Lamp aansluiten op schakelaar: het schema en de draden
Bij een lamp met schakelaar gaat de bruine fasedraad vanuit de centraaldoos naar de schakelaar en komt er een zwarte schakeldraad weer terug naar het lichtpunt. De blauwe nul en de geel/groene aarde lopen rechtstreeks naar het armatuur en worden nooit geschakeld. Meer lampen op dezelfde schakelaar zet je parallel op diezelfde zwarte draad. Voor twee schakelplekken heb je wisselschakelaars nodig, en vanaf drie plekken komt er een kruisschakelaar tussen.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Tweepolige spanningstester, geen spanningszoeker met alleen een lampje
- Set geïsoleerde schroevendraaiers, plat en kruiskop
- Draadstripper en zijkniptang
- Multimeter met doorbelfunctie om draden uit te bellen
- Trekveer om draad door de buis te halen
- Boormachine met gatzaag van 68 mm voor een inbouwdoos
- Adereindhulzentang, alleen nodig bij soepel snoer op schroefklemmen
Materiaal
- VD-installatiedraad 1,5 mm² in bruin, blauw, zwart en geel/groen
- Installatiebuis of flexbuis van 16 mm
- Inbouwdoos van 68 mm voor de schakelaar
- Centraaldoos voor het lichtpunt in het plafond
- Wipschakelaar, wisselschakelaar of kruisschakelaar
- Lasklemmen met hendel, geschikt voor stug en soepel draad
- Kroonsteentje of lusterklem voor in het armatuur
Welke draad wat doet bij een lamp met schakelaar
Een lamp met schakelaar aansluiten is in de kern niets anders dan een fasedraad met een onderbreking erin. De nul en de aarde lopen ongestoord door naar het armatuur, alleen de fase maakt een omweg langs de schakelaar. Houd dat beeld vast en vrijwel elk schema met schakelaars in huis valt daarna op zijn plek.
Bij een Nederlandse installatie horen vaste kleuren. Bruin is de fase die uit de groepenkast komt, blauw is de nul en geel/groen is de aarde. Zwart is de schakeldraad: dezelfde fase, maar dan nadat hij door de schakelaar heen is geweest.
Bij het armatuur zelf gaat de zwarte draad naar het middencontact van de fitting en de blauwe naar de schroefdraad aan de buitenkant. De geel/groene hoort op het aardpunt van de behuizing. Draai je de eerste twee om, dan brandt de lamp gewoon, maar staat de buitenrand van de fitting onder spanning zodra je een lampje indraait.
In oudere huizen ligt er nogal eens installatiedraad dat overal zwart is, en dan zeggen kleuren je helemaal niets meer. Uitbellen met een multimeter is dan de enige betrouwbare weg, en dat geldt voor meer klussen aan de elektra in huis. Ga in zo'n geval nooit af op wat logisch lijkt of op hoe het bij de buren ligt.
| Kleur | Functie | Waar hij naartoe loopt | Mag hij door de schakelaar? |
|---|---|---|---|
| Bruin | Fase uit de groepenkast | Van de centraaldoos of lasdoos naar de klem L van de schakelaar | Ja, dit is precies de draad die je onderbreekt |
| Zwart | Schakeldraad, de geschakelde fase | Van de schakelaar terug naar het lichtpunt | Hij komt er al uit |
| Blauw | Nul | Rechtstreeks van de centraaldoos naar het armatuur | Nee, de nul schakelen is niet toegestaan |
| Geel/groen | Aarde | Rechtstreeks naar het aardpunt op het armatuur | Nooit, en ook nooit onderbreken |
| Grijs | Tweede schakeldraad | Tussen twee wisselschakelaars, of naar een tweede lampgroep | Hij is al geschakeld |
| Alles zwart, oud werk | De kleur zegt niets meer | Onbekend tot je gemeten hebt | Eerst uitbellen, dan pas aansluiten |
Maak met je telefoon een foto van de bestaande aansluiting voordat je de eerste draad losdraait, en plak op elke losgenomen draad een stukje schilderstape met een letter erop. Dat kost je twee minuten en scheelt een halve avond puzzelen als je halverwege wordt gestoord.
Het schema van lamp en schakelaar in een Nederlandse woning
Er lopen twee schema's door de Nederlandse woningvoorraad en het scheelt veel tijd als je weet welke van de twee je hebt. In het gangbare schema komt de voeding binnen in de centraaldoos in het plafond, dus bij de lamp. Vanuit die doos loopt de bruine fasedraad naar beneden naar de schakelaar en komt er een zwarte schakeldraad weer terug omhoog.
De blauwe nul en de geel/groene aarde gaan in dat schema rechtstreeks van de centraaldoos naar het armatuur en komen niet eens in de buurt van de schakelaar. In de schakelaardoos zitten dan precies twee draden: bruin erin, zwart eruit. Dat verklaart meteen waarom een dimmer of een schakelaar met signaleringslampje daar vaak niet past, want die hebben allebei een nul nodig.
Het tweede schema loopt andersom. De voeding komt eerst bij de schakelaar binnen en gaat daarna pas door naar de lamp, waardoor je in de schakelaardoos bruin, blauw en geel/groen aantreft en er zwart, blauw en geel/groen naar het lichtpunt vertrekken. Dat kom je vooral tegen op zolders, in schuren en bij buitenlampen, en in huizen die van voor het centraaldozensysteem stammen.
Bij buitenverlichting is dat tweede schema zelfs logisch, omdat een buitenlamp vaak dubbelpolig geschakeld wordt en dan moeten fase en nul allebei langs de schakelaar. Welk schema van lamp en schakelaar je ook aantreft, het afmonteren van het schakelmateriaal zelf gaat hetzelfde en staat stap voor stap bij het aansluiten van een lichtschakelaar. Wat je in de inbouwdoos vindt, vertelt je vrijwel altijd welk van de twee schema's er ligt.
| Wat je in de inbouwdoos aantreft | Welk schema dit is | Wat je hier kunt aansluiten |
|---|---|---|
| Eén bruine en één zwarte | Standaard centraaldoossysteem, de voeding zit bij de lamp | Enkelpolige wipschakelaar, eventueel met oriëntatielampje |
| Bruin, blauw, geel/groen en een zwarte | De voeding komt binnen bij de schakelaar | Vrijwel alles, ook een dimmer of een schakelaar met signaleringslampje |
| Eén bruine en twee zwarte | Eerste schakelpunt van een wisselschakeling | Wisselschakelaar, met de bruine op het P-contact |
| Drie zwarte draden | Tweede schakelpunt van een wisselschakeling | Wisselschakelaar, met de draad naar de lamp op het P-contact |
| Vier draden, meestal zwart en grijs | Kruisschakelaar tussen twee wisselschakelaars | Kruisschakelaar, twee draden per zijde |
| Twee bruine en drie of meer zwarte | Twee schakelaars in één doos, bijvoorbeeld met een buitenlamp erbij | Zoek eerst uit welke bruine bij welke schakelaar hoort |
Twee bruine draden in één doos zijn niet automatisch dezelfde fase. Bij een installatie met twee fasen kunnen twee groepen op verschillende fasen zitten. Tussen die twee draden staat dan geen 230 maar 400 volt, en dat merk je pas als het knalt. Schakel dus alle groepen uit die in de buurt van de doos komen, niet alleen die ene lichtgroep.
Twee, drie of vier lampen op één schakelaar
Meerdere lampen op 1 schakelaar zet je altijd parallel en nooit achter elkaar. Parallel betekent dat elke lamp zijn eigen zwarte schakeldraad en zijn eigen blauwe nul krijgt, allemaal aftakkend vanaf hetzelfde punt. Zet je ze achter elkaar, dan branden ze allemaal halfzacht of helemaal niet, en valt bij één kapotte lamp de hele reeks uit.
Dat parallel schakelen kan op twee nette manieren. Je gaat vanuit één doos met aparte buizen naar elke lamp, of je lust door van armatuur naar armatuur: bij de eerste lamp komen zwart, blauw en geel/groen binnen en gaan dezelfde drie draden er weer uit naar de tweede. Doorlussen scheelt buis en draad en is bij 3 lampen op 1 schakelaar bijna altijd de kortste weg.
Waar je wel op moet letten: je trekt niet twee fasedraden of twee nuldraden van dezelfde groep door één buis. Elke buis hoort de heen- en terugweg van hetzelfde stukje installatie te bevatten en niet een verzameling losse aders die toevallig dezelfde kant op gaan. Daarom heeft de stervormige opzet alleen zin als er ook echt drie of 4 aparte buizen naar de lampen lopen.
Een extra lamp aansluiten op een schakelaar die er al zit, werkt precies zo. Je zoekt de centraaldoos van de bestaande lamp op, tapt daar zwart, blauw en geel/groen af en gaat daarmee naar het nieuwe lichtpunt. De schakelaar zelf hoef je niet aan te raken, want die weet niet hoeveel armaturen er achter hem hangen.
Ga je in één keer een hele verdieping van verlichting voorzien, reken dan na wat er nog bij kan met onze rekenhulp voor het aantal watt per groep. Hangt aan diezelfde groep ook een zware verbruiker, bijvoorbeeld omdat iemand daar ooit een vaatwasser op heeft aangesloten, dan zet je de verlichting liever op een eigen groep.
Twee lampen los van elkaar schakelen
Wil je 2 lampen met 2 schakelaars juist apart bedienen in plaats van tegelijk, dan heb je geen twee losse inbouwdozen nodig maar één serieschakelaar: een dubbele wip in één doos. Tussen de twee fasecontacten zit intern al een brug, dus je sluit één bruine draad aan en er vertrekken twee zwarte schakeldraden. Dat interne bruggetje staat op vrijwel elk stuk schakelmateriaal achterop geprint, en het is de reden dat mensen tevergeefs zoeken naar een tweede klem voor de fase.
Hoe je zo'n dubbele wip precies afmonteert staat bij het aansluiten van een serieschakelaar voor twee lichtpunten. Moet je met één knop achtereenvolgens de ene lampgroep, de andere en dan allebei kunnen doorlopen, dan kom je uit bij een draaischakelaar met drie standen. In beide gevallen blijft gelden dat je de fase schakelt en de nul met rust laat.
| Wat je schakelt | Vermogen per stuk | Praktische grens per wipschakelaar | Waar het in de praktijk op stukloopt |
|---|---|---|---|
| Ledlamp in een gewone fitting | 5 tot 10 watt | Tien tot twintig lampen | Zelden het vermogen, meestal de inschakelstroom van alle drivers samen |
| Ledspots met losse drivers | 4 tot 7 watt | Acht tot twaalf spots | Alle drivers laden tegelijk op en lassen het schakelcontact vast |
| Ledstrip met eigen voeding | 20 tot 60 watt | Enkele voedingen | Dezelfde stroompiek, kies dan een schakelaar van 16 ampère |
| Gloeilamp of halogeen | 40 tot 60 watt | Rond de twintig lampen | Het vermogen zelf, want 10 ampère houdt bij 230 volt op rond 2300 watt |
| Tl-armatuur met klassiek voorschakelapparaat | 36 tot 58 watt | Zes tot acht armaturen | De startstroom en de blindstroom van het voorschakelapparaat |
| Alles bij elkaar op één lichtgroep | Optellen | Maximaal 16 ampère per groep | De groep loopt eerder vol dan de schakelaar |
Twee lampen op 1 schakelaar aansluiten door de tweede achter de eerste te hangen, gaat mis. Bij gloeilampen krijg je twee half brandende lampen, bij ledlampen vaak knipperen of helemaal niets. Elke lamp krijgt zijn eigen zwarte en zijn eigen blauwe draad vanaf hetzelfde aftakpunt.
Eén lamp op twee, drie of vier schakelaars
Zodra dezelfde lamp vanaf meer dan één plek aan en uit moet, verandert het schakelmateriaal. Voor 1 lamp met 2 schakelaars gebruik je twee wisselschakelaars en tussen die twee lopen twee schakeldraden. De fase komt binnen op het P-contact van de eerste wisselschakelaar en de draad naar de lamp vertrekt vanaf het P-contact van de tweede.
Dat P-contact is waar het bijna altijd op misgaat. Zit de fase per ongeluk op een van de wisselcontacten in plaats van op P, dan krijg je een lamp met twee schakelaars die soms wel en soms niet reageert: de ene schakelaar werkt alleen als de andere in een bepaalde stand staat. Dat is precies het gedrag waarbij mensen besluiten dat het schakelmateriaal stuk is, terwijl er alleen één draad verkeerd zit.
Bij drie schakelaars 1 lamp komt er een kruisschakelaar bij. Die hoort altijd tussen de twee wisselschakelaars in en nooit aan een uiteinde, want alleen daar kan hij de twee schakeldraden onderling omwisselen. Op zo'n kruisschakelaar sluit je vier draden aan: twee die van de ene wisselschakelaar komen en twee die naar de andere gaan.
Voor 4 schakelaars 1 lamp verandert er niets aan het principe, je zet er simpelweg een tweede kruisschakelaar tussen. De volgorde blijft wisselschakelaar, kruisschakelaar, kruisschakelaar, wisselschakelaar. Het complete bedradingsverhaal, met alle contacten, staat bij de hotelschakeling met wissel- en kruisschakelaars, en het afmonteren van het materiaal zelf bij het aansluiten van een wisselschakelaar.
Moet je vanaf vijf of meer plekken kunnen schakelen, of ligt er simpelweg te weinig draad in de buis voor een lamp met 3 schakelaars, dan is een impulsrelais de nettere weg. Je hangt een relais in de meterkast of in een aparte doos en alle schakelplekken worden gewone drukknoppen die je parallel aan elkaar zet. Een extra schakelplek bijmaken is dan een kwestie van twee stuurdraadjes aftakken in plaats van de hele schakeling omgooien.
De spaarschakeling die je in oudere huizen tegenkomt
Soms tref je twee wisselschakelaars aan die allebei een bruine draad met spanning hebben en waar maar één draad tussen loopt. Dat is een spaarschakeling: er is bewust een ader uitgespaard door bij beide schakelaars de fase en de nul te gebruiken, met de lamp tussen de twee P-contacten in. Hij werkt, maar in bepaalde standen staat de lamp onder spanning terwijl hij uit is.
Dat laatste is de reden om zo'n schakeling niet opnieuw aan te leggen en hem bij een verbouwing om te bouwen naar een gewone wisselschakeling. Een lamp die uit staat maar toch spanning voert, kun je niet veilig vervangen zonder eerst de groep uit te zetten. Kom je er een tegen, meet dan eerst met een tweepolige spanningstester wat er precies gebeurt voordat je draden losneemt.
| Aantal schakelplekken | Schakelmateriaal | Draden tussen de schakelaars | De fout die je het vaakst ziet |
|---|---|---|---|
| 1 | Enkelpolige wipschakelaar | Geen | De nul geschakeld in plaats van de fase |
| 2 | Twee wisselschakelaars | Twee schakeldraden | De fase op een wisselcontact in plaats van op P |
| 3 | Twee wisselschakelaars met één kruisschakelaar ertussen | Twee schakeldraden per tussenstuk | De kruisschakelaar aan een uiteinde gezet |
| 4 | Twee wisselschakelaars met twee kruisschakelaars ertussen | Twee schakeldraden per tussenstuk | Te weinig aders in de bestaande buis |
| 5 of meer | Drukknoppen met een impulsrelais | Twee stuurdraden per drukknop, parallel aangesloten | Het relais zelf vergeten van fase en nul te voorzien |
Een schakelaar met lampje aansluiten
Een schakelaar met lampje bestaat in twee smaken, en dat verschil bepaalt volledig hoe je hem aansluit. De ene laat het lampje branden als de lamp aan is, handig bij een schakelaar op de overloop voor een licht in een hok dat je niet ziet. De andere laat het lampje juist branden als de lamp uit is, zodat je de schakelaar in het donker terugvindt.
Voor de eerste variant, de signalering, hangt het lampje parallel aan de lamp. Het heeft dus een echte nuldraad nodig in de schakelaardoos, naast de fase en de schakeldraad. Zitten er alleen een bruine en een zwarte draad in de doos, dan is die variant niet te maken zonder muren open te hakken.
Voor de tweede variant, de oriëntatieverlichting, hoef je geen nul te hebben. Het lampje komt dan over het schakelcontact heen te staan, met een kort brugdraadje tussen de nulklem van het lampje en de klem waar de schakeldraad naar de lamp op zit. Staat de schakelaar uit, dan loopt er een minieme stroom door het lampje en door de lamp heen, net genoeg om het glimlampje te laten gloeien.
Precies dat maakt de oriëntatievariant lastig in combinatie met led. Die kleine reststroom laadt de condensator in een ledlamp langzaam op, waardoor de lamp gaat gloeien of om de paar seconden even knippert terwijl de schakelaar uit staat. Met een gloeilamp merk je er niets van, dus bij het vervangen van een lamp door led komt dit probleem vaak ineens tevoorschijn.
De klemmen zijn per merk anders gemarkeerd, maar op vrijwel elk stuk schakelmateriaal staat achterop een schemaatje van de interne bedrading. Kijk daar altijd even naar in plaats van te gokken welke klem waarvoor is. Een schakelaar met lampje die als 220v wordt aangeboden is trouwens hetzelfde materiaal als een van 230 volt, want de netspanning heet al jaren 230 volt terwijl de oude aanduiding blijft hangen.
| Variant | Wanneer brandt het lampje | Wat er in de doos moet liggen | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| Signalering, ook wel controlelampje | Als de lamp brandt | Fase, schakeldraad en een nul van dezelfde groep | Zonder blauwe draad is deze variant niet te maken |
| Oriëntatie, ook wel zoeklampje | Als de lamp uit is | Alleen fase en schakeldraad plus een kort brugdraadje | Ledlampen kunnen gaan gloeien of knipperen |
| Inbouw schakelaar met lampje in een badkamer | Hangt af van de gekozen variant | Materiaal dat past bij de zone waarin hij hangt | Spatwaterdicht materiaal is hier geen luxe |
| Wipschakelaar met lampje op een buitenlamp | Meestal de signalering | Vaak dubbelpolig, dus fase én nul bij de schakelaar | Buiten hoort het materiaal minimaal IP44 te zijn |
Gloeit een ledlamp na terwijl de schakelaar uit staat, dan hoef je het zoeklampje niet meteen op te offeren. Een kleine ontstoorcondensator parallel op de lamp in de centraaldoos slikt die reststroom weg. Zo'n blokje kost een paar euro en je houdt je oriëntatieverlichting.
Haal de nuldraad nooit uit een andere groep. Dat lijkt een makkelijke uitweg als er geen blauwe draad in de doos zit, maar dan loopt de stroom heen via de ene groep en terug via de andere. De aardlekschakelaar ziet dat verschil en slaat er telkens van af. Nog vervelender: zet je die ene groep uit om aan de lamp te werken, dan staat er via de andere groep gewoon nog spanning op.
Trekschakelaar, voetschakelaar, drukknop en deurschakelaar
Niet elke lamp wordt met een wip aan de muur bediend, en de meeste bijzondere schakelaars sluit je aan volgens hetzelfde principe: onderbreek de fase en laat nul en aarde met rust. Een trekschakelaar aan het plafond is daar het duidelijkste voorbeeld van. Bruin erin, zwart eruit naar de lamp, en de nul en aarde lopen er via de centraaldoos langs.
Bij een trekschakelaar aansluiten voor een lamp zit het gedoe zelden in het schakelaartje en bijna altijd in wat er in de muur ligt. Kom je bij zo'n punt drie zwarte draden tegen, dan lopen er meestal twee naar een andere schakelaar en is er helemaal geen nul beschikbaar. Wil je op die plek ook een lichtpunt maken, dan moet er hoe dan ook een blauwe draad bij, want zonder nul brandt geen enkele lamp.
Een voetschakelaar voor een lamp zit niet in de vaste installatie maar in het snoer van een staande lamp. Je knipt daarvoor één ader van het snoer door en zet de twee uiteinden op de twee contacten van de schakelaar, terwijl de andere ader ongemoeid doorloopt. Werkt de lamp wel rechtstreeks in het stopcontact maar doet de voetschakelaar niets, dan zitten de draden vrijwel altijd op twee contacten die intern al met elkaar verbonden zijn.
Een drukknop veert vanzelf terug en onthoudt dus niets. In combinatie met een impulsrelais wordt dat alsnog een gewone lichtschakeling, met als voordeel dat je zoveel drukknoppen mag bijhangen als je wilt. Een kastschakelaar met lamp erachter werkt juist omgekeerd: dat is een verbreekcontact dat het lampje aanzet zodra de deur opengaat.
Een lamp met ingebouwde schemerschakelaar permanent onder spanning zetten
Een lamp met ingebouwde schemerschakelaar of bewegingssensor zit in de weg zodra je er een slimme lamp in wilt draaien. Die slimme lamp heeft permanent spanning nodig en de sensor haalt die er juist steeds af. Dat los je op in de aansluitdoos van de sensor: verbind daar de bruine en de zwarte draad met een lasklem aan elkaar, zodat de geschakelde uitgang rechtstreeks aan de fase komt te hangen.
De blauwe draad die naar de sensor liep dop je daarna netjes af, want die heeft geen functie meer. De lamp staat dan permanent onder spanning en wordt verder door het armatuur zelf of door de app geschakeld. Denk er wel aan dat je zo'n lichtpunt voortaan alleen nog spanningsloos maakt door de hele groep uit te zetten.
| Type | Waar je hem gebruikt | Zo sluit je hem aan | Waar je op let |
|---|---|---|---|
| Trekschakelaar aan het plafond | Badkamer, slaapkamer, zolder | Bruin erin, zwart naar de lamp | Zonder blauwe draad bij dat punt kun je daar geen lamp maken |
| Voetschakelaar in het snoer | Staande lamp of vloerlamp | Eén ader doorknippen en op de twee contacten zetten | Zitten er twee lampen in het armatuur, dan schakel je beide draden mee |
| Kastschakelaar met verbreekcontact | Kledingkast, inloopkast, meterkast | In de fasedraad naar het kastlampje | Hij schakelt omgekeerd: deur open is licht aan |
| Deurschakelaar met magneetcontact | Kast of berging waar geen drukknop past | Als verbreekcontact in de fasedraad | Let op de maximale belasting, vaak een paar honderd watt |
| Drukknop met impulsrelais | Gang, trappenhuis, veel schakelplekken | Alle drukknoppen parallel op de spoel van het relais | Het relais heeft zelf een fase en een nul nodig |
| Schemerschakelaar | Buitenlamp, tuinverlichting | Fase en nul erin, geschakelde fase eruit | De sensor gebruikt ook stroom als de lamp uit is |
Bij een verplaatsbaar snoer met een platte stekker ligt niet vast welke ader de fase is, want die stekker past er twee kanten op in. Een voetschakelaar die maar één ader onderbreekt kan de fitting dus onder spanning laten staan terwijl het licht uit is. Trek altijd de stekker eruit voordat je een lampje in een staande lamp verwisselt.
Een lamp met snoer aansluiten in een kast of meubel
Soms wil je geen lichtpunt in een muur maar een lampje in een bedstee, een kast of een ander meubel, met een keurige wandschakelaar ernaast. Dat mag, maar de regels zijn anders dan bij vaste installatie en dat verschil is niet vrijblijvend. In een wand of plafond gebruik je stug installatiedraad in buis, en dat draad sluit je nooit aan op een stekker.
Stug draad kan namelijk niet tegen trekken en buigen, en een stekker is precies het punt waar dat wel gebeurt. Een vaste installatie voed je daarom vanuit een bestaande lasdoos of vanaf de klemmen van een stopcontact. Zit er een dubbel stopcontact met doorverbindklemmen, dan kun je daar aftakken zonder dat stopcontact op te offeren, en hoe die klemmen werken staat bij het aansluiten van een stopcontact.
Gaat het echt om een meubel, dus iets wat je in principe kunt verplaatsen, dan mag je wel een verplaatsbare aansluitleiding gebruiken: soepel snoer met een randaardestekker. Neem daarvoor drieaderig snoer en geen tweeaderig, want aansluitpunten voor verlichting horen geaard te zijn. Zorg daarnaast voor een goede trekontlasting, zodat iemand die over het snoer struikelt niet aan de aansluiting zelf trekt.
Een lamp met snoer aansluiten op een schakelaar loopt vaak stuk op het schakelmateriaal, want de steekklemmen daarin zijn bedoeld voor stug draad. Je kunt kiezen voor een schakelaar met schroefklemmen en het snoer afwerken met adereindhulzen, waarvoor je wel een speciale tang nodig hebt. Makkelijker is een doos aan de buitenkant van het meubel waarin je met lasklemmen met hendel van soepel snoer overgaat op stug installatiedraad, want die klemmen pakken beide soorten draad zonder morren.
Voor het armatuur is er nog een praktisch punt. Een hollewand inbouwdoos hangt alleen aan de gipsplaat en is niet bedoeld om er een lamp aan te hangen, dus gebruik een centraaldoos die je aan het regelwerk erachter vastschroeft. Voor de hoogte van de schakelaar en de andere gangbare maten kun je onze tabel met standaardmaten voor stopcontacten en schakelaars gebruiken.
Welke draad of kabel je nodig hebt, hangt vooral af van de plek. In buis in een wand gebruik je los VD-draad, in de kruipruimte of over de zolderbalken een kabel met mantel. Onze hulp bij de keuze tussen xmvk en ymvk zet de gangbare types op een rij, inclusief de doorsnede die bij een lichtgroep hoort.
Tl-verlichting en dimbare lampen op een gewone schakelaar
Een tl lamp aansluiten op een schakelaar gaat precies zoals bij elk ander armatuur: de zwarte schakeldraad op L, de blauwe nul op N en de geel/groene op het aardpunt in de behuizing. Het armatuur regelt met een voorschakelapparaat en een starter zelf wat er daarna gebeurt. Boor nooit een extra gat in de behuizing van een tl-armatuur of van je schakelmateriaal om de bedrading erdoor te krijgen, want daarmee vervalt de beschermingsgraad en is het onderdeel afgekeurd.
Ligt er bij het armatuur geen zwarte schakeldraad, dan moet die alsnog worden aangelegd tussen de schakelaar en de lamp. Alleen een fase aftakken van een stopcontact in de buurt is niet genoeg, want een tl lamp met schakelaar heeft ook een nul en een aarde nodig en die haal je uit datzelfde aftakpunt. Aftakkingen maak je in een lasdoos of op de klemmen van het stopcontact, nooit los in de buis.
Vervang je de tl-buis door een ledbuis, kijk dan goed welk type je koopt. Bij een buis die aan één zijde wordt aangesloten moet het armatuur worden omgebouwd en gaat het voorschakelapparaat eruit. Bij een buis die aan beide zijden wordt aangesloten vervang je alleen de starter door de meegeleverde dummy en blijft de rest zoals hij is.
De vraag of een dimbare lamp op een gewone schakelaar kan, heeft een kort antwoord: dat kan gewoon. Een dimbare lamp op een gewone schakelaar brandt op vol vermogen en gedraagt zich verder als elke andere lamp, je betaalt alleen iets meer voor een eigenschap die je niet gebruikt. Andersom gaat het wel mis: een niet-dimbare ledlamp op een dimmer gaat brommen, flikkeren en gaat er eerder van stuk.
Bij dimmers moet je ook op de minimale belasting letten. Veel dimmers hebben onderin een grens van een watt of drie tot tien, en één ledlamp van vijf watt komt daar soms niet overheen. Het gevolg is een lamp die niet ver terugdimt of die zachtjes knippert, en welke dimmer bij welk type lamp past staat bij het aansluiten van een dimmer.
De lamp doet het niet: zo zoek je de fout
Als een nieuw aangesloten lamp niet reageert op de schakelaar, is de verleiding groot om alles los te halen en opnieuw te beginnen. Sneller is het om de schakeling in twee stukken te knippen. Zet de groep uit, haal de schakelaar uit de doos en verbind de bruine en de zwarte draad met een lasklem aan elkaar, zodat de schakelaar overbrugd is.
Brandt de lamp daarna permanent, dan is de bedrading naar het lichtpunt in orde en zit de fout in de schakelaar of in de manier waarop je hem hebt aangesloten. Blijft de lamp uit, dan hoef je bij de schakelaar niet verder te zoeken en ligt het aan het armatuur, de fitting, het lampje zelf of aan een van de lasverbindingen daartussen. Haal de spanning eraf voordat je die lasklem er weer uit haalt.
Slechte lasverbindingen zijn vaker de oorzaak dan mensen denken. Een draad die net niet ver genoeg in een lasklem is gestoken maakt een tijdje contact en laat het daarna afweten, zeker als er nog beweging in de doos zit. Haal bij twijfel alle draden eruit, strip ze op de lengte die op de klem staat aangegeven en duw ze erin tot er geen blank koper meer te zien is.
Een lamp die juist blijft branden terwijl de schakelaar niets doet, lijkt spookachtig maar heeft maar een paar oorzaken. Er hangt een sensor of schemerschakelaar parallel aan de schakeling, er zit ergens een brug tussen fase en schakeldraad die er niet hoort, of het schakelcontact is vastgelast door de inschakelstroom van te veel ledspots. Bij een wisselschakeling met de fase op het verkeerde contact krijg je ook zulk onlogisch gedrag.
Een lamp aansluiten zonder schakelaar
Voor een slimme lamp of een armatuur met eigen bediening wil je juist permanent spanning op het lichtpunt. Dat regel je in de centraaldoos door de bruine fasedraad en de zwarte schakeldraad met een lasklem door te verbinden, waarmee de schakelaar buitenspel staat. De schakelaar zelf kun je laten zitten, maar dop de draden in die doos dan netjes af zodat er niets los blijft hangen.
Andersom komt ook voor: een lichtpunt dat altijd brandt en waar je alsnog een schakelaar tussen wilt zetten. Daarvoor moet er een schakeldraad naar de nieuwe positie worden getrokken, want die extra ader ligt er zelden al. Ligt er echt maar één buis met twee draden, dan is een lamp aansluiten met twee draden het verhaal dat je nodig hebt.
| Wat je ziet | Meest waarschijnlijke oorzaak | Wat je als eerste doet |
|---|---|---|
| De lamp reageert niet op de schakelaar | Geen schakeldraad aangesloten of een slechte lasverbinding | De schakelaar overbruggen met een lasklem en opnieuw testen |
| De lamp blijft branden, de schakelaar werkt niet | Sensor of schemerschakelaar parallel, of een brug die er niet hoort | De aansluitdoos van de sensor opzoeken |
| De ene schakelaar werkt alleen bij een bepaalde stand van de andere | De fase zit niet op het P-contact van de wisselschakelaar | Fase en lampdraad allebei op een P-contact zetten |
| Ledlamp gloeit na of knippert terwijl de schakelaar uit staat | Oriëntatielampje in de schakelaar of inductie in een lange buis | Ontstoorcondensator op de lamp zetten of het lampje afkoppelen |
| De aardlekschakelaar slaat af zodra het licht aangaat | Nul en fase van verschillende groepen door elkaar gebruikt | Elke nul terugbrengen naar de eigen groep |
| Van de twee lampen brandt er maar één | Onderbroken nul of een schakeldraad die niet is doorgelast | De lampen omwisselen om een kapot exemplaar uit te sluiten |
Zo sluit je een lamp aan op een schakelaar
Deze volgorde geldt voor een nieuw lichtpunt met één schakelaar in het gangbare centraaldoossysteem.
-
Zet de groep uit en controleer dat er geen spanning meer staat
Schakel de juiste groep uit in de meterkast en leg er iets bij zodat niemand hem terugzet. Controleer daarna op de draden zelf met een tweepolige spanningstester of het echt spanningsloos is, want een spanningszoeker met alleen een lampje in het handvat is daarvoor niet betrouwbaar. Weet je niet zeker welke groep het is, dan geeft de hoofdschakelaar in de meterkast je die zekerheid wel.
-
Teken uit wat er nu ligt
Fotografeer de bestaande aansluiting en zet op papier welke kleur waarvandaan komt. Label losgenomen draden met schilderstape en een letter. Bij oud werk waarin alles zwart is, bel je de draden eerst door met een multimeter, want zodra ze los zijn weet je niet meer wat wat is.
-
Leg de buis en trek de draden erdoorheen
Van de centraaldoos naar de inbouwdoos van de schakelaar gaat één buis met daarin de bruine fasedraad en de zwarte schakeldraad. Van de centraaldoos naar het armatuur lopen zwart, blauw en geel/groen. Installatiedraad hoort in buis of flexbuis te liggen, ook achter een voorzetwand van gipsplaat, zodat je later nog kunt vervangen zonder te slopen.
-
Sluit de schakelaar aan
De bruine draad komt op de klem die met L of met een pijl naar binnen is gemarkeerd, de zwarte op de uitgaande klem. Strip niet meer isolatie dan de striplengte die achterop de schakelaar staat, anders blijft er blank koper zichtbaar in de doos. Werk de draden netjes weg in de inbouwdoos voordat je de schakelaar erin drukt, want draad dat strak gespannen staat breekt bij de klem af.
-
Sluit het armatuur aan
De zwarte schakeldraad gaat naar het middencontact van de fitting, de blauwe naar de buitenkant en de geel/groene naar het aardpunt op de behuizing. Is het armatuur dubbel geïsoleerd en heeft het geen aardklem, laat de aarde dan wel gewoon in de centraaldoos zitten in plaats van hem weg te knippen. Hoe je een armatuur verder ophangt en afmonteert staat bij een lamp aan het plafond aansluiten.
-
Maak de centraaldoos af
In de centraaldoos komen alle nullen samen in één lasklem en alle aardes in één lasklem. De inkomende bruine gaat samen met de bruine naar de schakelaar, en de zwarte die terugkomt van de schakelaar gaat samen met de zwarte draad of draden naar de lampen. Trek aan elke ader even voordat je het deksel erop doet, want een draad die meegeeft zit niet vast.
-
Zet de spanning erop en test alle standen
Schakel de groep weer in en test niet alleen aan en uit, maar bij meerdere schakelplekken ook alle combinaties. Bij een wisselschakeling moet elke schakelaar de lamp kunnen omzetten, ongeacht de stand van de andere. Lukt dat niet, dan zit de fase op een verkeerd contact en is er niets mis met de lamp.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je de spanning erop zet
Uit de praktijk
Een lampje in een bedstee dat met een stekker gevoed zou worden
In een bedstee met gipsplaten binnenwerk moest een plafondlampje komen, te bedienen met een gewone wandschakelaar aan de zijkant. Het plan was om vanuit het bestaande dubbele stopcontact met tweeaderig snoer en een stekker naar de schakelaar te gaan en van daaruit naar de lamp. Dat is precies de route die niet mag: stug installatiedraad hoort niet aan een stekker en soepel snoer hoort niet weggewerkt in een wand.
Wat hier werkte was een tweedeling. In de bedstee, die feitelijk een meubel is, kwam een verplaatsbare aansluitleiding van drieaderig snoer met een randaardestekker en een deugdelijke trekontlasting. Aan de buitenkant van de bedstee kwam een doos waarin dat snoer met lasklemmen met hendel overging op stug installatiedraad in flexbuis, en vanaf daar liepen bruin, blauw en geel/groen naar de centraaldoos in het plafond.
Vanuit die centraaldoos ging bruin naar de schakelaar en kwam zwart weer terug, het standaardschema dus. Twee kleinigheden maakten het verschil. De klemmen met hendel pakken zowel soepel als stug draad, waardoor er geen adereindhulzen en dus geen speciale tang nodig waren, en het armatuur werd opgehangen aan een centraaldoos die aan het regelwerk vastzat en niet aan een hollewanddoos die alleen aan de gipsplaat hangt.
Een schakelaar met controlelampje waarbij of het lampje of de lamp werkte
Uit de muur kwamen twee draden, een bruine en een zwarte, en daar moest een wipschakelaar met lampje in. Hoe de draden ook gewisseld werden, het resultaat bleef hetzelfde: of het lampje reageerde netjes op het schakelen en de lamp deed niets, of de lamp werkte en het lampje bleef donker. Dat is geen defect, dat is een schakelaar die om een nuldraad vraagt die er niet ligt.
Het ging om de signaleringsvariant, waarbij het lampje parallel aan de belasting hangt en dus een blauwe draad nodig heeft. Die nul was er niet, want de bruine en de zwarte kwamen van zolder en de schakelaar zat op de begane grond. Een blauwe draad lenen uit het stopcontact ernaast was geen optie, omdat dat een andere groep bleek te zijn.
De oplossing werd omschakelen naar de oriëntatievariant: het lampje over het schakelcontact zetten met een kort brugdraadje, zodat het gaat branden als de lamp uit is. Dat scheelt muren openhakken, maar het betekende hier ook dat de gloeilamp in het zolderhok voorlopig een gloeilamp bleef. Met een ledlamp zou diezelfde reststroom voor nagloeien hebben gezorgd.
Twee schakelaars in de gang die elkaar bleven tegenwerken
In een gang zaten twee schakelaars voor één lamp, één bij de kamerdeur en één bij de trap. Ze werkten alleen in bepaalde combinaties: stond de ene aan, dan kon de andere niets meer, en na het wisselen van draden verplaatste dat gedrag zich alleen maar. In de ene doos zaten twee zwarte en een bruine draad, in de andere drie zwarte en een bruine, en juist die vierde draad maakte het onnavolgbaar.
De verklaring zat in de tweede doos: daar zaten in werkelijkheid twee schakelaars naast elkaar, want de buitenlamp werd vanaf dezelfde plek gevoed. Die bruine en één van de zwarte hoorden dus helemaal niet bij de wisselschakeling. Van de drie overgebleven zwarte draden ging er één naar de lamp, en dat is degene die op het P-contact thuishoort.
Met de fase op het P-contact van de eerste wisselschakelaar, de lampdraad op het P-contact van de tweede en de twee resterende draden op de wisselcontacten, was het binnen tien minuten klaar. De draad naar de lamp werd gevonden door hem spanningsloos door te bellen met een multimeter naar de fitting toe. Bij een gestuct plafond waar de centraaldoos onbereikbaar is, is dat vaak de enige manier om zekerheid te krijgen.
Drie keukenlampen die parallel getekend stonden maar niet konden schakelen
Voor een keuken moesten 3 lampen aansluiten op 1 schakelaar, alle drie tegelijk aan en uit. Het schema klopte grotendeels al: de drie armaturen hingen keurig parallel, met per lamp een nul en een aarde. Wat ontbrak was de schakeldraad, want alle drie de lampen waren getekend met een bruine fasedraad die rechtstreeks van de voeding kwam.
De aanpassing was klein maar bepalend. De bruine draden naar de lampen werden zwarte schakeldraden, en er ging vanuit de lasdoos één bruine draad naar de schakelaar en één zwarte weer terug. Die terugkomende zwarte gaat in dezelfde lasklem als de drie zwarte draden naar de armaturen, en daarmee bedient één wip alle drie de lampen.
Er werd nog één ding rechtgezet in de tekening. De stervormige opzet met drie losse aftakkingen heeft alleen zin als er ook echt drie buizen vanaf dat punt naar de lichtpunten lopen. Loopt er één buis langs de drie punten, dan lus je door van lamp naar lamp en houd je per buis netjes één keer fase, nul en aarde.
Veelgemaakte fouten
De nul schakelen in plaats van de fase
Op papier lijkt het niet uit te maken welke van de twee draden je onderbreekt, want de lamp gaat allebei de keren uit. In werkelijkheid staat bij een geschakelde nul het hele armatuur nog onder spanning terwijl het licht uit is. Dat is niet toegestaan en het is precies de situatie waarin iemand een lampje verwisselt en een tik krijgt.
Blauw of geel/groen als schakeldraad gebruiken
Liggen er te weinig aders in de buis, dan is de verleiding groot om de blauwe of zelfs de geel/groene draad maar als tweede schakeldraad te gebruiken. Dat mag niet, en niet alleen omdat het slordig is: wie na jou de doos openmaakt gaat ervan uit dat blauw de nul is en geel/groen de aarde. Kom je aders tekort, trek dan nieuw draad in of gebruik een buis met drie zwarte aders of een kabel met bruin, zwart en grijs.
De nul voor een controlelampje uit een andere groep halen
Er zit geen blauwe draad in de schakelaardoos, maar in het stopcontact ernaast wel. Neem je die, dan loopt de stroom heen via de ene groep en terug via de andere, waardoor de aardlekschakelaar afslaat zodra je het licht aandoet. Bovendien staat er nog spanning op je bedrading als je de eigen groep hebt uitgezet, want de andere groep voedt gewoon door.
Vaste installatie voeden met een stekker in een stopcontact
Vanuit een stopcontact een snoertje naar een schakelaar en een lamp trekken lijkt de snelste route naar een extra lichtpunt. Maar stug installatiedraad kan niet tegen de mechanische belasting die bij een stekker hoort, en soepel snoer hoort niet weggewerkt te zitten in een wand of plafond. Wat wel mag is aftakken op de klemmen van datzelfde stopcontact, met installatiedraad in buis.
Meerdere lampen achter elkaar hangen in plaats van parallel
Twee lampen 1 schakelaar wordt soms opgelost door de tweede lamp achter de eerste te hangen. Bij gloeilampen krijg je dan twee half brandende lampen, bij ledlampen vaak knipperen of helemaal niets. Elke lamp hoort zijn eigen zwarte schakeldraad en zijn eigen blauwe nul te krijgen, aftakkend vanaf hetzelfde punt.
Een extra gat boren in schakelmateriaal of in een opbouwdoos
Past de bedrading niet door de bestaande doorvoer, dan wordt er nogal eens een gat bij geboord. Daarmee vervalt de beschermingsgraad van het materiaal en is het formeel afgekeurd, wat vooral telt in een badkamer, schuur of buiten. Gebruik de aanwezige doorvoeropeningen, of maak de aftakking in een aparte lasdoos boven het schakelmateriaal.
Het armatuur ophangen aan een hollewand inbouwdoos
Een hollewanddoos zit met kleine klemmetjes aan de gipsplaat en houdt hooguit zijn eigen gewicht. Hang je daar een lamp aan, dan komt vroeg of laat de doos, de bedrading en een stuk plafond mee naar beneden. Schroef een centraaldoos vast aan het regelwerk of de rachels erachter en hang het armatuur daaraan.
De aarde weglaten omdat het armatuur er toch geen aansluiting voor heeft
Veel lampen zijn dubbel geïsoleerd en hebben geen aardklem, dus wordt de geel/groene draad in de centraaldoos afgeknipt of niet meegetrokken. Aansluitpunten voor verlichting horen tegenwoordig geaard te zijn, en het volgende armatuur dat er komt te hangen heeft die aansluiting misschien wel. Laat de aarde doorlopen tot het lichtpunt en dop hem netjes af als hij nu niet gebruikt wordt.
Veelgestelde vragen
Hoe moet ik een lamp met schakelaar aansluiten als er maar twee draden uit de muur komen?
Twee draden in de schakelaardoos, meestal bruin en zwart, betekent dat je het standaardschema hebt: de voeding zit bij de lamp in de centraaldoos en alleen de fase komt naar beneden en gaat als schakeldraad weer terug. De bruine gaat op de klem met L of een pijl naar binnen, de zwarte op de uitgaande klem. Verder heb je hier niets nodig, maar houd er rekening mee dat een dimmer of een schakelaar met signaleringslampje op deze twee draden meestal niet werkt.
Wat is het schema voor 2 lampen op 1 schakelaar?
Vanuit de centraaldoos gaat één bruine draad naar de schakelaar en komt één zwarte terug. Die zwarte draad gaat in een lasklem samen met de zwarte draden naar beide armaturen, en de nullen en aardes gaan elk in hun eigen lasklem. Zo krijgt elke lamp de geschakelde fase, de nul en de aarde, en dat is dus een parallelschakeling. In het schema van 2 lampen 1 schakelaar zie je dat terug als twee identieke aftakkingen vanaf hetzelfde punt.
Hoeveel lampen kan ik aansluiten op 1 schakelaar?
Op vermogen kom je met ledverlichting bijna nooit in de knel, want een wipschakelaar van 10 ampère kan bij 230 volt rond de 2300 watt aan. Het echte probleem bij led is de inschakelstroom: alle drivers laden op hetzelfde moment op en die piek kan de contacten van de schakelaar vastlassen. Bij ledspots met losse drivers zitten acht tot twaalf stuks daarom vaak aan de praktische grens, en verdeel je liever over twee schakelaars of gebruik je een schakelaar van 16 ampère.
Hoe sluit ik 1 lamp op 2 schakelaars aan?
Daarvoor heb je twee wisselschakelaars nodig en twee schakeldraden tussen die schakelaars in. De fase komt binnen op het P-contact van de eerste schakelaar, de twee schakeldraden gaan op de twee wisselcontacten en aan de andere kant komen ze op de wisselcontacten van de tweede schakelaar. Vanaf het P-contact van die tweede schakelaar loopt de draad naar de lamp. Zit de fase per ongeluk op een wisselcontact, dan werkt de ene schakelaar alleen bij een bepaalde stand van de andere.
Wat heb ik nodig voor 3 schakelaars en 1 lamp?
Voor 1 lamp 3 schakelaars gebruik je twee wisselschakelaars aan de uiteinden en één kruisschakelaar daartussen. Die kruisschakelaar wisselt de twee schakeldraden onderling om en heeft daarom vier aansluitingen: twee draden komen van de ene wisselschakelaar en twee gaan naar de andere. Zet de kruisschakelaar nooit aan een uiteinde, want daar kan hij zijn werk niet doen. Wil je vanaf nog meer plekken schakelen, dan zet je er extra kruisschakelaars tussen of stap je over op drukknoppen met een impulsrelais, wat je kunt nalezen bij de schakeling met wissel- en kruisschakelaars.
Hoe kan ik een schakelaar met lampje aansluiten als er geen nuldraad ligt?
Zonder nul kun je alleen de oriëntatievariant maken, waarbij het lampje brandt als de lamp uit is. Je zet het glimlampje dan over het schakelcontact heen met een kort brugdraadje tussen de nulklem van het lampje en de klem waar de schakeldraad naar de lamp op zit. De signaleringsvariant, waarbij het lampje juist brandt als de lamp aan is, heeft echt een blauwe draad van dezelfde groep nodig. Leen die nul nooit uit een andere groep, want dan slaat de aardlekschakelaar eruit.
Kan een dimbare lamp op een gewone schakelaar?
Ja, dat kan zonder bezwaar. Een dimbare lamp op een gewone schakelaar brandt op vol vermogen en gedraagt zich verder als elke andere lamp, je betaalt alleen een paar euro meer voor een eigenschap die je niet gebruikt. Omgekeerd gaat het wel mis: een niet-dimbare ledlamp op een dimmer gaat brommen of flikkeren en gaat er eerder van kapot. Let bij een dimmer ook op de minimale belasting, want één ledlamp van vijf watt haalt die ondergrens vaak net niet.
Hoe moet ik een trekschakelaar voor een lamp aansluiten?
Een trekschakelaar aansluiten voor een lamp werkt hetzelfde als bij een wipschakelaar: de bruine fasedraad erin, de zwarte schakeldraad eruit naar het armatuur. De nul en de aarde lopen buiten de schakelaar om rechtstreeks naar de lamp. Het probleem zit meestal in de bedrading die er ligt. Kom je bij het punt van de trekschakelaar drie zwarte draden tegen en geen blauwe, dan kun je daar geen lichtpunt maken zonder een nuldraad bij te trekken.
Waarom reageert mijn lamp niet op de schakelaar?
Knip de schakeling in tweeën om dat snel uit te zoeken. Zet de groep uit, haal de schakelaar eruit en verbind de bruine en de zwarte draad met een lasklem, zodat de schakelaar overbrugd is. Brandt de lamp dan permanent, dan zit de fout in de schakelaar of in de aansluiting daarvan. Blijft de lamp uit, dan ligt het aan het armatuur, de fitting, het lampje zelf of aan een lasverbinding waarin een draad niet ver genoeg is doorgestoken.
Mijn lamp blijft branden terwijl de schakelaar niet werkt, hoe kan dat?
Er zijn drie gangbare oorzaken. Er hangt een sensor of schemerschakelaar parallel aan de schakeling die de lamp permanent voedt, er zit ergens een brug tussen de fase en de schakeldraad die er niet hoort te zitten, of het schakelcontact is vastgelast door de inschakelstroom van te veel ledspots. Bij een wisselschakeling waarbij de fase niet op het P-contact zit, krijg je vergelijkbaar onlogisch gedrag. Zet de groep uit en meet welke draad er nog spanning voert als de schakelaar uit staat.
Hoe sluit ik een tl lamp aan op een schakelaar?
De zwarte schakeldraad gaat op de klem L van het armatuur, de blauwe nul op N en de geel/groene op het aardpunt in de behuizing. Ligt er nog geen schakeldraad tussen de schakelaar en het armatuur, dan moet die alsnog worden aangelegd, en de nul en aarde haal je uit hetzelfde aftakpunt als de fase. Maak die aftakking in een lasdoos of op de klemmen van een stopcontact en boor nooit een extra gat in de behuizing van je schakelmateriaal, want dan is het niet meer spatwaterdicht.
Kan ik een lamp aansluiten zonder schakelaar?
Dat kan en het is de gebruikelijke oplossing voor slimme lampen, die permanent spanning nodig hebben om bereikbaar te blijven. Verbind in de centraaldoos de inkomende bruine fasedraad met de zwarte schakeldraad naar de lamp, zodat de schakelaar wordt overgeslagen. Dop in de schakelaardoos de draden die je niet meer gebruikt netjes af en laat er niets los hangen. Houd er rekening mee dat je zo'n lichtpunt daarna alleen nog spanningsloos maakt door de groep uit te zetten.
Wanneer je beter een vakman belt
Een lichtpunt aansluiten op een schakelaar is werk dat je met een beetje handigheid en een rustige voorbereiding zelf kunt doen. De grenzen liggen niet bij het schakelmateriaal maar in de meterkast en in de constructie van het huis.
Alles achter de hoofdzekering is geen doe-het-zelfwerk. Een groep bijplaatsen, een aardlekschakelaar vervangen of iets aansluiten op de voeding richting de hoofdschakelaar in de meterkast hoort bij een erkend installateur. Dat deel kun je niet spanningsloos maken en een fout daar is meteen gevaarlijk.
Twijfel je of je installatie überhaupt geaard is, bijvoorbeeld in een huis waar de lichtpunten geen geel/groene draad hebben, laat dat dan meten voordat je nieuwe lichtpunten bijmaakt. Datzelfde geldt als je in een doos draden van twee verschillende groepen of twee fasen aantreft en niet zeker weet welke bij welke hoort. Tussen twee fasen staat 400 volt en dat vergeeft geen gokwerk.
Werk op hoogte is de derde grens. Een lichtpunt in een hoge hal, een trapgat of een vide vraagt om een rolsteiger en niet om een ladder met iemand die hem vasthoudt. Wie op een ladder met beide handen boven zijn hoofd werkt, houdt geen hand over om zich vast te grijpen, en daar gaat het bij dit soort klussen het vaakst mis.
Zit er bedrading weggewerkt achter beplating die asbesthoudend kan zijn, bijvoorbeeld oude plafondplaten in een schuur of garage, boor er dan niet zomaar in. Laat eerst vaststellen wat het materiaal is. Dat kost een inventarisatie, maar boren in asbestplaat verspreidt vezels door de hele ruimte en dat maak je niet meer ongedaan.