet je niets tussen bruin en blauw maar wel tussen bruin en een aardcontact, dan is de nul onderbroken, en die onderbreking zit in de centraaldoos of in de groepenkast.
Springt de groep of schakelt de aardlekschakelaar meteen uit zodra je inschakelt, stop dan met proberen. Dat wijst op een sluiting tussen fase en nul of tussen fase en aarde, en met nog een poging help je jezelf niet verder. Neem alles los, dop elke ader af met een lasklem en bouw de aansluiting ader voor ader opnieuw op.
| Wat je ziet | Wat er meestal aan de hand is | Wat je controleert |
|---|---|---|
| Lamp blijft branden en gaat met de tweede schakelaar niet uit | De twee wisseldraden zitten in hetzelfde klemgat | Haal een ader eruit en verplaats hem naar het andere wisselcontact |
| De tweede schakelaar werkt alleen in een bepaalde stand van de eerste | De fase of de lampdraad zit op een wisselcontact in plaats van op de moeder | Meet het moedercontact door en verwissel de aders |
| Lamp doet niets, andere punten van dezelfde groep werken wel | De verkeerde zwarte ader is als lampdraad gekozen | Verbind bruin spanningsloos een voor een met elke zwarte ader |
| Lamp en stopcontact in dezelfde doos doen allebei niets | Onderbroken nul of onderbroken fase vóór de schakelaar | Meet tussen bruin en blauw en controleer daarna de centraaldoos |
| Ledlamp gloeit na of knippert zwak | Reststroom door een oriëntatielampje of een dimmer zonder minimale belasting | Koppel het lampje af of plaats een dimmer die geschikt is voor led |
| Groep of aardlekschakelaar schakelt direct uit | Sluiting tussen fase en nul of tussen fase en aarde | Alles losnemen, aders afdoppen en per ader opnieuw opbouwen |
| Alles lijkt goed aangesloten maar niets werkt | De groep staat uit of de automaat is gesprongen | Controleer de groepenkast voordat je verder zoekt |
Een spanningszoeker met een lampje in het handvat is geen meetinstrument. Zo'n schroevendraaier licht ook op bij een capacitieve spanning op een ader die verder nergens naartoe gaat, en over de nul zegt hij helemaal niets. Gebruik een tweepolige spanningstester of een multimeter, en probeer je meter eerst uit op een stopcontact waarvan je zeker weet dat het werkt. Meet je naar aarde, laat dan de testknop voor de aardlekschakelaar op je tester met rust, want daarmee schakel je de halve woning uit.
Dimmer, controlelampje en draadloze varianten
Een dimmer met wisselschakelaar combineren kan, met een beperking: er mag maar een dimmer in de schakeling zitten. Die komt op de plaats van een van de twee wisselschakelaars en moet daarvoor een wisselstand hebben. In de winkel heet zo'n uitvoering vaak een wisselschakelaar dimmer of een dimmer met wisselstand. De andere bedieningspunten blijven gewone wisselschakelaars die alleen aan en uit doen op het ingestelde niveau. Twee dimmers in dezelfde schakeling gaat mis, want ze snijden dan allebei dezelfde fase aan. Welke uitvoering bij welk soort lamp hoort staat bij het aansluiten van een dimmer.
Een wisselschakelaar met controlelampje bestaat in twee smaken, en dat verschil bepaalt of je hem zomaar kunt plaatsen. Een oriëntatielampje brandt juist als het licht uit is, zodat je de schakelaar in het donker terugvindt. Dat lampje staat parallel over de schakelcontacten en heeft geen nul nodig, maar er loopt daardoor altijd een kleine stroom door de lamp. Bij ledverlichting zie je dat terug als nagloeien of zwak knipperen. Een wisselschakelaar met lampje dat juist brandt als het licht aan is, staat parallel over de belasting en heeft wel een blauwe nul nodig in de inbouwdoos. Bij een klassieke wisselschakeling zit die nul daar niet, dus dan moet er een ader bij.
Krijg je er geen ader bij, dan is een draadloze wisselschakelaar een reële uitweg. Je plakt of schroeft een zender op de muur en zet een ontvangermodule in de centraaldoos of achter het armatuur, waarna de bestaande schakelaar het tweede bedieningspunt blijft. Let erop dat veel modules een nul nodig hebben op de plek waar ze komen, en houd rekening met minder bereik door dikke muren. Wil je op een punt meer dan aan en uit, kijk dan ook naar een schakelaar met drie standen.
Twee termen die je tegenkomt maar zelden nodig hebt: de dubbelpolige of 2 polige wisselschakelaar en de 3 fase wisselschakelaar. De eerste onderbreekt fase en nul tegelijk en heeft in een moderne woninginstallatie met aardlekschakelaar weinig meerwaarde, ook niet in een schuur. De tweede is geen verlichtingsschakelaar maar een omschakelaar voor krachtstroom, en dat werk raakt aan meerfase-aansluitingen in de meterkast.
Zo sluit je twee wisselschakelaars aan op één lamp
Deze volgorde werkt zowel bij het vervangen van bestaand schakelmateriaal als bij een nieuwe wisselschakeling.
-
Leg de bestaande situatie vast
Fotografeer beide schakelaars van voren en van achteren voordat je een ader losdraait, en label elke draad met een gekleurd tapje of met tape en een viltstift. Noteer vooral welke ader op het moedercontact zat, herkenbaar aan de L, de P of de rode stip. Wie de oude schakelaar weggooit zonder foto, gooit de enige documentatie van zijn eigen installatie weg.
-
Schakel de groep uit en meet dat na
Zet de juiste groep in de meterkast uit en controleer daarna met een tweepolige spanningstester of er echt geen spanning meer staat, op elke ader afzonderlijk. Zet daarbij de andere wisselschakelaar een keer om, want in de ene stand kan er nog spanning op een wisseldraad staan terwijl die in de andere stand dood is. Werk aan de hoofdschakelaar in de meterkast en alles achter de hoofdzekering laat je aan een installateur over, want daar kun je de spanning niet zelf wegnemen.
-
Zoek uit welke zwarte ader naar de lamp gaat
Dop alle losse aders af met lasklemmen, verbind daarna de bruine fase met een van de zwarte aders in een lasklem en schakel de groep weer in. Brandt de lamp, dan heb je de lampdraad te pakken. Zo niet, schakel de groep opnieuw uit voordat je de volgende ader probeert. Label elke uitkomst meteen, want na drie pogingen weet je anders niet meer welke je gehad hebt.
-
Bepaal het moedercontact van de nieuwe schakelaar
Meet met de doorbelstand welk contact in beide wipstanden verbinding maakt met precies een ander contact. Dat is de moeder. Schrijf het met viltstift op de achterkant van beide schakelaars, zodat je bij de tweede niet opnieuw hoeft te meten en zodat je het over vijf jaar nog kunt terugvinden.
-
Sluit de eerste schakelaar aan
De bruine fase gaat op het moedercontact, de twee zwarte wisseldraden elk op een eigen wisselcontact. Zit er een tweede bruine ader als doorlus, verbind die dan met een lasklem in plaats van twee aders in een klemgat te steken. Trek daarna aan elke ader om te voelen of hij echt vastzit.
-
Sluit de tweede schakelaar aan
Hier gaat juist de zwarte lampdraad op het moedercontact en gaan de twee wisseldraden op de wisselcontacten. Die spiegeling is het hele idee achter de schakeling: aan de ene kant komt de fase binnen, aan de andere kant gaat hij naar de lamp. Zit er ook een stopcontact in dezelfde doos, houd dan de aders daarvan strikt gescheiden van de schakeldraden.
-
Monteer alles en test de vier standen
Haal eventuele spreidklauwen van het frame en schroef de schakelaar vast in de inbouwdoos, met de aders netjes achterlangs gevouwen zodat er niets klem komt. Schakel de groep in en probeer alle vier de combinaties: beneden aan en boven uit, beneden uit en boven aan, en beide andersom. Pas als het licht in elke combinatie doet wat je verwacht, is de schakeling goed.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Controleer dit voordat je de groep weer inschakelt
Uit de praktijk
Een combinatie van schakelaar en stopcontact die na vervanging helemaal dood was
Boven aan een trap zat een combinatie van een wisselschakelaar en een stopcontact. Die werd alleen om het uiterlijk vervangen, en daarna deed niet alleen het licht het niet meer, maar ook het stopcontact niet. In de doos zaten twee zwarte aders, een bruine en een blauwe, en uit het plafond kwamen een zwarte en een blauwe.
Er werd van alles geprobeerd: drie andere schakelaars uit andere kamers, de zwarte aders omgewisseld, de blauwe wel en niet aangesloten. Met een spanningszoeker leek er overal spanning te staan, en juist dat zette de hele zoektocht op het verkeerde been. Zo'n schroevendraaier licht ook op bij een spanning die geen enkele stroom kan leveren.
De doorbraak kwam met een tweepolige tester. Tussen bruin en blauw stond geen 230 volt, tussen bruin en het aardecontact van een verlengsnoer wel. De nul was onderbroken, en die onderbreking zat niet in de schakelaar maar in de centraaldoos erboven. Zolang de nul weg is doet geen enkele schakelaarstand iets, hoe netjes je ook aansluit.
Twee wisseldraden in hetzelfde gaatje van een Gira 310800
De lamp op een overloop moest bediend worden vanaf de begane grond en vanaf de eerste verdieping. Beneden zat een enkele wisselschakelaar, boven een dubbele waarvan alleen de linkerhelft in gebruik was. Tussen de inbouwdoos boven en de centraaldoos liepen zes zwarte aders, netjes gelabeld met witte tapjes, en tussen beneden en de centraaldoos twee aders met blauwe tapjes.
Alles was doorgemeten en de lampdraad was met zekerheid vastgesteld door er tijdelijk fase op te zetten, en toch werkte er niets. De fout zat beneden: de twee zwarte wisseldraden waren naast elkaar in hetzelfde contact gestoken. Zo'n klemgat biedt vaak ruimte aan twee aders, maar er hoort er maar een in. De twee wisselcontacten waren daardoor doorverbonden en de wisselwerking was verdwenen.
Een ader een puntje opschuiven naar het volgende contact was genoeg. Boven kwam de lampdraad op het contact met de L en gingen de twee aders van beneden elk op een eigen wisselcontact. Daarna deed de schakeling het meteen, en het labelen met tapjes bleek achteraf de reden dat het zo snel te herstellen was.
Een Kopp wissel-wisselschakelaar waarbij de ganglamp bleef branden
In een hal hing een lamp met een schakelaar bij de voordeur en een aan het eind van de gang. Bij de voordeur zat bovendien de knop voor de buitenlamp, die maar vanaf dat ene punt bediend wordt. Na het plaatsen van een nieuwe Kopp wissel-wisselschakelaar ging het licht bij de voordeur wel aan, maar aan het eind van de gang schakelde het alleen even kort en bleef daarna branden.
Bij de voordeur zaten drie zwarte aders die bij de ganglamp hoorden: een naar het lichtpunt en twee naar de andere schakelaar. Welke welke was, werd gevonden door de groep uit te zetten, de bruine ader met een lasklem aan een zwarte te koppelen, weer in te schakelen en te kijken of de lamp ging branden.
De echte fout zat in de keuze van de contacten. Bij dit type zijn de aansluitingen in twee kleuren uitgevoerd, en per kleur is het middelste gat het moedercontact. Daar hoorde de lampdraad, en de twee aders naar de andere schakelaar hoorden op de buitenste gaten van diezelfde kleur. De bruine ader voor de buitenlamp ging naar de L van de andere kleur. Op de contacten van de wisselhelft komt nergens bruin, en dat is precies waar het misging.
Een aderbesparende wisselschakeling die na vervanging half werkte
Twee wisselschakelaars, beneden en boven, voor een lamp op de overloop. Beneden kwamen twee bruine en twee zwarte aders binnen, boven twee bruine en drie zwarte. Op het oude materiaal stonden nog de aanduidingen P en S, met een zwarte ader in de P.
Na de vervanging ging de lamp beneden wel aan, maar boven niet meer uit, en andersom net zo. De aders waren op de nieuwe schakelaar op de afgaande contacten gezet in plaats van op het ingaande contact. Op veel schakelaars staan daarvoor pijltjes: naar binnen wijst het moedercontact, naar buiten wijzen de wisselcontacten.
Wat hier hielp was terugredeneren vanaf het oude materiaal. De ader die op de P zat hoort op het moedercontact van de nieuwe schakelaar, en de twee bruine aders waren helemaal geen schakeldraden maar een doorlus van de fase naar een volgend punt. Die horen in een lasklem en niet op een schakelcontact. Wie zo'n oude schakelaar weggooit voordat hij dit heeft genoteerd, moet daarna de hele installatie opnieuw uitmeten.
Veelgemaakte fouten
Twee wisseldraden in hetzelfde klemgat
In veel schakelaars past er een tweede ader naast de eerste, dus het voelt logisch om beide wisseldraden bij elkaar te steken. Daarmee verbind je de twee wisselcontacten met elkaar en is er niets meer om te wisselen. De lamp blijft dan branden of reageert maar op een van de twee schakelaars.
De blauwe nul op de schakelaar aansluiten
Een nul komt nooit op een wisselschakeling. Zit er blauw in de doos, dan hoort dat bij een stopcontact of bij een doorlus naar een volgend punt. Sluit je hem toch op een schakelcontact aan, dan maak je in een van de standen een directe verbinding tussen fase en nul.
De fase op een wisselcontact in plaats van op het moedercontact
Dit is de fout waarbij de schakeling half werkt: in de ene stand van de eerste schakelaar doet de tweede het wel, in de andere stand niet. Zoek het moedercontact op aan de L, de P, de rode stip of de pijl die naar binnen wijst, of meet het door met de doorbelstand.
Een spanningszoeker gebruiken als meetinstrument
De schroevendraaier met een lampje in het handvat licht ook op bij een capacitieve spanning die geen stroom kan leveren, en over de nul zegt hij niets. Wie daarop vertrouwt, zoekt de fout in de schakelaar terwijl die in de centraaldoos zit. Een tweepolige tester kost weinig en geeft wel antwoord.
De oude schakelaar weggooien voordat de nieuwe werkt
De oude schakelaar laat zien welke ader op de P of de L zat, en dat is bij drie zwarte aders de enige informatie die je nog hebt. Zonder die aanwijzing begint het uitmeten van voren af aan. Leg hem apart tot de nieuwe schakeling in alle vier de standen doet wat hij moet doen.
Twee groepen in dezelfde inbouwdoos samenbrengen
Bij het uitbreiden van een schakeling is de verleiding groot om de fase te pakken die het dichtst bij zit. Komt die uit een andere groep, dan staat er na het uitschakelen van de ene groep nog spanning in de doos. Dat mag niet en het is precies het scenario waarin iemand later een klap krijgt.
Losse aders onafgedopt laten tijdens het testen
Bij het zoeken naar de lampdraad hangen er al snel drie zwarte aders vrij in de doos, met op minstens een daarvan spanning. Dop elke ader die je niet test af met een lasklem, en laat een schakelaar met een metalen frame niet los tegen de aders aan bungelen.
Een dubbele wisselschakelaar behandelen als een serieschakelaar
Bij een serieschakelaar zijn de fasecontacten intern doorverbonden, bij een dubbele wisselschakelaar niet. Sluit je maar een bruine ader aan en verwacht je dat de tweede helft meedoet, dan blijft die dood. Maak de doorverbinding zelf met een lasklem buiten de schakelaar.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een serieschakelaar en een wisselschakelaar?
Een serieschakelaar bedient twee lampen vanaf een plaats, een wisselschakelaar bedient samen met een tweede wisselschakelaar een lamp vanaf twee plaatsen. Beide hebben drie aansluitingen, maar bij de serieschakelaar zijn er twee intern doorverbonden zodat een bruine ader beide wippen voedt. Bij de wisselschakelaar is dat ene contact juist het moedercontact waarop de fase of de lampdraad komt. De vraag serie of wisselschakelaar beantwoord je dus met de vraag of je meer lampen wilt of meer bedieningspunten. Wie twijfelt of hij een wisselschakelaar of serieschakelaar nodig heeft, telt simpelweg de plekken waar de knop moet komen.
Wat is het verschil tussen een kruisschakelaar en een wisselschakelaar?
Een wisselschakelaar heeft drie aansluitingen, een kruisschakelaar vier. De wisselschakelaar stuurt een ingaande ader naar een van twee uitgangen, de kruisschakelaar verwisselt twee doorlopende aders van plek. Daarom staat de kruisschakelaar altijd tussen twee wisselschakelaars in en nooit aan het begin of het eind van de keten. Voor twee bedieningspunten heb je er geen nodig, vanaf drie punten wel: twee wisselschakelaars aan de uiteinden en per extra punt een kruisschakelaar ertussen.
Hoe sluit ik een wisselschakelaar aan met 3 draden?
Drie aders per schakelaar is de normale situatie. Bij de schakelaar waar de fase binnenkomt gaat de bruine ader op het moedercontact en gaan de twee zwarte wisseldraden op de wisselcontacten, elk in een eigen klemgat. Bij de andere schakelaar gaat de zwarte lampdraad op het moedercontact en gaan de twee wisseldraden weer op de wisselcontacten. De blauwe nul sluit je nergens op de schakelaar aan, want die loopt rechtstreeks door naar het armatuur.
Wat betekent het als er 3 zwarte draden uit de muur komen?
Een wisselschakelaar met 3 zwarte draden zit vrijwel altijd aan de kant waar de lamp aan hangt. Twee daarvan zijn de wisseldraden naar de andere schakelaar, de derde is de lampdraad. Welke welke is vind je door de groep uit te schakelen, de bruine fase met een lasklem aan een zwarte ader te koppelen en de groep weer in te schakelen. Gaat de lamp branden, dan heb je de lampdraad. Dop de aders die je niet test altijd af.
Hoe sluit ik een dubbele wisselschakelaar aan voor 2 lampen en 2 schakelaars?
Behandel het als twee losse wisselschakelingen die toevallig achter dezelfde afdekplaat zitten. Elke helft krijgt een eigen moedercontact en een eigen paar wisselcontacten, en per lamp lopen er twee wisseldraden naar de tegenoverliggende schakelaar. De helften zijn intern niet doorverbonden, dus als beide fase nodig hebben maak je die verbinding zelf met een lasklem. Reken op vijf tot zes aders in de buis tussen de twee punten en pers er nooit een ader extra doorheen.
Mijn lamp blijft branden bij de wisselschakelaar, wat kan ik doen?
Als de lamp blijft branden en met de tweede schakelaar niet uitgaat, zitten de twee wisseldraden bijna altijd in hetzelfde klemgat. In veel schakelaars past er een tweede ader naast, maar dan zijn beide wisselcontacten doorverbonden en kan er niets meer wisselen. Verplaats een ader naar het andere contact. Blijft het probleem, controleer dan of de lampdraad wel op het moedercontact zit en niet op een wisselcontact.
Kan ik een kruisschakelaar als wisselschakelaar gebruiken?
Dat kan. Gebruik een contact aan de ene zijde als moedercontact en de twee contacten aan de andere zijde als wisselcontacten, en laat het vierde contact leeg. Meet met de doorbelstand van je multimeter na welke contacten in welke wipstand verbinding maken, want de indeling verschilt per merk. Andersom werkt het niet: een wisselschakelaar heeft maar drie aansluitingen en kan twee wisseldraden dus niet van plek verwisselen.
Kan ik een dimmer met een wisselschakelaar combineren?
Ja, maar er mag maar een dimmer in de schakeling zitten. Je vervangt een van de twee wisselschakelaars door een dimmer met wisselstand, in de winkel vaak een wisselschakelaar dimmer genoemd. De andere punten blijven gewone wisselschakelaars die alleen aan en uit doen op het ingestelde niveau. Twee dimmers in dezelfde schakeling gaat mis, want ze snijden dan allebei dezelfde fase aan. Kies bij ledverlichting een dimmer die daarvoor geschikt is en let op de minimale belasting.
Hoe sluit ik een wisselschakelaar met controlelampje aan?
Dat hangt af van het type lampje. Een oriëntatielampje brandt als het licht uit is, staat parallel over de schakelcontacten en heeft geen nul nodig. Er loopt dan wel een kleine stroom door de lamp, waardoor ledverlichting kan nagloeien of knipperen. Een controlelampje dat juist brandt als het licht aan is, staat parallel over de belasting en heeft een blauwe nul nodig in de inbouwdoos. Bij een klassieke wisselschakeling zit die nul daar niet, dus dan moet er een ader bij.
Wanneer kies je een draadloze wisselschakelaar?
Als je het tweede bedieningspunt niet bekabeld krijgt. Denk aan een gemetselde muur zonder buis of aan een overloop waar de leidingen dichtgezet zijn. Je plaatst dan een zender op de muur en een ontvangermodule in de centraaldoos of achter het armatuur. Controleer vooraf of die module een nul nodig heeft op de plek waar hij komt, want dat is bij veel uitvoeringen zo, en houd rekening met minder bereik door dikke muren en betonvloeren.
Wat is een dubbelpolige of 2 polige wisselschakelaar?
Een dubbelpolige wisselschakelaar onderbreekt de fase en de nul tegelijk, terwijl een enkelpolige uitvoering alleen de fase schakelt. In een gewone Nederlandse woninginstallatie met een aardlekschakelaar is enkelpolig schakelen voldoende, ook in een schuur of garage. Dubbelpolig kom je vooral tegen bij werkschakelaars van vaste apparaten en in installaties waar de nul niet betrouwbaar is. Voor verlichting hoef je dus geen dubbelpolige te kopen, en hij vraagt bovendien een extra ader.
Waar zit het p contact op een wisselschakelaar?
De P staat op ouder Nederlands schakelmateriaal voor het fasecontact en dus voor het moedercontact. De contacten met een S zijn de schakelcontacten waarop de wisseldraden komen. Nieuwere merken gebruiken in plaats van de P een L, een rode stip of een pijl die naar binnen wijst. Staat er niets op, meet het dan door met de doorbelstand: het contact dat in beide wipstanden met precies een ander contact verbinding maakt, is het moedercontact.
Wanneer je beter een vakman belt
Een wisselschakeling vervangen of aanleggen mag je in je eigen woning zelf doen, en met een tester en wat geduld kom je er ook. Er zijn wel een paar grenzen waar bellen verstandiger is dan doorzoeken.
De eerste ligt in de meterkast. Een groep bijplaatsen, een aardlekschakelaar vervangen of iets aanpassen achter de hoofdzekering is werk voor een installateur, want daar kun je de spanning niet zelf wegnemen. Datzelfde geldt voor alles met krachtstroom en meerdere fasen, zoals het omschakelen van een driefasegroep.
De tweede grens is de onduidelijke installatie. Kom je twee fasen uit verschillende groepen in dezelfde inbouwdoos tegen, vind je verbindingen zonder klemmen, of blijft de aardlekschakelaar uitvallen zodra je inschakelt, dan is er meer aan de hand dan een verkeerd aangesloten schakelaar. Laat de installatie nakijken voordat je verder sleutelt, en zoek in de tussentijd niet verder met de spanning erop.
De derde is hoogte. Een armatuur boven een open trappenhuis vraagt om een kamersteiger of een trapladder die daar echt voor gemaakt is. Een gewone ladder schuin op een traptrede is geen werkplek, zeker niet met beide handen boven je hoofd. Twijfel je over de stabiliteit van je opstelling, laat dan iemand komen die het juiste materieel heeft.