Naar de inhoud
Bekijk de rekenhulpen

Aardlekschakelaar gaat uit: de oorzaak vinden en verhelpen

16 minuten lezen Schakelaars Bijgewerkt 12 augustus 2026
diy-gids.nl ELEKTRA Aardlekschakelaar uit

Een aardlekschakelaar die eruit klapt meldt geen overbelasting maar een lekstroom naar aarde, en daarom slaat er meestal geen enkele zekering door. Gaat hij daarna niet omhoog, druk de hendel dan eerst helemaal naar beneden: veel types springen bij een fout naar een middenstand. De oorzaak vind je door te elimineren, en de verdachten zijn bijna altijd apparaten waar water of hitte bij komt of installatie die buiten hangt. Blijft hij afslaan met alles losgekoppeld, dan is de schakelaar zelf aan vervanging toe.

16 minuten

Dit heb je nodig

10 minuten om te resetten, een avond tot een week om de oorzaak te vinden Opsporen doe je zelf, vervangen alleen met een hoofdschakelaar in de kast Niets voor het opsporen, 30 tot 80 euro voor een nieuwe aardlekschakelaar

Gereedschap

  • Zaklamp of een hoofdlamp, want een meterkast is altijd te donker
  • Spanningszoeker of duspol met een belastingsknop
  • Lekstroomtang met een resolutie van ongeveer 1 microampère
  • Vlakke schroevendraaier van 3 mm voor de klemmen in de kast
  • Perstang voor adereindhulzen
  • Papier en pen om per groep te noteren wat eraan hangt
  • Verlengsnoer om een verdacht apparaat op een andere groep te kunnen testen

Materiaal

  • Aardlekschakelaar type A, 30 mA, 40 A, twee- of vierpolig
  • Aardlekautomaat voor een aparte groep, bijvoorbeeld voor buiten of de wasmachine
  • Aansluitdraad 6 mm² met adereindhulzen
  • Kamrail voor de nul als er meerdere aardlekschakelaars naast elkaar komen
  • Blindstroken om overgebleven ruimte in de kast te dichten
  • Nieuwe labels voor het groepenoverzicht

Waarom de aardlekschakelaar eruit klapt en de zekering niet

Een aardlekschakelaar vergelijkt de stroom die via de fase naar binnen gaat met de stroom die via de nul terugkomt. Zolang die twee gelijk zijn, gebeurt er niets. Verdwijnt er onderweg stroom naar aarde, dan ontstaat er een verschil, en bij ongeveer 30 milliampère schakelt hij binnen een fractie van een seconde af.

Een zekering of installatieautomaat doet iets heel anders. Die kijkt naar de hoogte van de stroom en slaat af bij overbelasting of kortsluiting. Daarom zie je bij een aardfout meestal dat er geen enkele automaat is doorgeslagen: er liep geen te hoge stroom, er liep stroom via de verkeerde weg. Welke onderdelen er verder in en om de groepenkast zitten en wat elk daarvan doet, staat in ons overzicht over schakelaars in huis en in de meterkast.

Dat verschil bepaalt ook waar je gaat zoeken. Slaat er een automaat door, dan hoort daar bijna altijd een moment bij: je zette de waterkoker aan, de droger begon op te warmen. Klapt de aardlekschakelaar eruit terwijl er niets veranderde, dan is een lek langzaam gegroeid of er kwam vocht bij.

Een enkele keer gaan ze samen. Bij een echte sluiting tussen fase en aarde, bijvoorbeeld een schroef dwars door een leiding, springt de automaat van die groep en de aardlekschakelaar tegelijk. Bij zo'n kortsluiting weet je meestal precies waar je moet kijken, want je was daar net bezig.

Wat je aantreftWat er aan de hand isWaar je gaat zoeken
Aardlekschakelaar uit, alle automaten staan nog omhoogLekstroom naar aarde, geen overbelastingApparaat of leiding met vocht of een isolatiefout
Eén automaat gesprongen, de aardlekschakelaar blijft staanKortsluiting of overbelasting in die ene groepWat je net inschakelde, of te veel vermogen op één groep
Aardlekschakelaar en automaat allebei uitSluiting tussen fase en aardeDoorgeboorde leiding, kapot snoer, losse ader in een lasdoos
Aardlekschakelaar staat aan, toch geen stroomAutomaat, hoofdschakelaar of de zekering van de netbeheerder staat uitVan de meter naar de groep de hele rij langslopen
Hij klapt eruit op het moment dat je iets inschakeltInschakelpiek, of een lek dat pas onder spanning ontstaatLedvoedingen, airco, pomp, transformator, boiler
Hij gaat 's nachts uit terwijl er niets aanstaatOptelsom van kleine lekstromen bij een hogere netspanningBuitenverlichting, vijverpomp, apparaten in stand-by

Zet een aardlekschakelaar die meteen weer terugvalt niet met geweld vast. Er is dan een lek van minstens 30 milliampère, en dat is genoeg om iemand die een geleidend deel aanraakt in de problemen te brengen. Zoek eerst de oorzaak en laat de betreffende groep desnoods een nacht uit staan.

De aardlekschakelaar gaat niet omhoog

De aardlekschakelaar wil niet omhoog, gaat niet meer aan en in huis lijkt er niets aan de hand. Dit is de meest gestelde vraag over dit onderdeel, en meestal is er niets kapot. Veel aardlekschakelaars en aardlekautomaten springen bij een fout niet helemaal naar beneden maar naar een middenstand. Vanuit die stand kun je de hendel niet omhoog duwen. Je moet hem eerst helemaal naar beneden drukken en pas daarna weer omhoog zetten.

Wie dat niet weet, duwt vanuit het midden omhoog, voelt weerstand en concludeert dat het ding stuk is. Werkt het na dat helemaal omlaag drukken nog niet, beweeg de hendel dan een paar keer stevig op en neer. Contacten die jaren niet bewogen hebben, lopen soms even vast en komen daarna gewoon weer mee.

Gaat hij omhoog en valt hij direct terug, dan is het lek er nog. Zet dan eerst alle automaten achter die aardlekschakelaar naar beneden, schakel de aardlek in en zet de groepen daarna één voor één weer omhoog. Bij de groep waar hij opnieuw afslaat, weet je waar je verder moet zoeken.

Hoe hij hoort te staan is simpel: in bedrijf staat de hendel omhoog, net als de automaten ernaast. Bij veel merken zit er naast de hendel een klein venster dat rood is als het contact gesloten is en groen als het contact open staat. Groene groepen betekenen dus dat die groepen spanningsloos zijn, niet dat alles in orde is. Staat alles omhoog en heb je toch nergens stroom, controleer dan de hoofdschakelaar in de meterkast en de automaat of het zekeringpatroon van de netbeheerder onder de meter.

Maak voordat je iets verzet een foto van de hele kast met alle standen erop. Ga je daarna groepen omhangen of apparaten loskoppelen, dan kun je altijd terugzien hoe het was.

Zo vind je de groep en het apparaat dat lekt

Uitzoeken waar een lekstroom vandaan komt is elimineren, en dat gaat sneller met een systeem dan met gokken. Begin met een lijst: welke groepen hangen achter deze aardlekschakelaar en wat zit daar allemaal op. Noteer ook wat er permanent in het stopcontact zit maar zelden aan staat, want juist dat wordt vergeten.

Haal daarna de helft van die apparaten los. Echt de stekker eruit, niet alleen uitschakelen. Blijft de storing weg, dan zit hij in de helft die je loskoppelde. Sluit daarvan weer de helft aan en herhaal dat tot je bij één apparaat uitkomt. Treedt de storing maar eens per week op, dan kost dat weken, dus houd bij wat je wanneer hebt losgekoppeld.

De verdachten zijn bijna altijd dezelfde. Alles waar water of hitte bij komt: wasmachine, droger, vaatwasser, waterkoker, koffiezetapparaat, boiler, vloerverwarming. En alles wat buiten hangt: tuinverlichting, vijverpomp, garagedeuropener, een stopcontact in de schuur.

Een groep met veel lasdozen en aftakkingen geeft meer plekken waar het mis kan gaan. Denk aan een hotelschakeling met drie of meer bedieningspunten of een badkamergroep met een serieschakelaar voor licht en ventilator. Een ader die net tegen de rand van een geaarde inbouwdoos aan ligt, geeft precies zo'n klein lek dat pas bij vocht groot genoeg wordt.

Een apparaat hoeft niet aan te staan om de boel eruit te gooien. Ook een wasmachine in stand-by en een lamp die niet brandt hangen met fase en nul aan de installatie, en een lek tussen nul en aarde laat een aardlekschakelaar net zo hard afslaan. Een apparaat zonder randaarde is trouwens ook niet vrijgepleit, want de lekstroom hoeft niet via de aardleiding te lopen om gemeten te worden.

Kom je er met loskoppelen niet uit, hang de verdachte groep dan tijdelijk om naar de andere aardlekschakelaar. Verhuist de storing mee, dan zit het probleem in de installatie erachter. Blijft hij op dezelfde schakelaar zitten, dan is die schakelaar zelf aan vervanging toe.

Waarom de aardlekschakelaar in de nacht uit gaat

Een aardlekschakelaar die om drie uur 's nachts afslaat terwijl iedereen slaapt, lijkt onverklaarbaar. Toch is een aardlekschakelaar die uit gaat in de nacht zo'n vaste klacht dat de oorzaak bijna altijd in hetzelfde hoekje zit: een optelsom van kleine lekstromen.

Bijna elk modern apparaat lekt een heel klein beetje stroom naar aarde. Dat komt door de ontstoringsfilters in schakelende voedingen, in ledvoedingen, in de omvormer van zonnepanelen en in de motorsturing van een wasmachine. Per apparaat gaat het om een fractie van een milliampère. Hang je twintig van die apparaten achter dezelfde aardlekschakelaar, dan zit je zomaar op tien tot vijftien milliampère aan lekstroom die er altijd is. Een schakelaar van 30 milliampère mag volgens de norm al vanaf 15 milliampère afslaan, dus dan zit je tegen de grens aan.

's Nachts is de netspanning iets hoger, omdat er weinig wordt afgenomen. Een lek dat overdag net onder de grens blijft, wordt daardoor net iets groter. Tel daar de dauw op de buitenverlichting bij op, een vijverpomp die de hele nacht doordraait en een vriezer die om vier uur inschakelt, en je hebt precies zo'n willekeurige nachtelijke storing.

Het advies is bij dit soort storingen bijna altijd hetzelfde: verdeel de groepen beter en geef alles wat buiten hangt een eigen groep met aardlekschakelaar of een aardlekautomaat. Ledverlichting die via een dimmer loopt hoort in datzelfde rijtje, want ook die drivers hebben eigen filters die een beetje lekken.

Zet je de groep met buitenverlichting en pomp een paar nachten uit en blijft het rustig, dan weet je genoeg. Blijft hij afslaan terwijl alles buiten spanningsloos is, dan zit het binnen en ga je verder met elimineren.

Testen met de testknop, een duspol en een lekstroomtang

De knop met de T erop maakt binnen in de schakelaar een kunstmatig lek en controleert daarmee alleen het mechaniek. Druk hem twee keer per jaar in, bijvoorbeeld als je de meterstanden opneemt. Hij hoort onmiddellijk af te slaan.

Houd die knop niet lang ingedrukt en druk hem niet tien keer achter elkaar in. Achter de knop zit een weerstand die daar niet op gebouwd is, en juist bij oudere exemplaren gaat de testfunctie daardoor kapot.

Doet de testknop niets, dan is dat geen bewijs dat de schakelaar defect is. Bij een vierpolige aardlekschakelaar zit de testkring tussen twee fasen en heeft hij een spanningsverschil van 400 volt nodig. Zijn de drie fasen tijdelijk vanaf één fase doorgelust, bijvoorbeeld omdat de netbeheerder de andere twee nog moet aanleggen, dan gebeurt er niets terwijl de aardlekbeveiliging gewoon werkt. Hetzelfde geldt als onderaan een fase of de nul niet is aangesloten.

Een echte functietest doe je met een werkelijke lekstroom. Een installateur meet dat met een installatietester die de stroom stapsgewijs opvoert en de uitschakeltijd meet. Met een duspol die een belastingsknop heeft kun je tussen fase en aarde meten, en een gezonde aardlekschakelaar slaat dan meteen af. Wij zagen die test ook doen met een ledlamp van 9,4 watt tussen fase en aarde, goed voor ongeveer 41 milliampère, waarbij beide aardlekschakelaars in de kast direct uitschakelden.

Met een gewone multimeter test je een aardlekschakelaar niet. Die meet spanning en weerstand, geen verschilstroom. Wil je weten hoeveel een draaiende installatie lekt, dan heb je een lekstroomtang nodig met een resolutie van ongeveer een microampère. Leg die om de fase en de nul samen, want alleen dan meet je het verschil tussen heen en terug. Om de aardleiding alleen meten heeft geen zin, omdat een deel van de lekstroom via metalen buizen, leidingwater of de behuizing van andere apparaten wegloopt.

Zowel de duspoltest als het meten met een lekstroomtang betekent werken aan een geopende kast onder spanning. Achter de hoofdzekering en aan de klemmen van de netbeheerder houdt zelf doen op. Daar zit een zegel op dat alleen een installateur met zegelrecht mag verbreken. Kun je de kast niet in één handeling spanningsloos maken, laat het meten dan doen.

Kapot, of gewoon aan het eind van zijn leven

Over de levensduur van een aardlekschakelaar bestaat geen harde afspraak, maar slijten doen ze wel. Het mechaniek moet na jaren stilstaan nog binnen tientallen milliseconden reageren, en dat lukt niet altijd. Wij komen in kasten van dertig jaar oud regelmatig een schakelaar tegen die netjes op de testknop reageert maar bij een echte aardfout niets meer doet. Van dat soort oude exemplaren blijkt in de praktijk grofweg de helft niet meer te werken zoals het hoort.

Dat verschil tussen de testknop en de werkelijkheid is het vervelende eraan. In één kast van 33 jaar oud deden drie van de vijf schakelaars niets meer op het oranje testknopje. Bij een ander exemplaar, een Holec uit 1991, sloeg de testknop juist wel af, maar gebeurde er niets toen er met een duspol tussen fase en aarde gemeten werd. Een nieuwe schakelaar ernaast schakelde in dezelfde test wel meteen uit.

Daar komt bij dat de oude generatie technisch achterhaald is. Die schakelaars zijn type AC, gemaakt voor een zuivere wisselstroomfout. Moderne apparatuur met schakelende voedingen, omvormers en frequentieregelaars produceert lekstromen met een gelijkstroomcomponent, en daar wordt een type AC ongevoelig van. Type A is daarom al sinds eind jaren negentig de standaard voor woningen.

In oude kasten kom je nog een Holec tegen, een AEG aardlekschakelaar of een Merlin Gerin Multi 9 aardlekschakelaar. Passende vervangers daarvoor zijn nauwelijks meer te krijgen. Begeeft zo'n schakelaar het, dan is een complete nieuwe groepenkast vaak goedkoper en netter dan losse componenten zoeken die nog in het oude rek passen.

Een aardlekschakelaar kan ook stuk gaan van een klap van buiten. Een blikseminslag in de buurt, een stekkerblok met overspanningsbeveiliging dat het begeeft, of een flinke kortsluiting: alle drie kunnen ze de schakelaar aanspreken. Een aardlekschakelaar kapot na kortsluiting komt niet vaak voor, maar het gebeurt, en je merkt er niets van omdat hij daarna gewoon inschakelbaar blijft. Controleer na zo'n gebeurtenis dus of hij op een echte lekstroom nog reageert.

TypeReageert opWaar je hem tegenkomtNog te gebruiken
Type ACAlleen zuivere wisselstroomfoutenKasten van voor eind jaren negentig, vaak Holec of AEGNee, vervangen bij de eerste gelegenheid
Type AWisselstroom en pulserende gelijkstroomStandaard in vrijwel elke Nederlandse woningJa, dit is wat je koopt
Type FAls type A, plus gemengde frequentiesWasmachines en apparaten met een frequentieregelaarJa, bij apparatuur met een toerenregeling
Type BOok gladde gelijkstroomfoutenLaadpalen, omvormers, industriële installatiesJa, waar echte gelijkstroom kan optreden
Selectief type SAls type A, maar met een vertragingBovenliggend, als er nog een aardlekschakelaar achter zitJa, alleen voor selectiviteit tussen twee schakelaars

Verschil tussen de aardlekschakelaar en de hoofdschakelaar

Ze zitten naast elkaar in dezelfde kast en van een afstand lijken ze op elkaar, maar ze doen iets heel anders. De hoofdschakelaar heeft geen enkele beveiligende functie. Hij is er alleen om de complete installatie in één handeling spanningsloos te maken, zodat je veilig aan de kast kunt werken. Waar hij hoort te zitten en hoe je hem bedient staat bij de hoofdschakelaar in de meterkast.

De aardlekschakelaar beveiligt juist wel, tegen lekstroom naar aarde. Hij onderbreekt de fase en de nul van de groepen die erachter hangen, maar hij is niet bedoeld om de hele installatie te scheiden. Wil je een deel van het huis bewust spanningsloos zetten, dan kun je de aardlekschakelaar uitzetten, maar controleer daarna met een spanningszoeker of de groep waaraan je werkt echt dood is.

Een aardlekschakelaar als hoofdschakelaar gebruiken mag daarom niet. De eindgroepen moeten verdeeld zijn over minstens twee aardlekschakelaars, zodat één fout nooit het hele pand donker maakt. En niet elk exemplaar heeft een scheiderfunctie. Kijk op de voorkant naar het schakelaarsymbool: een liggend streepje bij de open zijde van het contact betekent dat hij ook echt scheidt.

Hoeveel aardlekschakelaars je nodig hebt volgt uit één regel: achter elke aardlekschakelaar mogen maximaal vier eindgroepen zitten. Bij acht groepen zijn dat er dus twee, bij twaalf groepen drie. Verdeel daarbij de verlichtingsgroepen over verschillende schakelaars, anders sta je bij één storing in het complete donker. Loop met de groepencalculator even na hoeveel groepen jouw installatie eigenlijk nodig heeft voordat je de kast indeelt.

Twee aardlekschakelaars achter elkaar zetten kan technisch prima, bijvoorbeeld bij een onderverdeler in een schuur. Alleen slaan ze bij een fout ver achteraan allebei af, want ze zien dezelfde lekstroom. Wil je dat de voorste blijft staan, dan moet die een selectief type met vertraging zijn.

OnderdeelWat het doetWaartegen het beschermtHoeveel er in een normale kast zitten
HoofdschakelaarMaakt de complete installatie in één handeling spanningsloosNergens tegen, het is geen beveiligingEén, bij drie fasen vierpolig
AardlekschakelaarMeet het verschil tussen fase en nul en schakelt bij lekstroomAanraken van spanning en brand door lekstroomEén per maximaal vier eindgroepen
InstallatieautomaatSlaat af bij overbelasting en bij kortsluitingTe warm wordende leidingen en sluitingEén per eindgroep
AardlekautomaatDoet allebei in één component van twee modules breedLekstroom, overbelasting en kortsluiting van die ene groepHandig voor buiten, wasmachine, zonnepanelen of een laadpunt
Zekering van de netbeheerderBeveiligt de aansluitkabel naar de meterOverbelasting van de huisaansluitingEén per fase, verzegeld

Tweepolig, vierpolig, 30 mA of 300 mA

Welke aardlekschakelaar je nodig hebt volgt rechtstreeks uit je aansluiting. Heb je één fase, dus één hoofdzekering, dan gebruik je een 2-polige aardlekschakelaar. Die onderbreekt de fase en de nul. Heb je drie fasen, dus drie hoofdzekeringen, dan gebruik je een 4-polige aardlekschakelaar, die de drie fasen en de nul onderbreekt.

Een driefasenaansluiting betekent niet dat alles achter een vierpolige moet. Voor een driefasenverbruiker, zoals een kookgroep of een krachtaansluiting in de garage, is een vierpolige de juiste keuze. De gewone enkelfasige groepen hang je liever achter tweepolige schakelaars, netjes verdeeld over de drie fasen. Een enkelfase-installatie achter een vierpolige zetten mag wel, maar het is niet de bedoeling en het kost onnodig ruimte in de kast. Een 3-polige aardlekschakelaar bestaat ook, voor drie fasen zonder nul, maar die kom je in woningen nauwelijks tegen.

Naast het aantal polen staat er een ampèrewaarde op, meestal 25A, 40A of 63A. Die waarde zegt alleen hoeveel stroom er doorheen mag en moet passen bij wat ervoor zit. Een zwaardere aardlekschakelaar kopen omdat de huidige eruit klapt, verandert dus niets: de gevoeligheid blijft 30 milliampère.

Die gevoeligheid is het tweede getal. In Nederlandse woningen is 30 milliampère de norm, omdat een mens daaronder nog net geen blijvende schade oploopt. Een schakelaar van 300 milliampère beschermt geen mensen maar alleen tegen brand door lekstroom, en die kom je hier nog tegen bij zonnepaneelgroepen en in oudere installaties. In België is de indeling anders: daar hangt een schakelaar van 300 milliampère voor de droge groepen en een van 30 milliampère voor de natte ruimten. Wie een Belgische kast met een Nederlandse bril bekijkt, telt daardoor snel verkeerd bij het aantal groepen per schakelaar.

Er bestaat ook een aardlekschakelaar van 10 mA, voor bijzondere situaties zoals een aquarium of een behandelruimte. In een gewone woninginstallatie is dat kansloos, want de optelsom van kleine lekstromen haalt die grens vanzelf.

Wat er op de voorkant staat: 30mA, 300mA of 10mA

De gevoeligheid staat op het front van de schakelaar, meestal als 0,03 A en soms als 30mA. Dat is dezelfde waarde, want 0,03 ampère is 30 milliampère. Verpakkingen en webshops schrijven het vaak aan elkaar, dus 30mA, 300mA en 10mA betekenen 0,03 A, 0,3 A en 0,01 A.

Voor alle eindgroepen in een woning is 30mA wat je nodig hebt, en daar valt niet mee te schuiven zodra er stopcontacten achter zitten. Een schakelaar van 300mA plaats je hooguit bovenliggend als brandbeveiliging, met daarachter nog steeds 30mA per rij groepen. Als enige beveiliging voor gewone groepen is 300mA te ongevoelig om iemand te beschermen die spanning aanraakt.

Een uitvoering van 10mA gebruik je alleen voor één verbruiker op een eigen groep, bijvoorbeeld een aquarium of een behandelruimte. Hang je hem voor een halve kast, dan halen de netfilters van alle apparaten samen die grens vanzelf en sta je elke week in de meterkast. Wij zetten in zo'n geval liever een aardlekautomaat van 30mA op dat ene apparaat, tenzij een fabrikant of een keuringseis uitdrukkelijk om 10mA vraagt.

UitvoeringWanneer je die kiestWaar je op let
2-polig, 40 A, 30 mA, type AStandaardwoning met één fase, maximaal vier groepen erachterHet gangbaarste type, bijvoorbeeld een ABB FH202 A-40/0,03
2-polig, 25 AKleine onderverdeler, tuinhuis of schuur met weinig groepenDe ampèrewaarde moet passen bij de voorbeveiliging
4-polig, 40 A, 30 mADrie fasen, of een krachtgroep zoals een kookgroepDe testknop werkt alleen bij echte 400 volt tussen twee fasen
3-poligDrie fasen zonder nulZeldzaam, in woningen kom je die niet tegen
30 mAAlle eindgroepen in een woningBeschermt mensen, verplicht bij stopcontacten
300 mABrandbeveiliging, zonnepanelen, Belgische droge groepenBeschermt geen mensen tegen aanraking
10 mAAquarium, laboratorium, behandelruimteSlaat in een gewone woning voortdurend af

Vervangen en aansluiten in de groepenkast

Een aardlekschakelaar vervangen is op zich overzichtelijk werk: twee of vier draden eraf, evenveel erop, en hij klikt op de DIN-rail. De vraag is alleen of je de kast spanningsloos krijgt. Zit er een hoofdschakelaar in, dan kun je dat zelf doen. Ontbreekt die, dan is de verzegelde hoofdzekering de enige onderbreking en heb je een installateur met zegelrecht nodig.

Dan de vraag of je de aardlekschakelaar boven of onder moet aansluiten. De voeding hoort aan de bovenkant en de afgaande groepen aan de onderkant. Een aardlekschakelaar aansluiten boven of onder maakt bij de meeste componenten technisch niets uit, want er is geen norm die het regelt en de fabrikant bepaalt het. Spanningsafhankelijke aardlekautomaten en type B schakelaars zijn de uitzondering, die zijn wel richtingsgevoelig. Draai het toch niet om. De volgende die in jouw kast werkt, gaat er vanzelfsprekend van uit dat de voeding boven zit, en dat is precies het soort aanname waar ongelukken uit voortkomen.

Let bij het bestellen op de breedte. Een standaard aardlekautomaat is twee modules breed. Er bestaan uitvoeringen van één module, maar bij de bekende merken zijn dat er een handjevol tegenover honderden van twee modules. Krijg je per ongeluk smalle exemplaren geleverd, dan houd je ruimte over die je met blindstroken dichtmaakt. Controleer ook of je echt aardlekautomaten hebt en geen gewone installatieautomaten: een aardlekautomaat heeft altijd een testknop.

Merkverschillen zitten vooral in de klemmen en de kamrails, niet in de werking. Wie een ABB aardlekschakelaar aansluit houdt dezelfde volgorde aan als bij een Hager of een Eaton: voeding boven, groepen onder, nul netjes op de daarvoor bedoelde klem. Een 4-polige aardlekschakelaar aansluiten gaat precies zo, alleen komen er drie fasen en een nul op in plaats van één fase en een nul. Wissel je van merk, dan moet de bedrading aan de onderkant vrijwel altijd op maat gemaakt worden, zeker als daar een kamrail zat.

De verbinding van de hoofdschakelaar naar de aardlekschakelaars maak je met 6 mm² aansluitdraad. Bij 40 ampère is 4 mm² vrij verlegd nog toegestaan, maar 6 mm² is de praktijk en zit prettiger in de klemmen. Welke doorsnede bij welke belasting en legwijze hoort, zoek je op in de draad- en kabelkiezer.

Zitten er meerdere aardlekschakelaars naast elkaar, verbind de nul dan door met een kamrail in plaats van met losse draadjes naar een aansluitblok. Dat scheelt plaatsen op het nulblok en het oogt een stuk rustiger. Werk met adereindhulzen die je met een echte perstang knijpt. Een huls die je platslaat met een combinatietang geeft een hogere overgangsweerstand, en die plek wordt warm.

Achter de hoofdzekering en aan de klemmen van de netbeheerder stopt het zelf doen. Op die zekering zit een zegel dat alleen een installateur met zegelrecht mag verbreken. Ook het verlengen van de voedingsdraden vanaf de meter valt daaronder. Wil je de kast verplaatsen of vergroten, bel dan eerst en werk pas daarna.

Geen aardlekschakelaar in huis, en wat er bij bedrijven geldt

In woningen van voor het midden van de jaren zeventig zit vaak nog geen aardlekschakelaar. Dat is op zich niet verboden: een installatie hoeft te voldoen aan de eisen die golden toen hij werd aangelegd. Zodra je de installatie aanpast, geldt de norm van nu, en dan hoort er een aardlekschakelaar van 30 milliampère in.

Alleen is dat in een oud huis zelden een kwestie van even een component bijplaatsen. Een aardlekschakelaar werkt pas goed als de nul en de aarde vanaf de meterkast gescheiden zijn en als elke groep een eigen doorgaande aardleiding heeft. In een woning waar de aarding via metalen buizen en de waterleiding loopt en waar de helft van de stopcontacten geen randaarde heeft, is dat een flinke ingreep. Het gevolg is dat een op zich goedkope verbetering vaak niet los mag, omdat je de installatie dan gedeeltelijk zou aanpassen.

Dat brengt je bij het TN-C stelsel. Daarin zijn de nul en de aarde één gecombineerde geleider, de PEN. In een TN-C stelsel kan een aardlekschakelaar niet werken, want de lekstroom loopt via diezelfde geleider terug en dan meet de schakelaar geen verschil. Je moet de PEN dus eerst splitsen in een aparte nul en een aparte aarde en pas daarna de aardlekschakelaar plaatsen.

Een aardlekschakelaar is verplicht bij bedrijven en daar valt weinig aan te onderhandelen. Stopcontacten waar medewerkers en bezoekers bij kunnen, horen beveiligd te zijn met 30 milliampère, en de installatie moet periodiek gekeurd worden. In een werkplaats of een keuken met veel vocht en veel apparatuur zet je de zwaardere verbruikers op eigen aardlekautomaten, anders leg je met één storing het complete pand plat. Wat er verder bij de elektra van een woning of bedrijfspand komt kijken, staat in ons overzicht.

Zo spoor je op waarom de aardlekschakelaar eruit klapt

Werk van boven naar beneden door de kast en verander steeds maar één ding tegelijk.

  1. Zet hem eerst op de goede manier terug

    Druk de hendel helemaal naar beneden en zet hem daarna pas omhoog. Veel types springen bij een fout naar een middenstand en laten zich vanuit die stand niet inschakelen. Blijft hij staan, dan was het een eenmalige storing en kun je hem laten zitten tot hij terugkomt.

  2. Kijk of hij het houdt met alle groepen uit

    Zet alle automaten achter deze aardlekschakelaar naar beneden en schakel de aardlek daarna in. Blijft hij nu staan, dan zit de fout in een van de groepen. Valt hij ook zonder groepen meteen terug, dan is de schakelaar zelf verdacht of zit er een fout in de bedrading ervoor.

  3. Zet de groepen één voor één terug

    Schakel de automaten weer omhoog, telkens één, met een paar seconden ertussen. Noteer bij welke groep de aardlek afslaat. In een groep met veel schakelpunten, zoals een wisselschakeling tussen twee bedieningspunten, zit de fout net zo vaak in een lasdoos als in een apparaat.

  4. Haal in die groep de stekkers eruit en halveer

    Trek alle stekkers van die groep uit het stopcontact, ook van apparaten die uit staan. Sluit daarna telkens de helft weer aan. Bij welke helft hij terugkomt, daar zoek je verder. Zo kom je in vier of vijf rondes bij één apparaat uit in plaats van bij een vermoeden.

  5. Controleer alles wat buiten hangt

    Loop de buitenverlichting, de vijverpomp, het schuurstopcontact en de garagedeuropener langs en kijk naar water in de armaturen, haarscheurtjes in oude snoeren en groen uitgeslagen klemmen. Vocht is veruit de meest voorkomende oorzaak, en een storing die pas na een regenbui optreedt wijst er direct op.

  6. Wissel de verdachte groep naar de andere aardlekschakelaar

    Levert elimineren niets op, hang de groep dan om naar de andere aardlekschakelaar in de kast. Verhuist de storing mee, dan zit het lek in die groep. Blijft dezelfde schakelaar afslaan terwijl de groepen verwisseld zijn, dan is de schakelaar zelf op. Doe dit alleen met de kast spanningsloos via de hoofdschakelaar.

  7. Laat de lekstroom per groep meten

    Kom je er niet uit, dan is een meting met een lekstroomtang de kortste weg. Daarmee wordt per groep de verschilstroom tussen fase en nul gemeten, met de installatie gewoon in bedrijf. Zo zie je meteen of het om één groep gaat of om een optelsom van kleine lekjes over de hele kast.

  8. Los op wat je gevonden hebt

    Is het één apparaat, dan gaat dat naar de reparatie of de kringloop. Is het een optelsom, dan verdeel je de groepen anders of plaats je een aardlekschakelaar erbij, met maximaal vier eindgroepen per stuk. Ligt het aan de schakelaar zelf, dan komt er een nieuwe type A in.

Maatvoering

De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens

Ruimte of vakgebiedOnderdeelGangbare maatMarge die in de praktijk werktWaar je op moet letten
SanitairWastafel, bovenkant85 cm boven de vloer80 tot 90 cmMeet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm.
SanitairWastafelkraan, uitloop25 tot 30 cm boven de wastafelrandwat past bij de komTe hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder.
SanitairFonteintje in het toilet80 tot 85 cm75 tot 90 cmVaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is.
SanitairToiletpot, bovenkant zitting40 tot 43 cm38 tot 48 cmEen verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger.
SanitairHangend toilet, onderkant pot40 cm boven de vloer38 tot 45 cmDe hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast.
SanitairToiletrolhouder70 cm hoog, 25 cm voor de pot60 tot 80 cmTe ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit.
SanitairDouchekraan, thermostaat100 tot 110 cm95 tot 120 cmJe wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan.
SanitairDoucheglijstang, bovenkant180 tot 200 cmafhankelijk van de lengste gebruikerReken op minstens 20 cm boven de kruin.
SanitairRegendouche, onderkant kop205 tot 215 cm200 tot 220 cmOnder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd.
SanitairHanddoekradiator, onderkant20 tot 30 cm boven de vloer15 tot 40 cmLaag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen.
SanitairAfvoer wastafel, muurdoorvoer50 tot 55 cm45 tot 60 cmOnder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling.
ElektraStopcontact in een woonruimte30 cm hart boven de vloer25 tot 40 cmBij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen.
ElektraStopcontact boven een aanrechtblad115 tot 125 cm10 tot 20 cm boven het bladUit de spatzone van de kraan blijven.
ElektraLichtschakelaar105 cm hart boven de vloer90 tot 120 cmGelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld.
ElektraDeurklink100 cm hart boven de vloer95 tot 105 cmOok de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen.
ElektraMeterkast, groepenkast150 tot 180 cmbereikbaar zonder trapjeDe hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn.
ElektraWandcontactdoos buitenminimaal 30 cm boven maaiveldhoger bij kans op opspattend waterSpatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten.
ElektraBedrade deurbel, drukknop110 tot 130 cm100 tot 140 cmOok bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel.
ElektraWandlamp naast een spiegel160 tot 170 cmop ooghoogte van de gebruikerLicht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven.
ElektraTelevisieaansluiting40 cm of op de hoogte van het schermafhankelijk van de opstellingBij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm.
KeukenWerkblad, bovenkant90 tot 95 cm85 tot 100 cmVuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger.
KeukenBovenkasten, onderkant50 tot 60 cm boven het blad45 tot 65 cmTe laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken.
KeukenAfzuigkap boven een elektrische kookplaat60 cm55 tot 70 cmOnder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht.
KeukenAfzuigkap boven een gaspit65 cm65 tot 75 cmBij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam.
KeukenPlint onder de keukenkasten10 tot 15 cmstandaard 15 cmTerugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan.
KeukenInbouwoven op ooghoogteonderkant op 85 tot 90 cmnaar de gebruikerScheelt bukken met een hete plaat in je handen.
TrapTrapleuning90 cm boven de voorkant van de trede85 tot 100 cmMeet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer.
TrapLeuning langs een bordes100 cm90 tot 110 cmBij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap.
TrapOptrede, hoogte per trede18 tot 20 cmmaximaal 21 cm binnen een woningAlle treden even hoog, ook de eerste en de laatste.
TrapAantrede, diepte van de trede22 tot 24 cmminimaal 22 cmVuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm.
TrapVrije doorloophoogte boven de trap230 cmminimaal 210 cmMeet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond.
TrapSpijlafstand van een balustrademaximaal 10 cmkleiner bij kinderenZo kan een kinderhoofdje er niet tussen.
DeurenBinnendeur, standaardmaat83 bij 201,5 cm78 tot 93 cm breedDe dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad.
DeurenVoordeur, standaardmaat88 bij 201,5 cm83 tot 100 cm breedBreder is prettig bij verhuizen en bij een rollator.
DeurenSpeling onder een binnendeur1 tot 1,5 cm2 cm bij mechanische ventilatieDe kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet.
DeurenSpeling rondom in het kozijn3 mm2 tot 4 mmTe weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt.
DeurenScharnieren, afstand tot de hoek20 cm van boven en onder15 tot 25 cmBij een zware deur een derde scharnier in het midden.
VentilatieVentilatierooster in een raamboven in het kozijnop de bovenregelWarme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder.
VentilatieAfzuigpunt in een badkamerhoog in de ruimte20 tot 30 cm onder het plafondVocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet.
VentilatieMuurrooster kruipruimtenet boven het maaiveldminimaal 15 cmAnders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht.
VentilatieDakdoorvoer, afstand tot de nokminimaal 50 cmafhankelijk van het typeTe dicht bij de nok geeft terugslag bij wind.

Samengesteld uit gangbare praktijkmaten, de eisen uit het Bouwbesluit waar die van toepassing zijn, en montagevoorschriften van fabrikanten. Standaardmaten zijn een vertrekpunt, geen wet: pas ze aan op de lengte van de mensen die de ruimte gebruiken. Bij nieuwbouw en verbouw gelden de actuele bouwregels boven elke vuistregel.

Voordat je concludeert dat de aardlekschakelaar kapot is

Uit de praktijk

Dit kwamen we tegen

Nieuwbouwwoning waar één aardlekschakelaar willekeurig afsloeg

In een huis uit 2016 klapte vanaf de oplevering af en toe dezelfde aardlekschakelaar eruit, zonder patroon en zonder dat er een automaat meeging. De elektricien van de bouwer mat de installatie door, vond nergens een te hoge lekstroom en wisselde uiteindelijk twee groepen om van de ene aardlekschakelaar naar de andere. Zijn verklaring was een optelsom van kleine lekstromen, en na die verdeling bleef het maandenlang rustig.

Daarna kwam het terug. De verdachten waren een Miele-wasmachine van twaalf jaar oud die geen aan-uitknop heeft en dus permanent in stand-by staat, en een paar plafonnières in de badkamer waarvan de randaarde was aangesloten. Dat het juist gebeurde terwijl de wasmachine niet draaide, leek tegenstrijdig, maar dat is het niet: een apparaat in stand-by hangt gewoon met fase en nul aan de installatie en lekt via zijn netfilter door.

De storing viel op tijdens een vakantie, en niet door het donker maar doordat de gegevens van de zonnepanelen wegvielen. De modem zat namelijk op diezelfde aardlekschakelaar. Wat hier hielp: de stekker van de wasmachine ertussenuit halen als hij niet draaide, en daarna per groep de lekstroom laten meten met een lekstroomtang in plaats van blijven gokken.

Dit kwamen we tegen

De schakelaar die alleen 's nachts afsloeg

Een woning van dertig jaar oud, en opeens viel de aardlekschakelaar er ongeveer eens per week of tien dagen uit, altijd 's nachts en altijd zonder dat er ook maar één zekering meeging. Overdag gebeurde het nooit. Precies op het moment dat er het minste stroom werd afgenomen ging het mis.

Achter die ene schakelaar van 30 milliampère hing van alles: buitenverlichting die er al vijfentwintig jaar zat, een vijverpomp die dag en nacht draait en een elektrische garagedeur. De hele installatie hing achter maar twee aardlekschakelaars, dus veel meer dan de vier eindgroepen per stuk die hier gebruikelijk zijn.

De combinatie verklaart het gedrag. De lekstroom van al die apparaten bij elkaar zat al tegen de grens, de netspanning is 's nachts hoger en dauw op een oud buitenarmatuur doet de rest. De buitenverlichting bleek inderdaad de zwakke plek, kort na het vervangen van een kapotte lamp. De structurele oplossing was niet een zwaardere schakelaar maar alles wat buiten hangt op een eigen aardlekautomaat, en de groepen beter verdelen over meer aardlekschakelaars.

Dit kwamen we tegen

Tuinhuis waar de schakeldraad om de aardlekschakelaar heen liep

Vanuit de meterkast liep een vieraderige grondkabel naar een tuinhuis met een eigen kastje erin. Onderweg voedde die kabel drie buitenlampen op een schemerschakelaar en twee buitenstopcontacten. In het tuinhuis kwam de kabel binnen op een aardlekschakelaar met vier groepen erachter. Achter dat kastje zat nog één buitenlamp die meeschakelde met dezelfde schemerschakelaar.

Het probleem: de schakeldraad naar die laatste lamp liep buiten het kastje om rechtstreeks naar de armatuur, terwijl de nul van diezelfde lamp wel via een groep in het kastje liep. De stroom ging er dus buiten de aardlekschakelaar om in en kwam er via de aardlekschakelaar uit. Dat is per definitie een verschilstroom, en dus sloeg hij af, steevast op het moment dat de schemerschakelaar inschakelde.

De regel die je hieruit meeneemt: fase en nul van dezelfde verbruiker moeten altijd door dezelfde aardlekschakelaar lopen. Deze fout is ook gevaarlijk, want als die aardlekschakelaar afslaat lijkt alles spanningsloos, terwijl er via de langslopende schakeldraad nog gewoon spanning op de lamp staat.

Dit kwamen we tegen

Twee testknoppen die geen van beide iets deden

In een Hager-kast zaten twee driefasen aardlekschakelaars en bij allebei gebeurde er niets als je de testknop indrukte. Alle groepen werkten gewoon, en met de schakelaars op uit ging de stroom er netjes af. Dat ze allebei tegelijk defect zouden zijn, klonk onwaarschijnlijk.

Dat was het ook. De driefasenaansluiting was nog niet aangelegd door de netbeheerder, dus de drie fasen waren tijdelijk vanaf één fase doorgelust: L1 aan L2 en L2 aan L3. De testkring van een vierpolige aardlekschakelaar zit tussen twee fasen en heeft 400 volt spanningsverschil nodig. Met drie keer dezelfde fase is dat verschil nul en gebeurt er niets, hoe hard je ook drukt.

De beveiliging zelf werkte prima. Dat werd aangetoond door een echte lekstroom van ongeveer 41 milliampère tussen fase en aarde te maken, met een lamp van 9,4 watt. Beide schakelaars sloegen meteen af. De les: een testknop die niets doet betekent eerst kijken naar de aansluiting, en pas daarna concluderen dat de schakelaar aan vervanging toe is.

Veelgemaakte fouten

Een zwaardere aardlekschakelaar kopen omdat hij eruit klapt

De ampèrewaarde van 25, 40 of 63 ampère zegt alleen hoeveel stroom er doorheen mag. De gevoeligheid blijft 30 milliampère, want dat is de waarde waarbij een mens beschermd is. Een zwaarder exemplaar lost dus niets op, en de storing komt na de wissel gewoon terug.

Denken dat een uitgeschakeld apparaat niet de dader kan zijn

Een wasmachine zonder aan-uitknop, een lamp die niet brandt en een oplader zonder telefoon eraan hangen allemaal met fase en nul aan de installatie. Ze lekken via hun netfilter door alsof er niets veranderd is. Zoek daarom altijd met de stekker eruit, niet met de knop uit.

De lekstroomtang om de aardleiding leggen

Dat lijkt logisch, maar de lekstroom loopt lang niet altijd via de aardleiding terug. Metalen behuizingen, leidingwater en de aarding van andere apparaten vormen parallelle wegen. Leg de tang om de fase en de nul samen, dan meet je het werkelijke verschil tussen wat er in en uit gaat.

Alle groepen achter één aardlekschakelaar hangen

Meer groepen betekent meer apparaten en dus een grotere optelsom aan lekstroom. Zit je met tien groepen op één schakelaar, dan zit je structureel tegen de uitschakelgrens aan en gaat het bij elke kleine verandering mis. Maximaal vier eindgroepen per aardlekschakelaar is de regel.

De testknop zien als bewijs dat hij goed werkt

De testknop controleert alleen het mechaniek, niet de meetspoel die een echte aardfout moet zien. Wij troffen een schakelaar uit 1991 aan die netjes op de knop afsloeg maar niets deed bij een werkelijke lekstroom tussen fase en aarde. Alleen een test met echte lekstroom geeft zekerheid.

De aardlekschakelaar als hoofdschakelaar gebruiken

Dan valt bij één fout de hele verdeler uit, terwijl de eindgroepen juist over minstens twee aardlekschakelaars verdeeld horen te zijn. Daarbij heeft niet elke aardlekschakelaar een scheiderfunctie, en zonder dat symbool op de voorkant mag je hem niet gebruiken om de installatie veilig te scheiden.

Fase en nul van hetzelfde toestel langs verschillende wegen laten lopen

Loopt de schakeldraad buiten de kast om terwijl de nul wel door de aardlekschakelaar gaat, dan meet die schakelaar een verschilstroom die er niet is. Hij slaat af zodra het toestel inschakelt. Erger nog: na het afslaan staat er via die langslopende ader nog spanning op de lamp of het apparaat.

Een oude type AC laten zitten omdat hij het nog doet

Type AC reageert alleen op zuivere wisselstroomfouten. Moderne apparatuur met een schakelende voeding of een omvormer geeft lekstromen met een gelijkstroomcomponent, en daar wordt zo'n oude schakelaar juist ongevoelig van. Hij kan er jaren onopgemerkt bij hangen zonder nog te beschermen.

Veelgestelde vragen

Waarom gaat de aardlekschakelaar uit terwijl er geen stoppen zijn doorgeslagen?

Omdat die twee naar iets anders kijken. Een automaat of stop slaat door bij te veel stroom, dus bij overbelasting of kortsluiting. De aardlekschakelaar meet het verschil tussen wat er via de fase in gaat en via de nul terugkomt, en dat verschil kan een paar tienden van een ampère zijn zonder dat de groep ook maar in de buurt van zijn maximum komt. Bij een lekstroom is er dus geen enkele reden voor de zekering om iets te doen.

De aardlekschakelaar gaat niet omhoog, wat kan ik doen?

Druk de hendel eerst helemaal naar beneden en zet hem daarna pas omhoog. De meeste types springen bij een fout naar een middenstand en laten zich vanuit die stand niet inschakelen. Lukt het dan nog niet, beweeg de hendel dan een paar keer stevig heen en weer om het mechaniek los te maken. Gaat hij omhoog en valt hij direct terug, dan zit het lek er nog en zet je eerst alle automaten erachter naar beneden.

Hoe moet de aardlekschakelaar staan en wat betekent dat groene venstertje?

In bedrijf staat de hendel omhoog, net als de automaten ernaast. Veel merken hebben een klein venster naast de hendel dat rood is als de contacten gesloten zijn en groen als ze open staan. Groene groepen betekenen dus dat die groepen spanningsloos zijn. Dat is geen storingsmelding en ook geen kwaliteitsoordeel, het is alleen een aflezing van de contactstand die je gebruikt om te controleren of een groep echt uit is voordat je eraan werkt.

De aardlekschakelaar staat aan maar er is geen stroom, waar zoek ik dan?

Loop de rij van de meter naar het stopcontact af. Eerst het zekeringpatroon of de automaat van de netbeheerder onder de meter, dan de hoofdschakelaar, dan de aardlekschakelaar en pas daarna de automaat van die ene groep. Is het maar één groep die dood is, dan zit het bij die automaat. Ligt het hele huis eruit terwijl de aardlekschakelaar omhoog staat, dan is de hoofdschakelaar of de aansluiting van de netbeheerder aan de beurt. Controleer ook of de hendel echt bovenin klikt en niet in de middenstand hangt.

Kan de aardlekschakelaar eruit gaan door vocht?

Vocht is de meest voorkomende oorzaak van alle. Water in een buitenarmatuur, condens in een lasdoos, een oud snoer met haarscheurtjes dat in de vijver ligt of een buitenstopcontact waar regen in spat: allemaal geven ze een lekpad naar aarde. Typisch is dat de storing na een regenbui of in een vochtige nacht optreedt en overdag weer verdwijnt. Zorg dat buitenstopcontacten hoog genoeg zitten en dat de spatwaterdichte dekseltjes echt dicht kunnen; de standaardhoogtes voor stopcontacten en schakelaars geven daar een bruikbaar uitgangspunt voor.

Waarom klapt de aardlekschakelaar eruit zodra de buitenverlichting aan gaat?

Er zijn twee gebruikelijke verklaringen. De eerste is een lek in het armatuur of de kabel dat pas stroom trekt zodra de lamp onder spanning staat. De tweede zie je bij tuininstallaties met een schemerschakelaar: de schakeldraad loopt buiten de aardlekschakelaar om naar de lamp terwijl de nul er wel doorheen gaat. Dan meet de schakelaar een verschil dat er in werkelijkheid niet is. Controleer bij een schakeling met meerdere bedieningspunten, zoals een gewone lichtschakelaar met een aparte schakeldraad, of fase en nul van hetzelfde punt door dezelfde schakelaar lopen.

Wat is het verschil tussen een hoofdschakelaar en een aardlekschakelaar?

De hoofdschakelaar beveiligt niets. Hij zit er alleen om de complete installatie in één handeling spanningsloos te maken, zodat je veilig aan de kast kunt werken. De aardlekschakelaar is wel een beveiliging: hij meet lekstroom naar aarde en schakelt bij ongeveer 30 milliampère de fase en de nul van de groepen erachter af. Ze zijn niet uitwisselbaar. Een aardlekschakelaar mag je niet als hoofdschakelaar gebruiken, onder meer omdat de eindgroepen over minstens twee aardlekschakelaars verdeeld moeten zijn.

Hoeveel aardlekschakelaars mag ik achter één hoofdschakelaar zetten?

Aan het aantal achter de hoofdschakelaar zit geen praktische grens, zolang de hoofdschakelaar en de voorbeveiliging de totale stroom aankunnen. De echte regel zit een niveau lager: achter elke aardlekschakelaar mogen maximaal vier eindgroepen. Bij twaalf groepen heb je er dus drie nodig, bij zestien groepen vier. Verdeel de verlichting daarbij over verschillende aardlekschakelaars, zodat één storing nooit het hele huis donker maakt. Twee aardlekschakelaars achter elkaar mag ook, maar dan slaan ze bij een fout allebei af tenzij de bovenste een selectief type is.

Moet ik een aardlekschakelaar van 30 mA of 300 mA nemen?

Voor alle eindgroepen in een woning is dat 30 milliampère. Die waarde is gekozen omdat een mens daaronder nog net geen blijvende schade oploopt bij aanraking. Een schakelaar van 300 milliampère beschermt geen mensen maar alleen tegen brand door lekstroom, en die zie je hier nog bij zonnepaneelgroepen en in oude kasten. In België is de opzet anders: daar zit 300 milliampère voor de droge groepen en 30 milliampère voor de natte ruimten, dus de vergelijking met een Nederlandse kast gaat daar niet op.

De testknop van mijn aardlekschakelaar werkt niet, is hij dan kapot?

Niet automatisch. Controleer eerst of er wel spanning op staat en of de hoofdschakelaar aan is. Bij een vierpolige schakelaar zit de testkring tussen twee fasen en heeft die 400 volt nodig: zijn de fasen tijdelijk vanaf één fase doorgelust, dan doet de knop niets terwijl de beveiliging gewoon werkt. Kijk ook of onderaan alle fasen en de nul echt aangesloten zijn. Blijft er na die controles niets gebeuren, dan is het exemplaar inderdaad aan vervanging toe.

Kan ik een aardlekschakelaar testen met een multimeter?

Niet met een gewone multimeter, want die meet spanning en weerstand en geen verschilstroom. Voor een echte test heb je een kunstmatige lekstroom nodig. Een installateur gebruikt daarvoor een installatietester die de stroom opvoert en de uitschakeltijd meet. Wil je alleen weten hoeveel je installatie lekt, dan is een lekstroomtang het juiste gereedschap; leg die om de fase en de nul samen en niet om de aardleiding. Beide metingen doe je aan een geopende kast onder spanning, dus dat is werk voor iemand die dat dagelijks doet.

Mag ik zelf een oude aardlekschakelaar vervangen?

Dat hangt af van één ding: zit er een hoofdschakelaar in de kast. Zo ja, dan kun je de kast spanningsloos maken en is het vervangen van een aardlekschakelaar overzichtelijk werk. Ontbreekt de hoofdschakelaar, dan is de verzegelde hoofdzekering de enige onderbreking, en dat zegel mag alleen een installateur met zegelrecht verbreken. Houd er ook rekening mee dat installateurs meestal geen zelf gekocht materiaal willen inbouwen. Wat je in ieder geval zelf kunt voorbereiden, is opschrijven welke groepen waar op zitten en of je een twee- of vierpolige nodig hebt; hoe je dat in de kast terugvindt lees je bij de indeling van de meterkast.

Wanneer je beter een vakman belt

Het opsporen van de oorzaak kun je grotendeels zelf doen. Elimineren kost vooral tijd en geen vakkennis, en juist jij weet welke apparaten er in huis staan en wanneer de storing optreedt. Er zijn wel vier momenten waarop je moet stoppen en bellen.

Het eerste is de meterkast achter de hoofdzekering. Op die zekering en op de aansluitklemmen van de netbeheerder zit een zegel. Dat verbreken, de voedingsdraden verlengen of de kast verplaatsen mag alleen een installateur met zegelrecht. Zit er geen hoofdschakelaar in de kast, dan kun je hem niet spanningsloos maken en valt zelfs het vervangen van een aardlekschakelaar hieronder.

Het tweede is een installatie zonder gescheiden nul en aarde, dus een TN-C stelsel. Daar heeft het plaatsen van een aardlekschakelaar geen enkele zin voordat de PEN gesplitst is, en dat splitsen raakt de complete aarding van het pand.

Het derde is de meting zelf. Een lekstroomtang met voldoende resolutie en een installatietester zijn geen bouwmarktgereedschap, en niet elke installateur heeft ze in de bus. Vraag er expliciet naar bij het maken van de afspraak, anders staat er iemand die alleen kan omwisselen en gokken.

Het vierde is elke situatie waarin je twijfelt of de installatie nog veilig is: een schakelaar die niet meer afslaat bij een echte lekstroom, stopcontacten zonder randaarde, of een kast waar duidelijk in geknutseld is. Laat dan de hele installatie doormeten voordat je een los onderdeel vervangt en denkt dat het klaar is.

Verder lezen over dit onderwerp