Magneetschakelaar aansluiten: werking, schema en klemmen
Een magneetschakelaar is een schakelaar die niet met je hand maar met stroom wordt bediend. Zet je spanning op de spoelklemmen A1 en A2, dan trekt een elektromagneet het anker aan en drukken de hoofdcontacten dicht. Zo schakel je met een dun stuurdraadje van een thermostaat, een klok of een drukknop een boiler, een pomp of een machine. De spoelspanning staat op het apparaat gedrukt en bepaalt hoe je hem aansluit: bij 230 volt gaat A1 naar de geschakelde fase en A2 naar de nul van diezelfde groep. Kies hem op de gebruikscategorie die bij de belasting past, want de AC-1 waarde uit de catalogus zegt niets over wat hij met een motor aankan.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Tweepolige spanningszoeker om spanningsloosheid vast te stellen
- Multimeter, en een stroomtang als er een motor achter hangt
- VDE-schroevendraaiers, sleuf en kruis
- Striptang en een krimptang voor adereindhulzen
- Momentschroevendraaier als de fabrikant een aanhaalmoment opgeeft
- IJzerzaag of DIN-railknipper om de rail op maat te maken
- Labeltape of klemmarkering om de aders te merken
Materiaal
- Magneetschakelaar met de juiste spoelspanning en gebruikscategorie
- Opklikbaar hulpcontactblok als je zelfhoud of een melding nodig hebt
- Thermisch relais of motorbeveiligingsschakelaar bij een motor
- Adereindhulzen in de maat van je stuurdraad
- Stuurdraad, meestal 1,5 mm² soepel of massief
- DIN-rail, blindplaatjes en kabelbinders
Wat is een magneetschakelaar en wat lost hij op
Een magneetschakelaar is een schakelaar die je met stroom bedient in plaats van met je vinger. In het apparaat zit een spoel. Zet je daar spanning op, dan bouwt zich een magneetveld op dat een beweegbaar anker naar het vaste ijzer trekt, en dat anker duwt de hoofdcontacten tegen elkaar. Haal je de spanning weg, dan drukken veren alles weer uit elkaar en staat de belasting spanningsloos. Bij de schakelaars die je in huis met de hand bedient loopt de te schakelen stroom door de schakelaar zelf; hier zit de bediening er volledig los van.
Die scheiding tussen bediening en vermogen is het hele punt. Met een dun draadje vanaf een kamerthermostaat, een schakelklok of een drukknop bij de deur schakel je een pomp van drie kilowatt, een boiler of een machine in de werkplaats. De zware stroom loopt alleen door de korte, dikke aders tussen de kast en het apparaat. Het bedieningspunt zit veilig in een ruimte waar nooit meer dan de stuurspanning komt.
De namen lopen door elkaar heen. Magneetschakelaar, contactor en installatierelais duiden in de praktijk hetzelfde apparaat aan; contactor is de term die je in de catalogus van de fabrikant vindt. Een gewoon relais lijkt erop, maar is gemaakt voor kleine signaalstromen en heeft geen boogblussing. Een magneetschakelaar heeft dubbelonderbrekende contacten en kamers die de vlamboog uit elkaar trekken, en juist daarom mag hij een motor onder belasting uitschakelen.
Het verschil met een impulsschakelaar
Een impulsschakelaar, ook wel teleruptor genoemd, wisselt van stand bij elke korte puls op de spoel en blijft daarna mechanisch in die stand staan. Een magneetschakelaar doet dat niet: die staat alleen aan zolang er spanning op de spoel staat. Wil je meerdere drukknoppen die om beurten hetzelfde licht aan en uit zetten, dan is een impulsschakelaar de logische keuze. Wil je juist dat alles uitvalt en uit blijft zodra de spanning wegvalt, dan is de magneetschakelaar wat je zoekt. Voor het schakelen van één lamp vanaf twee plekken heb je geen van beide nodig; dat lost een wisselschakelaar aansluiten eenvoudiger op.
Wat er binnenin gebeurt als de spoel spanning krijgt
De kracht waarmee het anker wordt aangetrokken hangt af van de luchtspleet. Bij een open magneetschakelaar is die spleet groot, dus de zelfinductie van de spoel is laag en er loopt op dat moment veel meer stroom dan later. Zodra het anker aanligt sluit het ijzeren circuit, stijgt de zelfinductie en zakt de stroom sterk terug. Daarom staat er op een wisselspanningsspoel vaak een inschakelvermogen en een apart, veel lager houdvermogen. Dat verschil bepaalt of het contact dat de spoel stuurt zwaar genoeg is.
Een wisselspanningsveld gaat honderd keer per seconde door nul. Zonder maatregel zou het anker net zo vaak willen loslaten en zou het apparaat luid ratelen. In het pooltvlak zit daarom een koperen kortsluitring die een deel van de flux in fase verschuift, zodat er altijd trekkracht overblijft. Zit er vuil, verf of roest tussen de pooltvlakken of is die ring gebroken, dan hoor je dat meteen als een harde brom.
Aantrekken lukt volgens de meeste fabrikanten vanaf ongeveer vijfentachtig procent van de nominale spoelspanning. Het punt waarop hij weer afvalt ligt duidelijk lager en verschilt per merk en serie, dus zoek dat op in het datablad in plaats van er een vast getal aan te hangen. Wat wel altijd geldt: valt de netspanning weg, dan valt de magneetschakelaar af. Die eigenschap heet nulspanningsbeveiliging en is de reden dat een machine na een stroomonderbreking niet uit zichzelf weer aanloopt.
Meet op de klemmen A1 en A2 op het moment van inschakelen, niet daarvoor. Een lange, dunne stuurleiding kan bij de inschakelpiek van de spoel zo veel spanning verliezen dat de schakelaar niet aantrekt, terwijl je meter in rust keurig de volle spanning laat zien.
Waar een magneetschakelaar wel en niet het juiste antwoord is
Er wordt regelmatig een magneetschakelaar gekocht voor een probleem dat eenvoudiger op te lossen valt. Wil je één lichtpunt vanaf twee plekken bedienen, dan is dat een wisselschakeling en geen contactor. Vanaf drie of meer punten wordt het een hotelschakeling met kruisschakelaars ertussen of een impulsschakelaar. Wil je twee lichtgroepen los van elkaar bedienen vanaf één plek, dan is een serieschakelaar de goedkoopste en meest onderhoudsvrije oplossing.
Ook voor het regelen van lichtsterkte is een magneetschakelaar niets: die kent alleen aan en uit. Regelen doe je met een dimmer die bij het type lamp past. Voor het schakelen van standen op een ventilator of een kachel gebruik je een 3 standen schakelaar, die de belasting intern anders doorverbindt in plaats van hem alleen aan en uit te zetten.
De magneetschakelaar wint zodra minstens één van drie dingen speelt: de stroom is te groot voor gewoon schakelmateriaal, het bedieningspunt moet ver weg of met kleine spanning werken, of de installatie moet na een spanningsonderbreking uit blijven. Valt geen van die drie op je situatie, dan levert een contactor vooral een brommend kastje en extra bedrading op. Zit je op het punt waar één armatuur netjes moet worden aangesloten, kijk dan bij een lamp op een schakelaar aansluiten. Wie het grotere plaatje van de installatie in huis wil zien, vindt dat in ons overzicht van elektra in en om het huis.
Twee families: modulair en industrieel
Grofweg zijn er twee families. Modulaire installatiecontactoren klikken op de DIN-rail, zijn één tot drie modules breed en zijn bedoeld voor boilers, verlichting en vloerverwarming in een woning. Ze zijn compact, betaalbaar en hebben zelden ruimte voor een thermisch relais. Motorcontactoren uit de industriële series zijn zwaarder gebouwd, nemen een hulpcontactblok op en laten zich met een thermisch relais aanvullen. Alles met een motor erachter hoort in die tweede familie thuis.
Er is nog een verschil dat pas achteraf opvalt: geluid. Een modulaire contactor met een gewone wisselspanningsspoel bromt zacht maar hoorbaar, en dat is in een meterkast onder de trap naast een slaapkamer een probleem. Fabrikanten leveren daarvoor uitvoeringen met een gelijkgerichte spoel, die stil zijn. Kies daar meteen voor als de kast in of naast een verblijfsruimte hangt, want vervangen betekent later opnieuw de kast open.
| Wat je wilt schakelen | Wat daarbij past | Waar je op let |
|---|---|---|
| Boiler op nachttarief | Modulaire installatiecontactor, spoel 230 V, ruim gekozen op AC-1 | Sturen vanaf de schakelklok of het tariefcontact, niet vanaf de boilerthermostaat |
| Zwembadpomp of dompelpomp op 230 V | Contactor waarvan de motorwaarde boven de nominale motorstroom ligt | Een condensatormotor trekt hard aan; de motorstroom staat op het typeplaatje |
| Zaagmachine of afzuiging in de werkplaats | Motorcontactor met zelfhoud, stopknop en thermisch relais | De machine mag na een stroomonderbreking niet vanzelf weer aanlopen |
| Verlichting van een grote ruimte met veel led-drivers | Uitvoering die voor AC-5b is vrijgegeven, of een lampcontactor met voorlaadweerstand | De opgetelde inschakelpiek van drivers last gewone contacten vast |
| Vloerverwarming per zone | Modulaire contactor, gestuurd door de kamerthermostaat | Controleer eerst het contactvermogen dat de thermostaat mag schakelen |
| Meerdere lichtpunten vanaf één bewegingsmelder | Installatiecontactor achter de melder | Een tweedraads melder zonder nul laat de schakelaar vaak tikken |
| Krachtstroommachine op 400 V | Driepolige of vierpolige motorcontactor met motorbeveiliging | Fasevolgorde bepaalt de draairichting, dat controleer je vóór de eerste start |
| Meterkast in of naast een slaapkamer | Uitvoering met gelijkgerichte spoel, door fabrikanten geruisloos genoemd | Een gewone wisselspanningsspoel bromt continu zolang hij aangetrokken is |
De juiste magneetschakelaar kiezen: AC-1, AC-3 en wat de stroom doet
Op de doos van een magneetschakelaar staat vaak één groot getal, bijvoorbeeld 25 A. Dat getal slaat op de lichtste gebruikscategorie en zegt weinig over wat het apparaat met een motor kan. Fabrikanten geven daarom per gebruikscategorie een aparte waarde. Een compacte motorcontactor die in AC-3 negen ampère mag schakelen, staat in AC-1 vaak voor vijfentwintig ampère in de tabel. Datzelfde apparaat, twee heel verschillende getallen.
Het verschil zit in wat er gebeurt op het moment van maken en breken. Een boiler trekt bij inschakelen ongeveer de stroom die hij daarna blijft trekken. Een kooiankermotor trekt bij aanloop vijf tot acht keer zijn nominale stroom, en bij het uitschakelen onder belasting staat er een flinke vlamboog op de contacten. Kies je op de AC-1 waarde terwijl er een motor achter hangt, dan branden de contacten in en lassen ze op een dag aan elkaar.
| Gebruikscategorie | Wat voor belasting | Wat dat met de stroom doet | Waar je op let bij de keuze |
|---|---|---|---|
| AC-1 | Ohmse belasting: boiler, elektrische verwarming, weerstandslast | Nauwelijks inschakelpiek, arbeidsfactor dicht bij één | Hier mag je de hoogste cataloguswaarde gewoon gebruiken |
| AC-3 | Kooiankermotor die tijdens draaien wordt uitgeschakeld: pomp, ventilator, zaag | Aanloopstroom vijf tot acht keer de nominale stroom | Kies op het vermogen in kilowatt bij 400 volt uit de tabel van de fabrikant |
| AC-4 | Motor die tippend of remmend wordt geschakeld, kraanwerk | Uitschakelen bij vrijwel volle aanloopstroom | Vraagt een fors zwaardere schakelaar dan AC-3 bij hetzelfde vermogen |
| AC-5a en AC-5b | Ontladingslampen met voorschakelapparaat, gloeilampen | Korte maar zeer hoge inschakelpiek | Bij veel led-drivers achter elkaar telt die piek per driver op |
| AC-7a en AC-7b | Huishoudelijke toepassingen en kleine motoren | Tussen AC-1 en AC-3 in | Deze categorie staat op de meeste modulaire installatiecontactoren |
| DC-1 tot DC-5 | Gelijkstroomkringen, accu- en zonnesystemen | De boog dooft niet vanzelf, want er is geen nuldoorgang | Vraagt een uitvoering die daarvoor is vrijgegeven, niet zomaar een AC-type |
Staat er op het apparaat alleen een enkel ampèregetal en geen tabel per categorie, zoek dan het datablad van dat typenummer op bij de fabrikant. Daar staan de waarden per gebruikscategorie wel, vaak samen met het maximale schakelaantal per uur.
Zo lees je de klemmen A1, A2 en de nummers van de contacten
Alle klemnummers op een magneetschakelaar volgen een vast systeem, en zodra je dat systeem kent lees je elk schema. De spoel heeft altijd A1 en A2. De hoofdcontacten zijn met één cijfer per zijde genummerd, waarbij oneven de ingaande kant is en even de uitgaande. De hulpcontacten hebben twee cijfers: het eerste cijfer is het volgnummer van dat contact, het tweede cijfer vertelt de functie. Eindigt het paar op 1 en 2, dan is het een verbreekcontact; eindigt het op 3 en 4, dan is het een maakcontact.
In een schema staat de magneetschakelaar meestal als -K1, met de spoel als los rechthoekje in de stuurstroomkring en de hoofdcontacten ergens anders op de tekening in de vermogenskring. Dat de spoel en de contacten los van elkaar getekend staan is geen slordigheid maar de standaardmanier: de verbinding zit in de naam -K1. Wie dat niet doorheeft zoekt zich suf naar draden die nergens naartoe lijken te gaan.
| Klem of klempaar | Wat het is | Waar je het voor gebruikt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| A1 en A2 | De twee aansluitingen van de spoel | Stuurstroom vanaf een drukknop, thermostaat, klok of besturing | De spoelspanning staat op de spoel gedrukt, meestal in klein schrift aan de voorkant |
| 1-2, 3-4, 5-6 | De drie hoofdcontacten, alle drie maakcontacten | De fasen naar de motor, de boiler of de verdeling | Oneven is de ingaande zijde, even de uitgaande; houd dat consequent aan |
| 7-8 | Vierde hoofdpool | De nul meeschakelen of een vierde geleider | Alleen aanwezig op vierpolige uitvoeringen, niet bijplaatsbaar |
| 13 en 14 | Hulpcontact, maakcontact | Zelfhoud rond een startknop, of een lampje dat aangeeft dat hij aan staat | Sluit tegelijk met de hoofdcontacten, niet eerder |
| 21 en 22 | Hulpcontact, verbreekcontact | Vergrendelen van een tweede magneetschakelaar, of een uitmelding | Opent juist bij aantrekken, dus andersom dan 13-14 |
| 31-32 en 43-44 | Extra hulpcontacten in een opklikbaar blok | Meer signalen zonder een groter apparaat te hoeven kopen | Het blok klikt op de voorzijde of op de zijkant, dat verschilt per serie |
| 57-58 en 67-68 | Vertraagde hulpcontacten op een tijdblok | Omschakelen bij ster driehoek, of een nalooptijd van een ventilator | Controleer of het aantrekvertraging of afvalvertraging is, dat is niet hetzelfde |
| 95-96 | Verbreekcontact van het thermisch relais | In de stuurstroom, zodat de spoel afvalt bij overbelasting | Dit contact hoort in serie met de spoel, niet in de hoofdstroom |
| 97-98 | Maakcontact van het thermisch relais | Een storingslamp of een melding naar de besturing | Schakelt geen vermogen, alleen een signaal |
Schrijf voordat je begint met een fijne stift op elke ader waar hij vandaan komt. Bij een magneetschakelaar lopen stuurdraden en hoofdaders vlak langs elkaar en zijn ze allebei vaak zwart. Vijf minuten labelen scheelt straks een half uur uitzoeken.
Een magneetschakelaar van 230 volt aansluiten
Bij verreweg de meeste toepassingen in een woning heb je een spoel van 230 volt. Het aansluiten daarvan komt neer op twee draden: A1 gaat naar de fase die door je bedieningscontact wordt geschakeld, A2 gaat naar de nul. Bij een wisselspanningsspoel maakt het elektrisch niet uit welke van de twee klemmen de fase krijgt, maar het voorschrift is dat je het schakelende contact in de fase zet en nooit in de nul. Schakel je in de nul, dan blijft de spoel via A1 aan de fase liggen en staat er spanning in het apparaat terwijl alles uit lijkt te staan.
Haal de fase en de nul voor de spoel altijd uit dezelfde groep. Doe je dat niet, dan kun je de groep van de belasting uitzetten terwijl de spoel gewoon bekrachtigd blijft vanuit een andere groep. Twijfel je welke groep waar op zit, dan begint dat met uitzoeken hoe een aardlekschakelaar de groepen eronder verdeelt.
| Spoelspanning | Waar je hem tegenkomt | Zo sluit je hem aan | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| 230 V wisselspanning | Vrijwel alle installatiecontactoren in een woning | A1 op de geschakelde fase, A2 op de nul van dezelfde groep | Het bedieningscontact hoort in de fase, nooit in de nul |
| 400 V wisselspanning | Oudere machinekasten en werkplaatsinstallaties | Tussen twee fasen, dus A1 op L1 en A2 op L2 | Valt één fase weg, dan valt de schakelaar af; dat is bedoeld gedrag |
| 24 V wisselspanning | Besturingen met een stuurtransformator | Vanaf de secundaire zijde van de trafo, volgens het kastschema | Over een lange, dunne stuurleiding zakt 24 volt snel te ver weg |
| 24 V gelijkspanning | Besturingen, domotica, laadpunten | A1 op plus en A2 op min, tenzij het typeplaatje anders aangeeft | Zit er een diode of varistor in de spoel, dan ligt de polariteit vast |
| 110 V wisselspanning | Geïmporteerde machines en oudere industriële kasten | Uitsluitend via de bijbehorende stuurtransformator | Een 230 V-spoel op 110 volt trekt niet aan en gaat luid brommen |
| 12 V gelijkspanning | Kleine schakelingen, tuinverlichting, voertuigtechniek | Volgens het schema van de fabrikant | Dit is meestal een relais en geen contactor, controleer het contactvermogen |
Werk aan de groepenkast alleen als de groep aantoonbaar spanningsloos is. Schakel de automaat uit, vergrendel of markeer hem, en controleer met een tweepolige spanningszoeker op de klemmen zelf. Alles vóór de hoofdzekering, dus de aansluitkast en de zegels van de netbeheerder, blijft dicht.
Zo ziet het schema eruit, van doorschakelen tot zelfhoud
Het eenvoudigste schema heeft twee kringen. In de vermogenskring lopen de fasen via de klemmen 1, 3 en 5 naar binnen en via 2, 4 en 6 naar de belasting. In de stuurkring loopt de fase via het bedieningscontact naar A1, en gaat A2 rechtstreeks naar de nul. Meer is er niet aan wanneer een thermostaat of schakelklok het werk doet: sluit dat contact, dan trekt de schakelaar aan, opent het, dan valt hij af.
Zodra je met een drukknop wilt starten wordt het schema iets langer, want een drukknop veert terug. Dan gebruik je zelfhoud. De stopknop is een verbreekcontact en zit vooraan in de stuurkring. Daarachter zit de startknop als maakcontact, en parallel over die startknop leg je het hulpcontact 13-14 van de schakelaar zelf. Druk je op start, dan trekt hij aan, sluit 13-14 en neemt de stroom over van de knop die je loslaat. Druk je op stop, dan wordt de hele keten onderbroken en valt alles af.
Precies dat maakt het geschikt voor machines. Valt tijdens het werk de spanning weg, dan verliest de spoel zijn bekrachtiging, opent 13-14 en blijft de machine uit tot iemand bewust op start drukt. Bij een cirkelzaag of een afzuiging zou de machine anders gaan draaien op het moment dat de spanning terugkomt en jij er met je handen bij staat. Een gewone lichtschakeling heeft die eigenschap niet en hoeft die ook niet te hebben, zoals je ziet bij een gewone lichtschakelaar aansluiten.
Wil je twee schakelaars die elkaar nooit tegelijk mogen aantrekken, bijvoorbeeld voor het omkeren van de draairichting van een motor, dan leg je het verbreekcontact 21-22 van de ene in de spoelkring van de andere. Vertrouw daar niet blind op: bij omkeerschakelingen hoort ook een mechanische vergrendeling tussen de twee behuizingen, want twee vastgelaste hoofdcontacten leggen anders twee fasen kort.
Teken het schema dat je werkelijk hebt gemaakt op een velletje en plak dat aan de binnenkant van de kastdeur. Zet er de klemnummers bij die je gebruikt hebt en welke groep de stuurstroom voedt. Dat is bij het eerste mankement meer waard dan het originele fabrieksschema.
Inbouwen op de DIN-rail en de aders die erop komen
Een magneetschakelaar klikt op een DIN-rail en neemt afhankelijk van het type één tot vier modules in. Zet hem niet klem tussen twee andere apparaten als er stroom van betekenis doorheen gaat, want de contacten en de spoel produceren allebei warmte. Fabrikanten geven in het datablad aan hoeveel de belastbaarheid terugloopt wanneer je meerdere exemplaren tegen elkaar plaatst, en hoeveel ruimte er boven en onder vrij moet blijven. Een kast die tot de laatste module vol zit, haalt de waarden op het typeplaatje niet.
Voor de hoofdaders geldt gewoon de doorsnede die bij de stroom en de beveiliging van die groep hoort. Welke ader bij welke waarde past en welk kabeltype waar mag liggen, zoek je op in onze tabel met draaddiktes en kabelsoorten. Gaat het om een nieuwe zware belasting, kijk dan eerst met de rekenhulp voor groepen en vermogen of de bestaande groep dat er nog bij kan hebben. Een schakelaar die netjes schakelt terwijl de groep te licht is, verplaatst het probleem alleen naar de automaat.
Zet op soepele aders altijd adereindhulzen. Een gevlochten ader die je los onder een klemschroef draait, waaiert uit, houdt maar een deel van het contactvlak vast en loopt daardoor warm. Trek de klemmen na op het moment dat de fabrikant een aanhaalmoment opgeeft, en controleer ze nog een keer nadat de installatie een tijd onder belasting heeft gedraaid.
Wordt de bestaande kast te vol, dan is een aparte onderverdeling in de garage of de werkplaats vaak netter dan alles in de meterkast proppen. Hoe hoog zo'n kast hoort te hangen staat bij de gangbare montagehoogtes in huis. Het aanleggen van de voeding naar zo'n onderverdeling begint achter de hoofdzekering en dat is werk voor een installateur.
Beveiligen is een aparte taak
Een magneetschakelaar schakelt, hij beveiligt niet. Hij heeft geen enkele meting aan boord en trekt zich niets aan van een motor die vastloopt of van een kabel die te warm wordt. De beveiliging tegen kortsluiting komt van de automaat in de kast, de beveiliging tegen aanraking van de aardlekschakelaar, en de beveiliging tegen langdurige overbelasting van een thermisch relais of een motorbeveiligingsschakelaar.
Een thermisch relais klik je onder de motorcontactor en je stelt het in op de nominale stroom die op het typeplaatje van de motor staat. Bij overbelasting buigen bimetalen langzaam door en opent het contact 95-96, dat in serie met de spoel zit. De spoel valt af en de motor stopt. Zet dat instelwieltje niet hoger dan het typeplaatje aangeeft omdat het relais steeds aanslaat: dan neem je de beveiliging weg in plaats van het probleem op te lossen.
Bij motoren die vaker aanlopen dan een paar keer per uur, of die zwaar aanlopen, loopt een thermisch relais soms te vroeg weg. Een motorbeveiligingsschakelaar met instelbare thermische en magnetische afschakeling is dan de betere keuze, en die combineert de beveiliging tegen kortsluiting en tegen overbelasting in één apparaat. Wat je nooit doet, is de beveiliging weglaten omdat de automaat toch al in de kast zit; die is gedimensioneerd op de kabel, niet op de motorwikkeling.
Klapt er ondanks alles regelmatig iets uit terwijl de belasting normaal lijkt, kijk dan ook naar de aardlek. Vermogenselektronica in een frequentieregelaar of een pompbesturing geeft lekstroom naar aarde, en die telt op met de rest van de installatie. Hoe je dat systematisch uitzoekt staat bij het opsporen van de oorzaak als de aardlekschakelaar eruit klapt.
Als hij bromt, tikt of niet meer afvalt
Een magneetschakelaar geeft vrij duidelijk aan wat eraan scheelt, mits je weet waar je naar luistert. Een zachte brom hoort erbij zolang de spoel op wisselspanning werkt. Wordt die brom hard en onregelmatig, dan zit er iets tussen de pooltvlakken of is de kortsluitring in het anker gebroken. Tikken in een snel tempo wijst bijna altijd op een spoel die te weinig spanning krijgt.
Het lastigste geval is een schakelaar die niet meer afvalt terwijl de stuurstroom weg is. Meet dan eerst of er echt geen spanning meer op A1 en A2 staat. Is die spanning er niet en blijft hij toch aangetrokken, dan zitten de hoofdcontacten aan elkaar gelast of klemt het anker mechanisch. Vervangen is dan het enige juiste, en meteen de vraag stellen of het type wel zwaar genoeg gekozen was.
| Wat je merkt | Wat er meestal aan de hand is | Wat eraan helpt |
|---|---|---|
| Harde brom zodra hij aantrekt | Vuil, verf of corrosie op de pooltvlakken, of een gebroken kortsluitring | Spanningsloos maken, de vlakken schoonmaken; blijft het, dan vervangen |
| Zachte, constante brom | Normaal gedrag van een spoel op wisselspanning | Een uitvoering met gelijkgerichte spoel kiezen als hij naast een slaapkamer hangt |
| Trekt niet aan, terwijl er spanning op A1 en A2 lijkt te staan | Spanningsval over een lange dunne stuurleiding, of de verkeerde spoelspanning | Meten tijdens het inschakelen, en de stuurleiding een maat dikker maken |
| Tikt snel achter elkaar | De spoel krijgt net te weinig, vaak door lekstroom van een tweedraads melder | Een nulgeleider meevoeren naar de melder of een geschikte lastweerstand plaatsen |
| Valt niet af als de stuurstroom weg is | Hoofdcontacten aan elkaar gelast, of het anker klemt | Vervangen en een zwaardere gebruikscategorie kiezen |
| Verkleurde klemmen of een schroeilucht | Te licht gekozen voor de belasting, of losgelopen klemschroeven | Vervangen, alle klemmen natrekken en de belasting opnieuw narekenen |
| Valt af tijdens bedrijf | Het thermisch relais heeft ingegrepen, of er is een spanningsdip op de stuurkring | Het relais uitlezen en instellen op de nominale stroom van het typeplaatje |
| Schakelt wel, maar de motor bromt en trekt niet op | Eén hoofdcontact maakt geen verbinding, de motor draait op twee fasen | Stroom per fase meten met een stroomtang, daarna de schakelaar vervangen |
Een motor die op twee fasen draait, is binnen minuten kapot. Hij bromt, komt niet op toeren en trekt in de twee resterende fasen veel te veel stroom. Schakel meteen uit en zoek eerst uit welk contact het laat afweten voordat je opnieuw start.
Zo sluit je een magneetschakelaar met een 230 volt spoel aan
Deze volgorde geldt voor een installatiecontactor op DIN-rail in een bestaande verdeelkast, gestuurd door een klok, een thermostaat of een drukknop.
-
Maak de groep spanningsloos en controleer dat
Schakel de betreffende automaat uit en markeer of vergrendel hem, zodat niemand hem terugzet terwijl jij in de kast zit. Controleer daarna met een tweepolige spanningszoeker op de klemmen zelf dat er niets meer op staat. Test je spanningszoeker vooraf op een kring waarvan je zeker weet dat hij leeft.
-
Lees af wat je in handen hebt
Kijk op de voorzijde welke spoelspanning erin zit en welke waarden per gebruikscategorie gelden. Een spoel van 400 volt in een 230 volt kring trekt niet aan, en een schakelaar die alleen op AC-1 ruim genoeg is, houdt een motor niet lang uit. Controleer meteen of het aantal polen klopt met wat je wilt schakelen.
-
Plaats hem op de rail met ruimte eromheen
Klik de schakelaar op de DIN-rail en laat naast een zwaar belaste uitvoering een module vrij. De contacten en de spoel geven warmte af, en apparaten die tegen elkaar aan zitten halen elkaars belastbaarheid naar beneden. Zet hem zo neer dat je later nog bij de klemmen kunt met een schroevendraaier.
-
Sluit eerst de hoofdstroom aan
Voer de aders vanaf de automaat op de oneven klemmen 1, 3 en 5 en de aders naar de belasting op de even klemmen 2, 4 en 6. Houd die richting consequent aan, ook als het apparaat elektrisch niet merkt dat je hem omdraait. De volgende monteur leest het schema aan de nummering af en niet aan jouw gewoonte.
-
Leg de stuurstroom aan op A1 en A2
De fase gaat via het bedieningscontact naar A1, de nul rechtstreeks naar A2. Haal die fase en nul uit dezelfde groep, want anders staat de spoel nog onder spanning als de groep van de belasting uit is. Het schakelende contact hoort in de fase te zitten; schakelen in de nul is geen alternatief.
-
Voeg zelfhoud en beveiliging toe waar dat nodig is
Bij bediening met drukknoppen zet je de stopknop als verbreekcontact vooraan in de kring, de startknop daarachter, en het hulpcontact 13-14 parallel over de startknop. Hangt er een motor achter, klik dan het thermisch relais eronder en neem het contact 95-96 in serie met de spoel op. Stel het relais in op de nominale stroom van het typeplaatje.
-
Trek na, sluit af en test zonder belasting
Controleer elke klemschroef en gebruik een momentschroevendraaier als de fabrikant een waarde opgeeft. Zet blindplaatjes terug en breng de labels aan. Schakel de groep in en bedien de schakeling een paar keer met de belasting nog los, zodat je hoort en ziet dat hij netjes aantrekt en afvalt.
-
Meet onder belasting
Zet de belasting erop en meet met een stroomtang de stroom per fase. Ze horen bij een motor ongeveer gelijk te zijn; wijkt er één sterk af, dan maakt dat hoofdcontact niet goed. Voel na een half uur draaien of de klemmen en de behuizing niet ongewoon warm worden.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je de kast dichtdoet
Uit de praktijk
Een magneetschakelaar die blijft tikken achter een melder of tijdschakelaar
Snel tikken, meestal een paar keer per seconde, komt bijna altijd doordat de spoel net te weinig spanning krijgt om aangetrokken te blijven. Hij trekt aan, de spanning zakt in door de weerstand in de stuurkring, hij valt af, en dat herhaalt zich in een lus.
De veelvoorkomende oorzaak is een tweedraads bewegingsmelder, schemerschakelaar of tijdschakelaar zonder nulaansluiting. Zo'n apparaat voedt zijn eigen elektronica met een kleine stroom die door de aangesloten belasting loopt. Bij een gloeilamp merk je daar niets van, maar een contactorspoel houdt bij die lekstroom soms net wel en net niet aan. De oplossing is een uitvoering met een echte nulgeleider erop, of een lastweerstand die de lekstroom afvoert. Een dikkere stuurader helpt alleen wanneer de spanningsval over de leiding het probleem is, en dat sluit je uit door tijdens het inschakelen aan A1 en A2 te meten.
Hoofdcontacten die na een aantal maanden aan elkaar vastzitten
Contacten die aan elkaar gelast raken, komen door het moment van maken en niet door de stroom die er daarna doorheen loopt. Op het moment dat de contacten elkaar net raken staat er nog een boog, en bij een hoge inschakelpiek smelt het contactoppervlak plaatselijk. Bij elke schakeling gebeurt dat een klein beetje, tot het contact op een dag niet meer opengaat.
Twee belastingen doen dit relatief snel. Een motor die vijf tot acht keer zijn nominale stroom trekt bij aanloop, en een rij led-drivers waarvan de ingangscondensatoren allemaal tegelijk geladen worden. In beide gevallen is de fout dat er gekozen is op de AC-1 waarde van de doos. Kies op de categorie die bij de belasting hoort, of neem bij verlichting een uitvoering met een voorlaadweerstand die de piek afvlakt. Een vastgelaste schakelaar repareer je niet: er is materiaal weggesmolten en de contactafstand klopt niet meer.
Brom die na het schoonmaken van de pooltvlakken terugkomt
Een harde brom heeft twee oorzaken die je in deze volgorde uitsluit. De eerste is dat de pooltvlakken van het anker en het vaste ijzer niet meer vlak op elkaar komen doordat er stof, verf, vet of corrosie tussen zit. De trekkracht is dan lager, de luchtspleet blijft bestaan en het geheel gaat resoneren.
Blijft het brommen na schoonmaken, dan is het meestal de kortsluitring in het pooltvlak. Is die koperen ring gebroken of eruit gevallen, dan valt het anker honderd keer per seconde een klein stukje terug en dat hoor je door de hele kast. Vervangen is de enige route, want de ring is ingeperst en niet los leverbaar. Een derde oorzaak die erop lijkt is een structureel te lage voedingsspanning op de stuurkring, dus meet dat voordat je een nieuwe schakelaar bestelt.
Veelgemaakte fouten
Kiezen op het grootste getal op de doos
Het getal dat vooraan staat is meestal de AC-1 waarde en geldt voor ohmse belasting. Hangt er een motor of een rij led-drivers achter, dan ligt de toegestane stroom flink lager. Zoek in de tabel van de fabrikant de waarde op bij de categorie die op jouw belasting slaat.
Het bedieningscontact in de nuldraad zetten
Elektrisch schakelt het net zo goed, en juist daarom gaat het vaak zo. Maar de spoel blijft dan via A1 aan de fase liggen en er staat spanning in het apparaat terwijl alles uit lijkt te staan. Het voorschrift is duidelijk: het schakelende contact hoort in de fase.
Fase en nul voor de spoel uit twee verschillende groepen halen
De schakeling werkt, tot iemand de groep van de belasting uitzet en de spoel gewoon bekrachtigd blijft vanuit een andere groep. Wie daarna aan het apparaat gaat werken, denkt dat alles dood is. Voed de stuurstroom uit dezelfde groep en noteer dat op het schema in de kast.
Denken dat een magneetschakelaar beveiligt
Hij meet niets. Een vastgelopen motor, een te warme kabel of een kortsluiting laat hij ongemoeid doorlopen tot de automaat of de aardlek ingrijpt. De beveiliging tegen overbelasting hoort van een thermisch relais of een motorbeveiligingsschakelaar te komen, ingesteld op de waarde van het typeplaatje.
Het thermisch relais hoger zetten omdat het steeds aanslaat
Als het relais wegloopt is er iets aan de hand: een te zware belasting, een slecht lopende lagering of een motor die te vaak achter elkaar aanloopt. Het wieltje omhoog draaien maakt het symptoom weg en laat het probleem staan, met een doorgebrande wikkeling als eindpunt.
Soepele aders zonder adereindhuls onder de klem
Een gevlochten ader waaiert onder de schroef uit, waardoor maar een deel van de draadjes echt contact maakt. De overgangsweerstand loopt op, de klem wordt warm en op termijn verkleurt het kunststof eromheen. Een huls van de juiste maat en een goede krimptang kosten een paar minuten.
De kast volledig volbouwen
Contacten en spoelen geven warmte af, en apparaten die klem tegen elkaar zitten koelen elkaar niet meer weg. De fabrikant geeft daarom een reductiefactor voor het naast elkaar plaatsen. Laat bij zwaar belaste uitvoeringen een module vrij en houd de vrije ruimte boven en onder de rail aan.
Veelgestelde vragen
Wat is een magneetschakelaar?
Een magneetschakelaar is een schakelaar die door een elektromagneet wordt bediend in plaats van met de hand. Op de spoelklemmen A1 en A2 zet je een stuurspanning; het magneetveld trekt een anker aan en dat drukt de hoofdcontacten dicht. Zo schakel je met een klein stuurstroompje een grote belasting, en zit het bedieningspunt volledig gescheiden van het vermogen. In de catalogus van fabrikanten heet hetzelfde apparaat een contactor.
Hoe is de werking van een magneetschakelaar precies?
Er lopen twee kringen door het apparaat die elkaar alleen magnetisch raken. De stuurkring voedt de spoel tussen A1 en A2. Het veld dat daardoor ontstaat trekt het beweegbare anker naar het vaste ijzer, en dat anker duwt via een kunststof brug de hoofdcontacten tegen elkaar. Valt de spanning op de spoel weg, dan duwen veren het anker terug en openen de contacten binnen milliseconden. Omdat hij zonder stuurspanning altijd terugvalt, start een installatie na een stroomonderbreking niet uit zichzelf weer op.
Hoe moet ik een magneetschakelaar van 230V aansluiten?
Controleer eerst dat er echt een spoel van 230 volt in zit, want dat staat op de voorzijde gedrukt. Sluit dan de aders vanaf de automaat aan op de oneven hoofdklemmen 1, 3 en 5 en de aders naar de belasting op de even klemmen 2, 4 en 6. De stuurstroom gaat via het bedieningscontact naar A1 en met de nul naar A2, beide uit dezelfde groep als de belasting. Het schakelende contact hoort in de fase te zitten en niet in de nul, ook al werkt het bij een wisselspanningsspoel elektrisch beide kanten op.
Hoe lees ik een magneetschakelaar schema?
In een schema staat de spoel apart getekend in de stuurstroomkring en staan de hoofdcontacten ergens anders in de vermogenskring. Dat ze los van elkaar staan is normaal: de aanduiding, meestal -K1, verbindt ze. De hoofdcontacten hebben één cijfer per zijde, oneven ingaand en even uitgaand. Hulpcontacten hebben twee cijfers, waarbij het tweede cijfer de functie geeft: eindigt het paar op 1 en 2 dan is het een verbreekcontact, eindigt het op 3 en 4 dan is het een maakcontact.
Wat betekenen 13 en 14 op een magneetschakelaar?
Dat is een hulpcontact en wel een maakcontact, want het paar eindigt op 3 en 4. Het sluit tegelijk met de hoofdcontacten. In een start-stopschakeling leg je 13-14 parallel over de startknop, zodat de schakelaar zichzelf vasthoudt zodra hij is aangetrokken en je de knop kunt loslaten. Een paar dat op 1 en 2 eindigt, zoals 21-22, is het omgekeerde: dat opent juist op het moment dat de schakelaar aantrekt.
Wat is het verschil tussen een magneetschakelaar en een relais?
Het werkingsprincipe is hetzelfde, de bouw niet. Een relais is gemaakt voor kleine stromen en signalen en heeft één onderbreking per contact, zonder voorziening om een vlamboog te doven. Een magneetschakelaar heeft dubbelonderbrekende contacten en kamers die de boog uit elkaar trekken en afkoelen, en mag daardoor een motor onder belasting uitschakelen. Bovendien kun je op een contactor hulpcontactblokken en een thermisch relais klikken. Wat de fabrikant een installatierelais noemt zit qua bouw meestal tussen die twee in.
Waarom bromt mijn magneetschakelaar zo hard?
Een zachte brom hoort bij een spoel op wisselspanning. Is het geluid hard, dan komen de pooltvlakken niet vlak op elkaar door stof, vet, verf of corrosie, of is de koperen kortsluitring in het pooltvlak gebroken. Die ring zorgt dat er ook op het moment dat het wisselveld door nul gaat nog trekkracht is. Maak eerst spanningsloos en reinig de vlakken. Blijft het brommen, dan is vervangen de route, want die ring is ingeperst en niet los verkrijgbaar.
Waarom valt mijn magneetschakelaar niet af?
Meet eerst of er werkelijk geen spanning meer tussen A1 en A2 staat. Blijkt de spoel nog bekrachtigd, dan zit er een sluiting of een parallelle voeding in de stuurkring, of komt de fase uit een andere groep dan je dacht. Staat er niets meer op de spoel en blijft hij toch aangetrokken, dan zitten de hoofdcontacten aan elkaar gelast of klemt het anker mechanisch. In beide gevallen vervang je het apparaat en kies je meteen een zwaardere gebruikscategorie, want vastlassen wijst op een te hoge inschakelpiek.
Hoeveel ampère mag er door een magneetschakelaar?
Dat hangt volledig af van de belasting en niet alleen van het getal op de doos. Bij ohmse belasting zoals een boiler geldt de AC-1 waarde, en die is het hoogst. Bij een motor die tijdens draaien wordt uitgeschakeld geldt de AC-3 waarde, en die ligt bij hetzelfde apparaat vaak op een derde daarvan. Fabrikanten geven per categorie een aparte tabel, meestal ook uitgedrukt in kilowatt bij 400 volt. Zoek daar de rij op die bij jouw belasting past. Welke aderdoorsnede daar weer bij hoort, vind je in het overzicht van draaddiktes en kabelsoorten.
Kan een magneetschakelaar een motor beveiligen?
Nee, hij schakelt alleen. Voor beveiliging tegen langdurige overbelasting klik je er een thermisch relais onder en zet je het verbreekcontact 95-96 daarvan in serie met de spoel. Stel dat relais in op de nominale stroom die op het typeplaatje van de motor staat. Bij zware of veelvuldige aanlopen is een motorbeveiligingsschakelaar met instelbare thermische en magnetische afschakeling geschikter. De automaat in de kast beveiligt de kabel en is niet gedimensioneerd op de motorwikkeling.
Wat is het verschil tussen een magneetschakelaar en een impulsschakelaar?
Een magneetschakelaar staat alleen aan zolang er spanning op de spoel staat. Een impulsschakelaar, ook teleruptor genoemd, wisselt bij elke korte puls van stand en blijft daarna mechanisch staan waar hij staat. Voor licht dat je vanaf vier of vijf drukknoppen wilt bedienen is de impulsschakelaar praktischer. Voor een machine wil je juist het gedrag van de magneetschakelaar, omdat die na een spanningsonderbreking uit blijft. Bij twee bedieningspunten is een schakeling met wissel- en kruisschakelaars vaak eenvoudiger dan allebei.
Mag ik zelf een magneetschakelaar in de meterkast plaatsen?
Het bijplaatsen van een schakelapparaat op de rail achter een bestaande, uitgeschakelde groep mag je in Nederland zelf doen als je weet wat je doet en aantoonbaar spanningsloos werkt. De grens ligt bij alles vóór de hoofdzekering: de aansluitkast, de zegels en de hoofdschakelaar zelf zijn van de netbeheerder en daar blijf je af. Moet er een groep bij, moet de kast groter worden of komt er een voeding naar een onderverdeling, laat dat dan door een installateur doen en opleveren.
Kan ik een magneetschakelaar gebruiken om verlichting te schakelen?
Dat kan, en bij grote aantallen armaturen is het de gebruikelijke oplossing. Let dan wel op de inschakelpiek. Led-drivers en voorschakelapparaten laden bij het inschakelen allemaal tegelijk hun ingangscondensatoren, en die piek is kort maar hoog. Kies een uitvoering die voor AC-5b is vrijgegeven of een lampcontactor met een voorlaadweerstand. Voor een paar lampen in huis is een contactor overbodig; dan volstaat een lamp op een gewone schakelaar aansluiten.
Wanneer je beter een vakman belt
Het aanbrengen van een magneetschakelaar op de rail van een bestaande, uitgeschakelde groep is werk dat een handige klusser met kennis van installatiewerk zelf kan doen. Er zijn wel duidelijke grenzen waar je stopt en belt.
De eerste is alles vóór de hoofdzekering in de meterkast. De aansluitkast, de zegels en de hoofdschakelaar zijn van de netbeheerder en die mag je niet openen of aanpassen. Moet de groepenkast groter worden of komt er een voeding naar een onderverdeling in de garage of de werkplaats, dan hoort dat bij een installateur die het ook meet en oplevert.
De tweede is krachtstroom. Een driefasenmotor met een omkeerschakeling, een ster driehoek aanloop of een frequentieregelaar vraagt kennis van fasevolgorde, vergrendeling en beveiliging die je niet uit een schema haalt. Een verkeerd ingestelde beveiliging merk je pas als de wikkeling doorbrandt.
De derde is machineveiligheid. Zit er een noodstop, een deurschakelaar of een beveiliging aan een machine, dan hoort de stuurkring aan de eisen voor die machine te voldoen en niet aan wat elektrisch toevallig werkt. Laat dat ontwerpen en controleren door iemand die met die norm werkt.
Twijfel je bij een bestaande installatie waar de fase vandaan komt, welke groep waarop zit of waarom een beveiliging steeds aanspreekt, dan is een uur van een installateur goedkoper dan de schade van een verkeerde aanname.