Een aggregaat aansluiten op de meterkast
Een aggregaat aansluiten op de meterkast draait om één ding: het net en het aggregaat mogen elkaar nooit zien. Dat regel je met een omschakelaar die fase en nul tegelijk omzet en die mechanisch verhindert dat beide bronnen tegelijk ingeschakeld staan. Het aggregaat zelf zet je buiten, je voedt het huis via een vaste inlet met rubberkabel, en je kiest het vermogen op het startvermogen van je zwaarste apparaat en niet op het gemiddelde verbruik. Het schakelwerk achter de hoofdzekering laat je door een erkend installateur doen.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Spanningszoeker en een multimeter die ook frequentie meet
- Isolerend schroevendraaierset voor het klemwerk
- Krimptang voor adereindhulzen
- Stripmes voor rubberkabel
- Boormachine en pluggen voor de inletkast en de kabelbeugels
- Testknop-controle van de aardlekschakelaar, eventueel een aardlektester
Materiaal
- Omschakelaar 1-0-2, minimaal twee polen bij een enkelfasige aansluiting
- Vaste inlet in een spatwaterdichte kast, CEE 230 volt 16 ampère
- Rubberkabel H07RN-F, 3G2,5 of dikker afhankelijk van de lengte
- Adereindhulzen en kabelwartels van de juiste maat
- Kabelbeugels of een goot voor het vaste deel van de leiding
- Waarschuwingssticker voor in de meterkast met de omschakelinstructie
Waarom een aggregaat nooit zomaar in een stopcontact gaat
Een aggregaat levert spanning en je huisinstallatie wil spanning, dus de verleiding is groot om die twee met een kabel aan elkaar te knopen. Dat is precies de manier waarop het misgaat. Zodra het aggregaat via een stopcontact op de installatie staat, loopt die spanning ook terug door de hoofdleiding het net op, en dat is een gevaar dat je zelf niet ziet. Wat er verder in de meterkast en de groepenkast gebeurt, staat of valt met deze scheiding.
Bij een stroomuitval werkt een monteur van de netbeheerder aan een kabel die volgens zijn meting spanningsloos is. Een aggregaat dat via een woning terugvoedt, zet die kabel via de wijktransformator weer onder spanning, en door de omzetverhouding van die transformator kan dat een veelvoud van 230 volt worden. Dit is de enige reden die je nodig hebt om het nooit zo te doen.
Er is een tweede reden die je eigen spullen raakt. Komt het net terug terwijl het aggregaat nog draait, dan staan twee bronnen die niets van elkaar weten kortgesloten op elkaar. Het aggregaat verliest dat gevecht binnen een seconde, met een verbrande generatorwikkeling of een geblokkeerde motor als resultaat.
De oplossing is niet ingewikkeld, maar ze is wel verplicht: een omschakelinrichting die het net en het aggregaat fysiek gescheiden houdt. Zonder dat onderdeel is er geen veilige manier om noodstroom op een vaste installatie te zetten.
Een kabel met aan beide kanten een mannelijke stekker is levensgevaarlijk en verboden. Zodra de ene kant in het aggregaat zit, staan de pennen aan de andere kant onder spanning en zijn ze aanraakbaar. Ook als je die kabel eerst in het stopcontact steekt, blijft de terugvoeding op het net bestaan. Dit is geen noodoplossing, dit is een ongeluk dat op zijn beurt wacht.
De omschakelaar houdt net en aggregaat uit elkaar
Een omschakelaar is een schakelaar met drie standen: net, uit, aggregaat. De middenstand is niet decoratief. Die zorgt dat er altijd een moment is waarop geen van beide bronnen is aangesloten, zodat je nooit even beide contacten tegelijk maakt. In het schakelmateriaal heet dat een 1-0-2 lastscheider.
Het punt waar mensen op afhaken is het aantal polen. Bij een enkelfasige aansluiting schakel je niet alleen de fase om, maar ook de nul. Dat komt doordat het aggregaat vaak zijn eigen nul-aardeverbinding heeft. Laat je de nul doorlopen naar het net, dan houd je een verbinding met de buitenwereld in stand terwijl je denkt dat je gescheiden zit, en dan werkt de beveiliging niet zoals bedoeld. Bij een driefasige aansluiting geldt hetzelfde: alle fasen plus de nul gaan mee in de omschakeling.
De aardleiding schakel je juist niet om. Die blijft doorlopen van de installatie naar de aardelektrode van de woning, want de bescherming tegen aanraakspanning mag geen moment onderbroken zijn. Hoe die aarding in een woning is opgebouwd staat bij de aardedraad in de meterkast.
Automatisch omschakelen kan ook, met een ATS-kast die de netspanning bewaakt, het aggregaat start en na terugkeer van het net weer terugschakelt. Dat is comfortabel, maar het is duurder en het maakt het aggregaat een vaste installatie in plaats van een noodvoorziening. Voor een woning is een handmatige omschakelaar in de praktijk voldoende, zolang je maar een sticker met de volgorde in de meterkast plakt.
| Manier van omschakelen | Hoe het werkt | Waarvoor het geschikt is | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| Handmatige omschakelaar 1-0-2 | Draaischakelaar met een verplichte nulstand tussen net en aggregaat | Woningen, hele installatie of een noodstroomdeel | Minimaal fase en nul schakelen, aarde laat je doorlopen |
| Vergrendelde paren automaten | Twee automaten naast elkaar met een mechanische vergrendelplaat | Bestaande groepenkast waar ruimte is voor twee modules | De vergrendeling moet fysiek zijn, niet alleen een instructie |
| Automatische omschakeling met ATS | Kast bewaakt de netspanning, start het aggregaat en schakelt om | Situaties waarin uitval echt niet mag, zoals een bedrijfskoeling | Vaste installatie, jaarlijkse test en onderhoud horen erbij |
| Aparte noodstroomgroepenkast | Een klein aantal groepen hangt achter een eigen kast die je omschakelt | Cv, koelkast, vriezer, een paar lichtpunten en wat stopcontacten | Vraagt herverdelen van groepen, dus installateurswerk |
| Losse verlengsnoeren vanaf het aggregaat | Geen koppeling met de installatie, apparaten hangen direct aan het aggregaat | Incidenteel gebruik, een enkele diepvries of een bouwlamp | Werkt, maar de cv-ketel en vaste verlichting kun je zo niet voeden |
| Hoofdschakelaar uit en een kabel in een stopcontact | Geen omschakeling, alleen een schakelaar die iemand kan omzetten | Nergens voor | Verboden en gevaarlijk, één handeling van iemand anders volstaat |
Hoeveel vermogen je aggregaat moet hebben
Aggregaten worden verkocht op twee getallen die niet hetzelfde zeggen. Het vermogen in kVA is het schijnbare vermogen, het vermogen in kW is wat je er werkelijk aan apparaten op kwijt kunt. De verhouding daartussen is de arbeidsfactor, meestal 0,8. Een aggregaat van 3 kVA levert dus ongeveer 2,4 kW aan echte belasting.
Het tweede getal dat je moet scheiden is continu vermogen tegenover piekvermogen. Op de sticker staat vaak het hogere piekgetal, dat het apparaat een paar seconden kan leveren. Reken altijd met het continue vermogen, want daar draait je installatie de hele avond op.
Wat de maat echt bepaalt, is de startstroom van je zwaarste motor. Een koelkast, een vriezer en een cv-pomp trekken bij het aanlopen een veelvoud van hun bedrijfsvermogen, omdat een stilstaande motor zich even gedraagt als een kortsluiting. Draait de compressor eenmaal, dan zakt dat terug naar iets bescheidens. Een aggregaat dat op papier ruim genoeg is, kan dus toch afslaan op het moment dat de vriezer aanslaat terwijl de ketel al pompt. Wil je uitrekenen wat er per groep aan vermogen hangt, dan helpt de rekenhulp voor het vermogen per groep je snel aan een realistisch totaal.
De praktische aanpak is simpel: tel het continue verbruik van alles wat je wilt voeden op, en tel daar de extra startpiek van het zwaarste apparaat bij op. Dat getal is je minimum. Wie ruimer koopt heeft ook minder last van een aggregaat dat de hele tijd op vol vermogen brult.
| Apparaat | Vermogen tijdens gebruik | Extra bij het aanlopen | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| Cv-ketel met pomp en ventilator | ongeveer 100 tot 200 watt | kortstondig enkele honderden watt | Wil een nette sinus en de juiste fase op de juiste klem |
| Koelkast | ongeveer 80 tot 150 watt | drie tot zeven keer zoveel, een tot twee seconden | Laat hem na het opstarten van het aggregaat pas aansluiten |
| Vrieskist | ongeveer 100 tot 200 watt | drie tot zeven keer zoveel | Blijft bij een gesloten deksel een dag lang koud, hoeft niet continu |
| Ledverlichting in het hele huis | enkele tientallen tot ruim honderd watt | verwaarloosbaar | De goedkoopste manier om je huis bruikbaar te houden |
| Modem, router en een laptop | ongeveer 50 tot 100 watt | verwaarloosbaar | Gevoelig voor een blokgolf, liever op een inverteraggregaat |
| Waterpomp of dompelpomp | 400 tot 800 watt | drie tot vijf keer zoveel | Vaak de zwaarste startpiek in huis, bepaalt je aggregaatmaat |
| Wasmachine of vaatwasser | 1800 tot 2200 watt tijdens verwarmen | beperkt, het verwarmingselement is een weerstand | Kan meestal wachten tot het net terug is |
| Inductiekookplaat | 3000 tot 7000 watt | beperkt maar zeer hoog continu | Buiten bereik van een normaal noodstroomaggregaat |
| Warmtepomp | vanaf 1500 watt, sterk wisselend | hoog bij een compressor zonder softstart | Reken hier niet op noodstroom zonder advies van de leverancier |
Start het aggregaat altijd onbelast en schakel daarna pas de groepen één voor één in. Alles tegelijk laten aanlopen is de meest voorkomende reden dat een aggregaat direct in overbelasting gaat, terwijl datzelfde huis er verderop op de avond prima op draait.
Aarding en de aardlekschakelaar bij een aggregaat
Dit is het onderdeel dat het vaakst wordt overgeslagen en dat het meest uitmaakt. Veel kleine aggregaten leveren een zwevend net: de twee uitgaande aders hebben geen vaste verhouding tot aarde. Dat is bewust zo gemaakt, want bij één apparaat aan één stopcontact is dat juist veilig. Er is dan geen sluitende stroomkring naar aarde, dus een enkele aanraking levert geen stroom door je lichaam.
Zodra je zo'n aggregaat op een hele huisinstallatie zet, keert dat voordeel om. Een aardlekschakelaar meet het verschil tussen de stroom in de fase en die in de nul. Loopt er stroom naar aarde weg, dan klopt dat verschil niet meer en schakelt hij uit. Bij een zwevend net kan die stroom nergens heen, dus meet de aardlek geen verschil en blijft hij ingeschakeld terwijl er wel degelijk iets mis is. Hoe zo'n verliesstroom ontstaat en waar je hem zoekt staat bij het opsporen van lekstroom in een installatie.
De oplossing is het aggregaat een vast nulpunt geven, zodat het zich gedraagt als een gewoon geaard net. Praktisch betekent dat een verbinding tussen de nul van het aggregaat en de aarde van de installatie. Sommige aggregaten hebben die brug intern al, andere niet, en bij een deel is hij aanwezig als een schroefbare klem in de aansluitkast. Kijk in het typeplaatje en de handleiding welke van de drie je hebt en breng die verbinding op precies één plek aan.
De aardelektrode van de woning blijft daarbij het referentiepunt. Heeft je woning geen bruikbare aardverbinding via de waterleiding of de fundering, dan is een eigen elektrode nodig, en dan is het slaan van een aardpen het werk dat daarvoor gedaan moet worden. Test na het omschakelen altijd de aardlekschakelaar met de testknop, want dat is de enige manier om te zien of de beveiliging op noodstroom nog echt doet wat hij moet doen.
Maak de nul-aardeverbinding op één plek en nergens anders. Twee bruggen tegelijk, bijvoorbeeld intern in het aggregaat en nog eens in de omschakelkast, laten bedrijfsstroom via de aardleiding teruglopen. De aardlekschakelaar meet dan een verschil dat er niet hoort te zijn en schakelt uit zonder dat er iets kapot is, of hij schakelt juist niet uit als het er wel toe doet.
De kabel en de inlet tussen aggregaat en huis
De verbinding van het aggregaat naar het huis is een verplaatsbare leiding die buiten ligt, dus daar hoort rubberkabel. H07RN-F blijft soepel in de kou, kan tegen uv en tegen mechanische belasting, en dat is precies wat een kabel over een oprit nodig heeft. Een gewone grijze installatiekabel is hier niet geschikt: die wordt stug bij vorst, scheurt op de plek waar hij continu buigt en is niet voor verplaatsbaar gebruik bedoeld.
Aan de gevel komt een vaste inlet in een spatwaterdichte kast, met een mannelijk CEE-deel zodat de kabel er met een vrouwelijke koppeling op klikt. Die richting is met opzet zo: de contacten die onder spanning kunnen staan, zitten altijd in het deel dat je niet kunt aanraken. Vanaf die inlet loopt een vast gelegde leiding naar de omschakelaar in de meterkast.
De lengte bepaalt de dikte. Over een lange kabel verlies je spanning, en een aggregaat dat al aan de krappe kant zit, merkt dat direct aan de motor die trager op toeren komt. De vuistregel die wij aanhouden is dat je onder ongeveer drie procent spanningsval blijft. Twijfel je over welk type kabel waar mag liggen, dan geeft de kiezer voor draad- en kabelsoorten per situatie de gangbare keuze.
Rol de kabel altijd helemaal af voordat je belast. Een opgerolde haspel vormt een spoel die warm wordt en zijn warmte niet kwijt kan, en bij 16 ampère aan een aggregaat is dat geen theoretisch probleem.
| Lengte van de kabel | Bij 10 ampère | Bij 16 ampère | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|
| tot 20 meter | 1,5 mm² | 2,5 mm² | De gangbare situatie bij een aggregaat naast het huis |
| 20 tot 40 meter | 2,5 mm² | 4 mm² | Controleer of de koppeling de dikkere ader nog klemt |
| 40 tot 60 meter | 2,5 mm² | 6 mm² | Zwaar en stug, houd rekening met de buigstraal |
| meer dan 60 meter | 4 mm² | vraag advies | Beter het aggregaat verplaatsen dan de kabel verlengen |
Leg de kabel niet dwars over een looppad maar langs de gevel, en houd hem uit een plas. De koppeling van een rubberkabel is spatwaterdicht als hij gekoppeld is, niet als hij half in het water ligt. Een kabelbrug of gewoon een plank eroverheen scheelt een struikelpartij in het donker.
Wat je wel en niet op noodstroom zet
De verleiding bij een omschakelaar op de hele installatie is om alles gewoon te laten hangen. Dat werkt tot iemand de waterkoker aanzet. Een noodstroomvoorziening is er om het huis leefbaar te houden, niet om normaal door te leven, en die keuze maak je het beste vooraf in plaats van tijdens de uitval.
De praktische indeling is: verwarming, koeling, licht en communicatie horen erbij, en alles wat warmte maakt met een element hoort er niet bij. Een kookplaat, een boiler, een föhn en een elektrische kachel trekken elk meer dan een normaal noodstroomaggregaat continu kan leveren. Een vaatwasser is hetzelfde verhaal: dat apparaat verwarmt zijn eigen water en kan gewoon wachten, zoals ook blijkt uit het opgenomen vermogen waar je bij het aansluiten van een vaatwasser rekening mee houdt.
Wie het netjes wil doen, laat een klein aantal groepen achter een aparte noodstroomkast zetten. Dat betekent dat de cv-groep, de koelgroep en één verlichtingsgroep opnieuw worden ingedeeld, wat neerkomt op het uitbreiden van de groepenkast. Het voordeel is dat je bij een uitval niets hoeft te bedenken: je schakelt om en wat aan mag staan, staat aan.
| Wat je wilt voeden | Verstandig op noodstroom? | Waarom |
|---|---|---|
| Cv-ketel en thermostaat | Ja, meestal de eerste keuze | Weinig vermogen, groot effect, houdt het huis warm en droog |
| Koelkast en vriezer | Ja, maar niet allebei tegelijk aanlopen | Weinig continu vermogen, hoge startpiek per compressor |
| Verlichting op led | Ja | Vrijwel geen belasting en het scheelt kaarsen in huis |
| Modem, router, telefoonlader | Ja, liefst op een inverteraggregaat | Schakelende voedingen houden niet van een grove blokgolf |
| Kelderpomp of dompelpomp | Ja, en dan als eerste in de berekening | Bij wateroverlast is dit het apparaat waarvoor je het aggregaat kocht |
| Wasmachine en vaatwasser | Nee, laat wachten | Verwarmen kost bijna al je vermogen en het kan uitgesteld worden |
| Inductie of keramische kookplaat | Nee | Ver boven het continue vermogen van een normaal aggregaat |
| Elektrische boiler of doorstromer | Nee | Zelfde reden, een element trekt zijn vermogen onverbiddelijk |
| Laadpaal voor een auto | Nee | Vraagt meer dan het aggregaat levert en de laadpaal ziet het net niet |
| Omvormer van zonnepanelen | Nee, uitschakelen tijdens noodstroom | Terugleveren aan een aggregaat jaagt spanning en frequentie op |
De cv-ketel op een aggregaat krijgen
Voor de meeste mensen is de cv-ketel de reden om überhaupt een aggregaat te kopen, en het is tegelijk het apparaat dat het lastigst doet. Dat komt door drie eigenschappen die een ketel heeft en een bouwlamp niet.
Het eerste is de golfvorm. Een klassiek aggregaat met een spanningsregelaar levert een ruwe sinus met pieken die de elektronica van een ketel niet altijd verdraagt. Een inverteraggregaat maakt de wisselspanning elektronisch op en levert een nette sinus met een stabiele frequentie. Voor een moderne ketel is dat in de praktijk het verschil tussen werken en met een storingscode op de display staan.
Het tweede is de vlambeveiliging. Een ketel controleert of er echt vlam is door een kleine stroom door de vlam te meten, en die meting gebruikt aarde als referentie. Hangt de ketel aan een zwevend net zonder nul-aardeverbinding, dan komt die meting niet op gang, dooft de brander na een paar seconden en ga je in storing. Datzelfde gebeurt als fase en nul verwisseld zijn, want dan zit de meting aan de verkeerde kant van de kring.
Het derde is dus de polariteit. Fase en nul horen op de klemmen die daarvoor gemarkeerd zijn, ook bij een noodstroomvoeding, en ook als de rest van het huis gewoon lijkt te werken bij verwisseling. Controleer met een spanningszoeker welke ader bij het aggregaat de fase is voordat je de installatie erop zet. Hoe kleuren en klemmen in een Nederlandse installatie zijn ingedeeld, staat bij het aansluiten van een stopcontact.
De ketel start wel, maar valt na een minuut uit
Dit patroon wijst bijna altijd op de frequentie of op de aarding, niet op de ketel. Een aggregaat dat te weinig toeren maakt onder belasting levert een frequentie onder de 50 hertz, en de besturing van een ketel accepteert dat maar een korte tijd. Meet de frequentie met een multimeter terwijl de ketel draait: zakt hij richting 47 of 48 hertz, dan is het aggregaat te zwaar belast of loopt de motor niet goed. Blijft de frequentie stabiel en gaat de ketel toch in storing, kijk dan naar de nul-aardeverbinding en naar de polariteit van fase en nul.
Waar het aggregaat staat als het draait
Een aggregaat is een verbrandingsmotor en die produceert koolmonoxide. Dat gas is kleurloos, reukloos en het maakt je suf voordat je doorhebt dat er iets mis is. Een draaiend aggregaat hoort daarom buiten, in de open lucht, en niet in een garage, niet in een schuur, en ook niet onder een afdak tegen de gevel waar de uitlaatgassen blijven hangen.
Houd afstand tot alles wat lucht naar binnen brengt: ramen die op een kier staan, ventilatieroosters, een afzuigkap die net niet dicht is en de luchtinlaat van een balansventilatie. Enkele meters afstand en de uitlaat van het huis af gericht is het minimum. Een koolmonoxidemelder in de ruimte waar mensen slapen is bij een aggregaat geen overdreven voorzorg.
Bijtanken doe je met een uitgeschakelde en afgekoelde motor. Benzine die op een hete uitlaat komt, ontsteekt zonder vonk. Dat betekent dat je bij een lange uitval plant wanneer je stopt, in plaats van door te tanken tot de tank leeg loopt en het aggregaat vanzelf afslaat.
Denk ook aan het weer en aan geluid. Regen op de contactdozen van het aggregaat is een probleem, dus zet het onder een open constructie die de lucht wel doorlaat. En een aggregaat dat de hele nacht op vol vermogen draait, hoort je hele straat mee. Een ruimer gekozen inverteraggregaat draait dan zachter, omdat de motor zijn toerental aanpast aan de belasting.
Nooit binnen, ook niet met de deur open. De hoeveelheid koolmonoxide die een kleine motor produceert, vult een gesloten garage in minuten tot een dodelijke concentratie. Een openstaande deur of een raam is geen ventilatie: uitlaatgas is warm, stijgt en blijft onder het dak hangen.
Wat er in de meterkast verandert en wie dat mag doen
De omschakelaar zit tussen de hoofdaansluiting en de groepen, en dat is precies het deel van de installatie waar je niet zelf aan werkt. Alles achter de hoofdzekering, dus het aftakken van de hoofdleiding, het bijplaatsen van een lastscheider en het herindelen van groepen, hoort bij een erkend installateur. Die zet ook de installatie spanningsloos op de manier waarop dat hoort, want de kabel vóór de hoofdzekering blijft onder spanning staan als jij de hoofdschakelaar omzet.
Wat je zelf kunt voorbereiden is het meeste werk eromheen. Het plaatsen van de inletkast in de gevel, het trekken en beugelen van de leiding naar de meterkast, de doorvoer maken en de kabel op lengte leggen: dat kun je klaar hebben liggen voordat de installateur komt. Dat scheelt in de tijd die hij nodig heeft.
Heb je een driefasige aansluiting, dan speelt er iets extra's. Een enkelfasig aggregaat kan niet drie fasen voeden, dus voed je één fase, of je koppelt de drie fasen in de omschakelkast door zodat alle groepen op dezelfde bron hangen. Dat laatste mag alleen als de installatie daarop is berekend en als er geen apparaten aan hangen die 400 volt tussen de fasen verwachten, zoals een perilexaansluiting. Wat het verschil is tussen de aansluitvormen lees je bij een tweefasige aansluiting in de meterkast.
Laat in de meterkast een duidelijke instructie achter: welke stand van de omschakelaar wat betekent, in welke volgorde je omschakelt, en welke groepen je uit moet zetten voordat je het aggregaat belast. Wie die kaart nodig heeft, heeft hem in het donker nodig, dus schrijf hem leesbaar en hang hem aan de binnenkant van de deur van de meterkast.
Van uitval naar noodstroom, in de juiste volgorde
Deze volgorde geldt bij een installatie waar de omschakelaar en de inlet al vakkundig zijn aangebracht.
-
Zet de omschakelaar in de nulstand
Doe dit voordat je het aggregaat start. In de nulstand is de installatie van beide bronnen los, zodat het aggregaat straks onbelast kan aanlopen. Sla je deze stap over, dan komt de volle belasting van het huis in één klap op een koude motor.
-
Schakel de zware groepen uit
Zet de automaten van kookplaat, boiler, wasmachine, vaatwasser en een eventuele laadpaal uit, en schakel ook de omvormer van de zonnepanelen af. Zo kan niemand tijdens de uitval per ongeluk iets aanzetten dat het aggregaat direct in overbelasting duwt.
-
Zet het aggregaat buiten neer en sluit de kabel aan
Plaats het waterpas, op enkele meters van gevelopeningen en met de uitlaat van het huis af. Rol de rubberkabel helemaal af, koppel eerst aan de inlet van de woning en daarna aan het aggregaat. In die volgorde is er geen moment waarop je een koppeling onder spanning vasthebt.
-
Start het aggregaat onbelast en laat het warmlopen
Laat de motor een minuut of twee draaien voordat je belast. Controleer met een multimeter of je ongeveer 230 volt en 50 hertz meet. Wijkt de frequentie meer dan een paar hertz af, dan is er iets met het toerental en heeft doorgaan geen zin.
-
Draai de omschakelaar naar de aggregaatstand
Ga via de nulstand naar de aggregaatstand, in één rustige beweging. De installatie hangt nu aan het aggregaat en is los van het net. Controleer of de spanning niet inzakt zodra de eerste groepen erop komen.
-
Test de aardlekschakelaar
Druk de testknop in. Schakelt de aardlek niet uit, dan heeft je aggregaat geen bruikbaar nulpunt en biedt de beveiliging in deze stand geen bescherming tegen aanraking. Schakel dan terug naar de nulstand en gebruik het aggregaat alleen met losse verlengsnoeren tot dit is opgelost.
-
Schakel de groepen één voor één in
Begin met licht, dan de cv-groep, dan de koelkast en daarna de vriezer. Wacht tussen twee compressoren een halve minuut, zodat er nooit twee startpieken samenvallen. Luister naar de motor: zakt hij hoorbaar in, wacht dan met de volgende groep.
-
Schakel terug zodra het net er weer is
Zet de omschakelaar via de nulstand terug naar net, laat het aggregaat daarna nog even onbelast draaien om af te koelen en zet het pas dan uit. Koppel de kabel los aan de aggregaatzijde als laatste, en zet de zware groepen weer aan.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Voordat je voor het eerst op noodstroom overgaat
Uit de praktijk
De aardlekschakelaar die op noodstroom niets meer doet
Een aardlek die op netvoeding netjes op de testknop reageert en op aggregaatvoeding niet, wijst op een zwevend nulpunt. De schakelaar meet het verschil tussen de stroom heen en terug, en bij een aggregaat zonder verbinding tussen nul en aarde kan een verliesstroom nergens naartoe. Er is dus geen verschil te meten, ook niet als iemand een fase aanraakt.
Wat hier helpt is het aggregaat een vast nulpunt geven volgens de handleiding van dat model, of, als de fabrikant dat niet toestaat, het aggregaat alleen met losse verlengsnoeren gebruiken. Blijf van de testknop af als controlemiddel: die test alleen de schakelaar zelf, niet of het stelsel eromheen klopt. Een aardlektester die een echte verliesstroom simuleert, geeft daar wel uitsluitsel over.
Een cv-ketel die op het aggregaat in storing gaat
Een ketel die op het net probleemloos draait en op noodstroom binnen een minuut een vlamstoring geeft, heeft bijna altijd een probleem met de referentie of met de golfvorm. De ionisatiemeting die controleert of er vlam is, loopt via aarde. Zonder nul-aardeverbinding komt die meting niet tot stand en dooft de brander uit voorzorg.
Verwisselde fase en nul geven hetzelfde beeld, want dan zit de meting aan de verkeerde zijde van de kring. Meet daarom met een spanningszoeker welke ader op het aggregaat de fase is, en klem die op de klem die daarvoor gemerkt is. Blijft het probleem staan bij een klassiek aggregaat met spanningsregelaar, dan is de ruwe golfvorm de derde verdachte, en dan is een inverteraggregaat de oplossing.
Het aggregaat slaat af zodra de vriezer aanslaat
Een aggregaat dat een half huis moeiteloos voedt en dan zonder aankondiging in overbelasting gaat, loopt tegen een startpiek aan. Een stilstaande compressormotor gedraagt zich op het moment van inschakelen bijna als een kortsluiting, en trekt een veelvoud van zijn bedrijfsstroom gedurende één tot twee seconden. Vallen twee van die pieken samen, dan is de grens snel bereikt.
De remedie zit in de volgorde en niet in een groter aggregaat. Schakel apparaten met een motor één voor één in en laat er een halve minuut tussen. Een vriezer met een gesloten deksel blijft een dag lang koud, dus die kan gerust wachten tot de koelkast zijn cyclus heeft afgemaakt. Wie toch groter koopt, rekent met het continue vermogen plus de zwaarste enkele startpiek.
Zonnepanelen die tijdens noodstroom gaan meeleveren
Een omvormer schakelt in zodra hij spanning en frequentie ziet die binnen zijn venster vallen, en het maakt hem niet uit of die van het net of van een aggregaat komt. Zodra hij levert, duwt hij vermogen in een bron die dat niet kan opnemen. Spanning en frequentie lopen dan op, waarna de omvormer afschakelt, waarna hij het opnieuw probeert. Dat op en neer gaan is slecht voor de apparaten die eraan hangen.
Schakel daarom de groep van de omvormer uit voordat je omschakelt naar het aggregaat. Wil je zon en noodstroom echt combineren, dan heb je een omvormer met een noodstroomuitgang en een accu nodig, en dat is een andere installatie dan een aggregaat achter een omschakelaar.
Veelgemaakte fouten
Een kabel met twee mannelijke stekkers gebruiken
Dit lijkt de snelste route en het is de gevaarlijkste. De pennen aan de losse kant staan onder spanning zodra de andere kant in het aggregaat zit, en de spanning gaat via de hoofdleiding ook het net op. Dat brengt monteurs in gevaar die aan een volgens meting spanningsloze kabel werken.
De hoofdschakelaar uitzetten als enige scheiding
Een hoofdschakelaar is niet vergrendeld en niet gemerkt als omschakeling. Iemand die de meterkast opent en de schakelaar terugzet, koppelt het draaiende aggregaat rechtstreeks aan het teruggekeerde net. Alleen een schakelaar die net en aggregaat mechanisch uitsluit, is een echte scheiding.
Alleen de fase omschakelen en de nul laten doorlopen
Met een doorlopende nul houd je een verbinding met het net in stand, ook als de fase netjes omgezet is. Bij een aggregaat met een eigen nul-aardeverbinding ontstaat daardoor een tweede weg voor bedrijfsstroom, en dan meet de aardlekschakelaar verschillen die er niet horen te zijn.
Rekenen met het piekvermogen van de sticker
Het hoogste getal op de verpakking is wat het aggregaat een paar seconden aankan. Wie daarop koopt, komt in de praktijk twintig tot dertig procent tekort. Het continue vermogen is het getal waarmee je rekent, en dan nog in kilowatt en niet in kVA.
Het aggregaat onder een afdak tegen de gevel zetten
Uitlaatgas is warm en stijgt, en onder een afdak blijft het hangen tot het via het eerste rooster of de eerste kier naar binnen trekt. Koolmonoxide ruik je niet en merk je pas als je al suf bent. Enkele meters vrije ruimte en de uitlaat van het huis af gericht is het minimum.
Bijtanken terwijl de motor nog heet is
Benzine die op een hete uitlaat druppelt, ontsteekt zonder dat er een vonk nodig is. Plan bij een lange uitval een tankmoment in plaats van door te draaien tot het aggregaat vanzelf afslaat, en geef de motor daarna een paar minuten om af te koelen.
De kabel opgerold op de haspel laten
Een opgerolde kabel vormt een spoel die zijn warmte niet kwijt kan. Bij 16 ampère loopt de temperatuur in de kern van de rol snel op, en de isolatie wordt daar zacht van. Rol altijd volledig af, ook als je maar tien meter nodig hebt.
Voor het eerst omschakelen tijdens een echte uitval
Een omschakeling die je nog nooit gedaan hebt, doe je niet met een zaklamp tussen je tanden. Oefen de hele volgorde bij daglicht, inclusief het terugschakelen naar net, zodat je weet welke groepen je uit moet zetten en hoe de installatie reageert.
Veelgestelde vragen
Mag ik zelf een aggregaat aansluiten op de meterkast?
Het schakelwerk in de meterkast zelf niet. Het aftakken van de hoofdleiding en het plaatsen van een omschakelaar gebeurt achter de hoofdzekering, en dat deel van de installatie is werk voor een erkend installateur. Wat je wel zelf mag doen is alles eromheen voorbereiden: de inletkast in de gevel plaatsen, de leiding naar de meterkast trekken en beugelen, de doorvoer maken en het aggregaat opstellen. Hoe de rest van de kast is opgebouwd, staat bij de opbouw van de meterkast.
Hoeveel kW aggregaat heb ik nodig om een huis te voeden?
Dat hangt af van wat je wilt laten draaien, niet van de grootte van het huis. Voor cv, koelkast, vriezer, verlichting en internet kom je meestal uit rond de 2 tot 3 kilowatt continu, met ruimte erboven voor de startpiek van de zwaarste motor. Wil je ook een dompelpomp kunnen draaien, dan is die pomp maatgevend. Reken met het continue vermogen in kilowatt, en houd er rekening mee dat een aggregaat van 3 kVA bij een arbeidsfactor van 0,8 ongeveer 2,4 kilowatt levert.
Wat is een omschakelaar en heb ik die echt nodig?
Een omschakelaar is een schakelaar met drie standen: net, uit en aggregaat, waarbij de constructie het onmogelijk maakt om beide bronnen tegelijk in te schakelen. Die tussenliggende nulstand is het hele punt. Zonder zo'n schakelaar kan spanning van het aggregaat via de hoofdleiding het net op lopen, en dat is levensgevaarlijk voor iedereen die aan dat net werkt. Er is geen veilig alternatief: een hoofdschakelaar of een afspraak binnen het gezin is geen scheiding.
Kan ik het aggregaat op een stopcontact aansluiten om het huis te voeden?
Nee. Daarvoor is een kabel nodig met aan beide kanten een mannelijke stekker, en die is verboden omdat de pennen aan de losse kant onder spanning staan zodra de andere kant is ingeplugd. Bovendien loopt de spanning gewoon door naar de hoofdleiding en dus het net op. Een stopcontact is gemaakt om stroom af te nemen en niet om in te voeden, en de bedrading van zo'n groep is er ook niet op berekend. Hoe zo'n groep is opgebouwd zie je bij het aansluiten van een stopcontact.
Werkt mijn cv-ketel op een aggregaat?
Meestal wel, maar er zijn drie voorwaarden. De golfvorm moet schoon genoeg zijn, en daar is een inverteraggregaat betrouwbaarder in dan een klassiek model met een spanningsregelaar. De fase moet op de faseklem zitten en de nul op de nulklem, want de vlambeveiliging meet via die richting. En het aggregaat moet een nulpunt hebben dat aan aarde ligt, anders komt de ionisatiemeting niet op gang en gaat de ketel binnen een minuut in storing.
Werkt de aardlekschakelaar als het aggregaat draait?
Alleen als het aggregaat een verbinding heeft tussen nul en aarde. Een aardlekschakelaar vergelijkt de stroom in de fase met die in de nul en schakelt uit bij een verschil. Bij een zwevend net kan een verliesstroom nergens naartoe, dus ontstaat dat verschil niet en blijft de schakelaar gewoon staan. Controleer na het omschakelen met de testknop of hij reageert, en behandel een aardlek die niets doet als een aardlek die er niet is. Meer over verliesstromen staat bij het opsporen van lekstroom.
Moet ik een aardpen slaan als ik een aggregaat gebruik?
Voedt het aggregaat de vaste installatie, dan gebruik je de bestaande aardvoorziening van de woning en hoef je niets extra's te doen. Heeft de woning geen bruikbare aardelektrode, bijvoorbeeld omdat de waterleiding in kunststof is vervangen, dan moet die er alsnog komen voordat noodstroom veilig is. Hoe je dat aanpakt en hoe diep zo'n pen moet, lees je bij het slaan van een aardpen. Voor een aggregaat dat losstaand met verlengsnoeren wordt gebruikt, schrijft de fabrikant in de handleiding voor wat er nodig is.
Welke kabel gebruik ik tussen het aggregaat en het huis?
Rubberkabel van het type H07RN-F, want die blijft soepel in de kou, kan tegen uv en is bedoeld voor verplaatsbaar gebruik. Een grijze installatiekabel is hier niet geschikt. Voor 16 ampère over maximaal twintig meter volstaat 3G2,5, daarboven ga je naar 4 mm² en vanaf ongeveer veertig meter naar 6 mm². Rol de kabel altijd volledig af. Welk kabeltype waar hoort, kun je nakijken met de draad- en kabelkiezer.
Kan ik een driefasige installatie voeden met een enkelfasig aggregaat?
Niet zonder aanpassing. Een enkelfasig aggregaat levert één fase, dus of je voedt alleen de groepen die achter die ene fase hangen, of de installateur koppelt in de omschakelkast de fasen door zodat alle groepen op dezelfde bron liggen. Dat laatste kan alleen als er niets aan hangt dat 400 volt tussen de fasen verwacht, zoals een perilexaansluiting of een driefasige kookplaat. Het verschil tussen de aansluitvormen staat bij de tweefasige aansluiting.
Moet ik een noodstroomaggregaat melden bij de netbeheerder?
Voor een aggregaat dat via een omschakelaar werkt en dus nooit parallel aan het net kan lopen, is melden in de regel niet nodig. Zodra een opwekker wel gelijktijdig met het net kan leveren, verandert dat en geldt er wel een meldplicht. Omdat de voorwaarden per netbeheerder verschillen, is één telefoontje of een blik op de site van jouw netbeheerder de zekerste route. Je installateur weet meestal precies wat er in jouw regio gevraagd wordt.
Hoe lang kan een aggregaat achter elkaar draaien?
Dat wordt begrensd door de tank en door het onderhoud, niet door het uithoudingsvermogen van de motor. Kleine aggregaten draaien op één tank vaak zes tot twaalf uur bij halve belasting, korter als je ze volbelast. Plan het tanken in en laat de motor eerst afkoelen. Bij een uitval van meerdere dagen komt daar het olieniveau bij: controleer dat dagelijks, want een aggregaat met een kleine carterinhoud verbruikt merkbaar olie.
Kan ik mijn zonnepanelen gebruiken als de stroom uitvalt?
Niet met een gewone omvormer. Die schakelt bij netuitval bewust af, precies om terugvoeding op een spanningsloos net te voorkomen. Zet je hem tijdens noodstroom toch aan, dan gaat hij vermogen in het aggregaat duwen dat daar niets mee kan, waarna spanning en frequentie oplopen en de omvormer weer afvalt. Schakel de groep van de omvormer daarom uit voordat je omschakelt. Wil je zon bij uitval echt benutten, dan heb je een omvormer met noodstroomuitgang en een accu nodig.
Wanneer je beter een vakman belt
Voor dit onderwerp ligt de grens scherper dan bij de meeste klussen, en hij ligt bij de meterkast. Alles achter de hoofdzekering, dus het aftakken van de hoofdleiding, het plaatsen van de omschakelaar en het herindelen van groepen naar een noodstroomdeel, hoort bij een erkend installateur. De kabel vóór de hoofdzekering blijft onder spanning staan ook als jij de hoofdschakelaar omzet, en dat is niet iets waar je met een schroevendraaier achter komt.
Een tweede moment om te bellen is de nul-aardeverbinding van het aggregaat. Of die in jouw model intern al aanwezig is, en of je hem mag aanbrengen, verschilt per fabrikant. Twee bruggen tegelijk maakt de beveiliging onbetrouwbaar en geen enkele brug maakt de aardlekschakelaar blind. Weet je niet zeker welke situatie je hebt, laat het dan meten in plaats van het aan te nemen.
Blijft de aardlekschakelaar op noodstroom niet reageren op een echte verliesstroom, dan stopt het zelf uitzoeken daar. Gebruik het aggregaat tot die tijd alleen met losse verlengsnoeren rechtstreeks op het apparaat, en laat de installatie los van het net. Dat is minder comfortabel, maar het is de enige veilige tussenoplossing.
Bij een driefasige aansluiting, bij een woning met een laadpaal of een thuisbatterij, en bij een installatie waar noodstroom vast en automatisch moet werken, is het ontwerp zelf al werk voor een installateur. Laat hem dan meteen de omschakelinstructie voor in de meterkast opstellen, zodat iedereen in huis weet wat er moet gebeuren.