Naar de inhoud
Bekijk de rekenhulpen

Een aggregaat aansluiten op de meterkast

12 minuten lezen Meterkast & groepen Bijgewerkt 14 augustus 2026
diy-gids.nl ELEKTRA Aggregaat aansluiten op meterkast

Een aggregaat aansluiten op de meterkast draait om één ding: het net en het aggregaat mogen elkaar nooit zien. Dat regel je met een omschakelaar die fase en nul tegelijk omzet en die mechanisch verhindert dat beide bronnen tegelijk ingeschakeld staan. Het aggregaat zelf zet je buiten, je voedt het huis via een vaste inlet met rubberkabel, en je kiest het vermogen op het startvermogen van je zwaarste apparaat en niet op het gemiddelde verbruik. Het schakelwerk achter de hoofdzekering laat je door een erkend installateur doen.

12 minuten

Dit heb je nodig

Een dagdeel voor het aansluitwerk, plus voorbereiding Voorbereiding zelf, het schakelwerk door een installateur Sterk wisselend: het aggregaat is de grootste post, de omschakelaar en het aansluitwerk komen daarbovenop

Gereedschap

  • Spanningszoeker en een multimeter die ook frequentie meet
  • Isolerend schroevendraaierset voor het klemwerk
  • Krimptang voor adereindhulzen
  • Stripmes voor rubberkabel
  • Boormachine en pluggen voor de inletkast en de kabelbeugels
  • Testknop-controle van de aardlekschakelaar, eventueel een aardlektester

Materiaal

  • Omschakelaar 1-0-2, minimaal twee polen bij een enkelfasige aansluiting
  • Vaste inlet in een spatwaterdichte kast, CEE 230 volt 16 ampère
  • Rubberkabel H07RN-F, 3G2,5 of dikker afhankelijk van de lengte
  • Adereindhulzen en kabelwartels van de juiste maat
  • Kabelbeugels of een goot voor het vaste deel van de leiding
  • Waarschuwingssticker voor in de meterkast met de omschakelinstructie

Waarom een aggregaat nooit zomaar in een stopcontact gaat

Een aggregaat levert spanning en je huisinstallatie wil spanning, dus de verleiding is groot om die twee met een kabel aan elkaar te knopen. Dat is precies de manier waarop het misgaat. Zodra het aggregaat via een stopcontact op de installatie staat, loopt die spanning ook terug door de hoofdleiding het net op, en dat is een gevaar dat je zelf niet ziet. Wat er verder in de meterkast en de groepenkast gebeurt, staat of valt met deze scheiding.

Bij een stroomuitval werkt een monteur van de netbeheerder aan een kabel die volgens zijn meting spanningsloos is. Een aggregaat dat via een woning terugvoedt, zet die kabel via de wijktransformator weer onder spanning, en door de omzetverhouding van die transformator kan dat een veelvoud van 230 volt worden. Dit is de enige reden die je nodig hebt om het nooit zo te doen.

Er is een tweede reden die je eigen spullen raakt. Komt het net terug terwijl het aggregaat nog draait, dan staan twee bronnen die niets van elkaar weten kortgesloten op elkaar. Het aggregaat verliest dat gevecht binnen een seconde, met een verbrande generatorwikkeling of een geblokkeerde motor als resultaat.

De oplossing is niet ingewikkeld, maar ze is wel verplicht: een omschakelinrichting die het net en het aggregaat fysiek gescheiden houdt. Zonder dat onderdeel is er geen veilige manier om noodstroom op een vaste installatie te zetten.

Een kabel met aan beide kanten een mannelijke stekker is levensgevaarlijk en verboden. Zodra de ene kant in het aggregaat zit, staan de pennen aan de andere kant onder spanning en zijn ze aanraakbaar. Ook als je die kabel eerst in het stopcontact steekt, blijft de terugvoeding op het net bestaan. Dit is geen noodoplossing, dit is een ongeluk dat op zijn beurt wacht.

De omschakelaar houdt net en aggregaat uit elkaar

Een omschakelaar is een schakelaar met drie standen: net, uit, aggregaat. De middenstand is niet decoratief. Die zorgt dat er altijd een moment is waarop geen van beide bronnen is aangesloten, zodat je nooit even beide contacten tegelijk maakt. In het schakelmateriaal heet dat een 1-0-2 lastscheider.

Het punt waar mensen op afhaken is het aantal polen. Bij een enkelfasige aansluiting schakel je niet alleen de fase om, maar ook de nul. Dat komt doordat het aggregaat vaak zijn eigen nul-aardeverbinding heeft. Laat je de nul doorlopen naar het net, dan houd je een verbinding met de buitenwereld in stand terwijl je denkt dat je gescheiden zit, en dan werkt de beveiliging niet zoals bedoeld. Bij een driefasige aansluiting geldt hetzelfde: alle fasen plus de nul gaan mee in de omschakeling.

De aardleiding schakel je juist niet om. Die blijft doorlopen van de installatie naar de aardelektrode van de woning, want de bescherming tegen aanraakspanning mag geen moment onderbroken zijn. Hoe die aarding in een woning is opgebouwd staat bij de aardedraad in de meterkast.

Automatisch omschakelen kan ook, met een ATS-kast die de netspanning bewaakt, het aggregaat start en na terugkeer van het net weer terugschakelt. Dat is comfortabel, maar het is duurder en het maakt het aggregaat een vaste installatie in plaats van een noodvoorziening. Voor een woning is een handmatige omschakelaar in de praktijk voldoende, zolang je maar een sticker met de volgorde in de meterkast plakt.

Manier van omschakelenHoe het werktWaarvoor het geschikt isWaar je op moet letten
Handmatige omschakelaar 1-0-2Draaischakelaar met een verplichte nulstand tussen net en aggregaatWoningen, hele installatie of een noodstroomdeelMinimaal fase en nul schakelen, aarde laat je doorlopen
Vergrendelde paren automatenTwee automaten naast elkaar met een mechanische vergrendelplaatBestaande groepenkast waar ruimte is voor twee modulesDe vergrendeling moet fysiek zijn, niet alleen een instructie
Automatische omschakeling met ATSKast bewaakt de netspanning, start het aggregaat en schakelt omSituaties waarin uitval echt niet mag, zoals een bedrijfskoelingVaste installatie, jaarlijkse test en onderhoud horen erbij
Aparte noodstroomgroepenkastEen klein aantal groepen hangt achter een eigen kast die je omschakeltCv, koelkast, vriezer, een paar lichtpunten en wat stopcontactenVraagt herverdelen van groepen, dus installateurswerk
Losse verlengsnoeren vanaf het aggregaatGeen koppeling met de installatie, apparaten hangen direct aan het aggregaatIncidenteel gebruik, een enkele diepvries of een bouwlampWerkt, maar de cv-ketel en vaste verlichting kun je zo niet voeden
Hoofdschakelaar uit en een kabel in een stopcontactGeen omschakeling, alleen een schakelaar die iemand kan omzettenNergens voorVerboden en gevaarlijk, één handeling van iemand anders volstaat

Hoeveel vermogen je aggregaat moet hebben

Aggregaten worden verkocht op twee getallen die niet hetzelfde zeggen. Het vermogen in kVA is het schijnbare vermogen, het vermogen in kW is wat je er werkelijk aan apparaten op kwijt kunt. De verhouding daartussen is de arbeidsfactor, meestal 0,8. Een aggregaat van 3 kVA levert dus ongeveer 2,4 kW aan echte belasting.

Het tweede getal dat je moet scheiden is continu vermogen tegenover piekvermogen. Op de sticker staat vaak het hogere piekgetal, dat het apparaat een paar seconden kan leveren. Reken altijd met het continue vermogen, want daar draait je installatie de hele avond op.

Wat de maat echt bepaalt, is de startstroom van je zwaarste motor. Een koelkast, een vriezer en een cv-pomp trekken bij het aanlopen een veelvoud van hun bedrijfsvermogen, omdat een stilstaande motor zich even gedraagt als een kortsluiting. Draait de compressor eenmaal, dan zakt dat terug naar iets bescheidens. Een aggregaat dat op papier ruim genoeg is, kan dus toch afslaan op het moment dat de vriezer aanslaat terwijl de ketel al pompt. Wil je uitrekenen wat er per groep aan vermogen hangt, dan helpt de rekenhulp voor het vermogen per groep je snel aan een realistisch totaal.

De praktische aanpak is simpel: tel het continue verbruik van alles wat je wilt voeden op, en tel daar de extra startpiek van het zwaarste apparaat bij op. Dat getal is je minimum. Wie ruimer koopt heeft ook minder last van een aggregaat dat de hele tijd op vol vermogen brult.

ApparaatVermogen tijdens gebruikExtra bij het aanlopenWaar je op moet letten
Cv-ketel met pomp en ventilatorongeveer 100 tot 200 wattkortstondig enkele honderden wattWil een nette sinus en de juiste fase op de juiste klem
Koelkastongeveer 80 tot 150 wattdrie tot zeven keer zoveel, een tot twee secondenLaat hem na het opstarten van het aggregaat pas aansluiten
Vrieskistongeveer 100 tot 200 wattdrie tot zeven keer zoveelBlijft bij een gesloten deksel een dag lang koud, hoeft niet continu
Ledverlichting in het hele huisenkele tientallen tot ruim honderd wattverwaarloosbaarDe goedkoopste manier om je huis bruikbaar te houden
Modem, router en een laptopongeveer 50 tot 100 wattverwaarloosbaarGevoelig voor een blokgolf, liever op een inverteraggregaat
Waterpomp of dompelpomp400 tot 800 wattdrie tot vijf keer zoveelVaak de zwaarste startpiek in huis, bepaalt je aggregaatmaat
Wasmachine of vaatwasser1800 tot 2200 watt tijdens verwarmenbeperkt, het verwarmingselement is een weerstandKan meestal wachten tot het net terug is
Inductiekookplaat3000 tot 7000 wattbeperkt maar zeer hoog continuBuiten bereik van een normaal noodstroomaggregaat
Warmtepompvanaf 1500 watt, sterk wisselendhoog bij een compressor zonder softstartReken hier niet op noodstroom zonder advies van de leverancier

Start het aggregaat altijd onbelast en schakel daarna pas de groepen één voor één in. Alles tegelijk laten aanlopen is de meest voorkomende reden dat een aggregaat direct in overbelasting gaat, terwijl datzelfde huis er verderop op de avond prima op draait.

Aarding en de aardlekschakelaar bij een aggregaat

Dit is het onderdeel dat het vaakst wordt overgeslagen en dat het meest uitmaakt. Veel kleine aggregaten leveren een zwevend net: de twee uitgaande aders hebben geen vaste verhouding tot aarde. Dat is bewust zo gemaakt, want bij één apparaat aan één stopcontact is dat juist veilig. Er is dan geen sluitende stroomkring naar aarde, dus een enkele aanraking levert geen stroom door je lichaam.

Zodra je zo'n aggregaat op een hele huisinstallatie zet, keert dat voordeel om. Een aardlekschakelaar meet het verschil tussen de stroom in de fase en die in de nul. Loopt er stroom naar aarde weg, dan klopt dat verschil niet meer en schakelt hij uit. Bij een zwevend net kan die stroom nergens heen, dus meet de aardlek geen verschil en blijft hij ingeschakeld terwijl er wel degelijk iets mis is. Hoe zo'n verliesstroom ontstaat en waar je hem zoekt staat bij het opsporen van lekstroom in een installatie.

De oplossing is het aggregaat een vast nulpunt geven, zodat het zich gedraagt als een gewoon geaard net. Praktisch betekent dat een verbinding tussen de nul van het aggregaat en de aarde van de installatie. Sommige aggregaten hebben die brug intern al, andere niet, en bij een deel is hij aanwezig als een schroefbare klem in de aansluitkast. Kijk in het typeplaatje en de handleiding welke van de drie je hebt en breng die verbinding op precies één plek aan.

De aardelektrode van de woning blijft daarbij het referentiepunt. Heeft je woning geen bruikbare aardverbinding via de waterleiding of de fundering, dan is een eigen elektrode nodig, en dan is het slaan van een aardpen het werk dat daarvoor gedaan moet worden. Test na het omschakelen altijd de aardlekschakelaar met de testknop, want dat is de enige manier om te zien of de beveiliging op noodstroom nog echt doet wat hij moet doen.

Maak de nul-aardeverbinding op één plek en nergens anders. Twee bruggen tegelijk, bijvoorbeeld intern in het aggregaat en nog eens in de omschakelkast, laten bedrijfsstroom via de aardleiding teruglopen. De aardlekschakelaar meet dan een verschil dat er niet hoort te zijn en schakelt uit zonder dat er iets kapot is, of hij schakelt juist niet uit als het er wel toe doet.

De kabel en de inlet tussen aggregaat en huis

De verbinding van het aggregaat naar het huis is een verplaatsbare leiding die buiten ligt, dus daar hoort rubberkabel. H07RN-F blijft soepel in de kou, kan tegen uv en tegen mechanische belasting, en dat is precies wat een kabel over een oprit nodig heeft. Een gewone grijze installatiekabel is hier niet geschikt: die wordt stug bij vorst, scheurt op de plek waar hij continu buigt en is niet voor verplaatsbaar gebruik bedoeld.

Aan de gevel komt een vaste inlet in een spatwaterdichte kast, met een mannelijk CEE-deel zodat de kabel er met een vrouwelijke koppeling op klikt. Die richting is met opzet zo: de contacten die onder spanning kunnen staan, zitten altijd in het deel dat je niet kunt aanraken. Vanaf die inlet loopt een vast gelegde leiding naar de omschakelaar in de meterkast.

De lengte bepaalt de dikte. Over een lange kabel verlies je spanning, en een aggregaat dat al aan de krappe kant zit, merkt dat direct aan de motor die trager op toeren komt. De vuistregel die wij aanhouden is dat je onder ongeveer drie procent spanningsval blijft. Twijfel je over welk type kabel waar mag liggen, dan geeft de kiezer voor draad- en kabelsoorten per situatie de gangbare keuze.

Rol de kabel altijd helemaal af voordat je belast. Een opgerolde haspel vormt een spoel die warm wordt en zijn warmte niet kwijt kan, en bij 16 ampère aan een aggregaat is dat geen theoretisch probleem.

Lengte van de kabelBij 10 ampèreBij 16 ampèreWaar je op moet letten
tot 20 meter1,5 mm²2,5 mm²De gangbare situatie bij een aggregaat naast het huis
20 tot 40 meter2,5 mm²4 mm²Controleer of de koppeling de dikkere ader nog klemt
40 tot 60 meter2,5 mm²6 mm²Zwaar en stug, houd rekening met de buigstraal
meer dan 60 meter4 mm²vraag adviesBeter het aggregaat verplaatsen dan de kabel verlengen

Leg de kabel niet dwars over een looppad maar langs de gevel, en houd hem uit een plas. De koppeling van een rubberkabel is spatwaterdicht als hij gekoppeld is, niet als hij half in het water ligt. Een kabelbrug of gewoon een plank eroverheen scheelt een struikelpartij in het donker.

Wat je wel en niet op noodstroom zet

De verleiding bij een omschakelaar op de hele installatie is om alles gewoon te laten hangen. Dat werkt tot iemand de waterkoker aanzet. Een noodstroomvoorziening is er om het huis leefbaar te houden, niet om normaal door te leven, en die keuze maak je het beste vooraf in plaats van tijdens de uitval.

De praktische indeling is: verwarming, koeling, licht en communicatie horen erbij, en alles wat warmte maakt met een element hoort er niet bij. Een kookplaat, een boiler, een föhn en een elektrische kachel trekken elk meer dan een normaal noodstroomaggregaat continu kan leveren. Een vaatwasser is hetzelfde verhaal: dat apparaat verwarmt zijn eigen water en kan gewoon wachten, zoals ook blijkt uit het opgenomen vermogen waar je bij het aansluiten van een vaatwasser rekening mee houdt.

Wie het netjes wil doen, laat een klein aantal groepen achter een aparte noodstroomkast zetten. Dat betekent dat de cv-groep, de koelgroep en één verlichtingsgroep opnieuw worden ingedeeld, wat neerkomt op het uitbreiden van de groepenkast. Het voordeel is dat je bij een uitval niets hoeft te bedenken: je schakelt om en wat aan mag staan, staat aan.

Wat je wilt voedenVerstandig op noodstroom?Waarom
Cv-ketel en thermostaatJa, meestal de eerste keuzeWeinig vermogen, groot effect, houdt het huis warm en droog
Koelkast en vriezerJa, maar niet allebei tegelijk aanlopenWeinig continu vermogen, hoge startpiek per compressor
Verlichting op ledJaVrijwel geen belasting en het scheelt kaarsen in huis
Modem, router, telefoonladerJa, liefst op een inverteraggregaatSchakelende voedingen houden niet van een grove blokgolf
Kelderpomp of dompelpompJa, en dan als eerste in de berekeningBij wateroverlast is dit het apparaat waarvoor je het aggregaat kocht
Wasmachine en vaatwasserNee, laat wachtenVerwarmen kost bijna al je vermogen en het kan uitgesteld worden
Inductie of keramische kookplaatNeeVer boven het continue vermogen van een normaal aggregaat
Elektrische boiler of doorstromerNeeZelfde reden, een element trekt zijn vermogen onverbiddelijk
Laadpaal voor een autoNeeVraagt meer dan het aggregaat levert en de laadpaal ziet het net niet
Omvormer van zonnepanelenNee, uitschakelen tijdens noodstroomTerugleveren aan een aggregaat jaagt spanning en frequentie op

De cv-ketel op een aggregaat krijgen

Voor de meeste mensen is de cv-ketel de reden om überhaupt een aggregaat te kopen, en het is tegelijk het apparaat dat het lastigst doet. Dat komt door drie eigenschappen die een ketel heeft en een bouwlamp niet.

Het eerste is de golfvorm. Een klassiek aggregaat met een spanningsregelaar levert een ruwe sinus met pieken die de elektronica van een ketel niet altijd verdraagt. Een inverteraggregaat maakt de wisselspanning elektronisch op en levert een nette sinus met een stabiele frequentie. Voor een moderne ketel is dat in de praktijk het verschil tussen werken en met een storingscode op de display staan.

Het tweede is de vlambeveiliging. Een ketel controleert of er echt vlam is door een kleine stroom door de vlam te meten, en die meting gebruikt aarde als referentie. Hangt de ketel aan een zwevend net zonder nul-aardeverbinding, dan komt die meting niet op gang, dooft de brander na een paar seconden en ga je in storing. Datzelfde gebeurt als fase en nul verwisseld zijn, want dan zit de meting aan de verkeerde kant van de kring.

Het derde is dus de polariteit. Fase en nul horen op de klemmen die daarvoor gemarkeerd zijn, ook bij een noodstroomvoeding, en ook als de rest van het huis gewoon lijkt te werken bij verwisseling. Controleer met een spanningszoeker welke ader bij het aggregaat de fase is voordat je de installatie erop zet. Hoe kleuren en klemmen in een Nederlandse installatie zijn ingedeeld, staat bij het aansluiten van een stopcontact.

De ketel start wel, maar valt na een minuut uit

Dit patroon wijst bijna altijd op de frequentie of op de aarding, niet op de ketel. Een aggregaat dat te weinig toeren maakt onder belasting levert een frequentie onder de 50 hertz, en de besturing van een ketel accepteert dat maar een korte tijd. Meet de frequentie met een multimeter terwijl de ketel draait: zakt hij richting 47 of 48 hertz, dan is het aggregaat te zwaar belast of loopt de motor niet goed. Blijft de frequentie stabiel en gaat de ketel toch in storing, kijk dan naar de nul-aardeverbinding en naar de polariteit van fase en nul.

Waar het aggregaat staat als het draait

Een aggregaat is een verbrandingsmotor en die produceert koolmonoxide. Dat gas is kleurloos, reukloos en het maakt je suf voordat je doorhebt dat er iets mis is. Een draaiend aggregaat hoort daarom buiten, in de open lucht, en niet in een garage, niet in een schuur, en ook niet onder een afdak tegen de gevel waar de uitlaatgassen blijven hangen.

Houd afstand tot alles wat lucht naar binnen brengt: ramen die op een kier staan, ventilatieroosters, een afzuigkap die net niet dicht is en de luchtinlaat van een balansventilatie. Enkele meters afstand en de uitlaat van het huis af gericht is het minimum. Een koolmonoxidemelder in de ruimte waar mensen slapen is bij een aggregaat geen overdreven voorzorg.

Bijtanken doe je met een uitgeschakelde en afgekoelde motor. Benzine die op een hete uitlaat komt, ontsteekt zonder vonk. Dat betekent dat je bij een lange uitval plant wanneer je stopt, in plaats van door te tanken tot de tank leeg loopt en het aggregaat vanzelf afslaat.

Denk ook aan het weer en aan geluid. Regen op de contactdozen van het aggregaat is een probleem, dus zet het onder een open constructie die de lucht wel doorlaat. En een aggregaat dat de hele nacht op vol vermogen draait, hoort je hele straat mee. Een ruimer gekozen inverteraggregaat draait dan zachter, omdat de motor zijn toerental aanpast aan de belasting.

Nooit binnen, ook niet met de deur open. De hoeveelheid koolmonoxide die een kleine motor produceert, vult een gesloten garage in minuten tot een dodelijke concentratie. Een openstaande deur of een raam is geen ventilatie: uitlaatgas is warm, stijgt en blijft onder het dak hangen.

Wat er in de meterkast verandert en wie dat mag doen

De omschakelaar zit tussen de hoofdaansluiting en de groepen, en dat is precies het deel van de installatie waar je niet zelf aan werkt. Alles achter de hoofdzekering, dus het aftakken van de hoofdleiding, het bijplaatsen van een lastscheider en het herindelen van groepen, hoort bij een erkend installateur. Die zet ook de installatie spanningsloos op de manier waarop dat hoort, want de kabel vóór de hoofdzekering blijft onder spanning staan als jij de hoofdschakelaar omzet.

Wat je zelf kunt voorbereiden is het meeste werk eromheen. Het plaatsen van de inletkast in de gevel, het trekken en beugelen van de leiding naar de meterkast, de doorvoer maken en de kabel op lengte leggen: dat kun je klaar hebben liggen voordat de installateur komt. Dat scheelt in de tijd die hij nodig heeft.

Heb je een driefasige aansluiting, dan speelt er iets extra's. Een enkelfasig aggregaat kan niet drie fasen voeden, dus voed je één fase, of je koppelt de drie fasen in de omschakelkast door zodat alle groepen op dezelfde bron hangen. Dat laatste mag alleen als de installatie daarop is berekend en als er geen apparaten aan hangen die 400 volt tussen de fasen verwachten, zoals een perilexaansluiting. Wat het verschil is tussen de aansluitvormen lees je bij een tweefasige aansluiting in de meterkast.

Laat in de meterkast een duidelijke instructie achter: welke stand van de omschakelaar wat betekent, in welke volgorde je omschakelt, en welke groepen je uit moet zetten voordat je het aggregaat belast. Wie die kaart nodig heeft, heeft hem in het donker nodig, dus schrijf hem leesbaar en hang hem aan de binnenkant van de deur van de meterkast.

Van uitval naar noodstroom, in de juiste volgorde

Deze volgorde geldt bij een installatie waar de omschakelaar en de inlet al vakkundig zijn aangebracht.

  1. Zet de omschakelaar in de nulstand

    Doe dit voordat je het aggregaat start. In de nulstand is de installatie van beide bronnen los, zodat het aggregaat straks onbelast kan aanlopen. Sla je deze stap over, dan komt de volle belasting van het huis in één klap op een koude motor.

  2. Schakel de zware groepen uit

    Zet de automaten van kookplaat, boiler, wasmachine, vaatwasser en een eventuele laadpaal uit, en schakel ook de omvormer van de zonnepanelen af. Zo kan niemand tijdens de uitval per ongeluk iets aanzetten dat het aggregaat direct in overbelasting duwt.

  3. Zet het aggregaat buiten neer en sluit de kabel aan

    Plaats het waterpas, op enkele meters van gevelopeningen en met de uitlaat van het huis af. Rol de rubberkabel helemaal af, koppel eerst aan de inlet van de woning en daarna aan het aggregaat. In die volgorde is er geen moment waarop je een koppeling onder spanning vasthebt.

  4. Start het aggregaat onbelast en laat het warmlopen

    Laat de motor een minuut of twee draaien voordat je belast. Controleer met een multimeter of je ongeveer 230 volt en 50 hertz meet. Wijkt de frequentie meer dan een paar hertz af, dan is er iets met het toerental en heeft doorgaan geen zin.

  5. Draai de omschakelaar naar de aggregaatstand

    Ga via de nulstand naar de aggregaatstand, in één rustige beweging. De installatie hangt nu aan het aggregaat en is los van het net. Controleer of de spanning niet inzakt zodra de eerste groepen erop komen.

  6. Test de aardlekschakelaar

    Druk de testknop in. Schakelt de aardlek niet uit, dan heeft je aggregaat geen bruikbaar nulpunt en biedt de beveiliging in deze stand geen bescherming tegen aanraking. Schakel dan terug naar de nulstand en gebruik het aggregaat alleen met losse verlengsnoeren tot dit is opgelost.

  7. Schakel de groepen één voor één in

    Begin met licht, dan de cv-groep, dan de koelkast en daarna de vriezer. Wacht tussen twee compressoren een halve minuut, zodat er nooit twee startpieken samenvallen. Luister naar de motor: zakt hij hoorbaar in, wacht dan met de volgende groep.

  8. Schakel terug zodra het net er weer is

    Zet de omschakelaar via de nulstand terug naar net, laat het aggregaat daarna nog even onbelast draaien om af te koelen en zet het pas dan uit. Koppel de kabel los aan de aggregaatzijde als laatste, en zet de zware groepen weer aan.

Maatvoering

De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens

Ruimte of vakgebiedOnderdeelGangbare maatMarge die in de praktijk werktWaar je op moet letten
SanitairWastafel, bovenkant85 cm boven de vloer80 tot 90 cmMeet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm.
SanitairWastafelkraan, uitloop25 tot 30 cm boven de wastafelrandwat past bij de komTe hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder.
SanitairFonteintje in het toilet80 tot 85 cm75 tot 90 cmVaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is.
SanitairToiletpot, bovenkant zitting40 tot 43 cm38 tot 48 cmEen verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger.
SanitairHangend toilet, onderkant pot40 cm boven de vloer38 tot 45 cmDe hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast.
SanitairToiletrolhouder70 cm hoog, 25 cm voor de pot60 tot 80 cmTe ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit.
SanitairDouchekraan, thermostaat100 tot 110 cm95 tot 120 cmJe wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan.
SanitairDoucheglijstang, bovenkant180 tot 200 cmafhankelijk van de lengste gebruikerReken op minstens 20 cm boven de kruin.
SanitairRegendouche, onderkant kop205 tot 215 cm200 tot 220 cmOnder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd.
SanitairHanddoekradiator, onderkant20 tot 30 cm boven de vloer15 tot 40 cmLaag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen.
SanitairAfvoer wastafel, muurdoorvoer50 tot 55 cm45 tot 60 cmOnder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling.
ElektraStopcontact in een woonruimte30 cm hart boven de vloer25 tot 40 cmBij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen.
ElektraStopcontact boven een aanrechtblad115 tot 125 cm10 tot 20 cm boven het bladUit de spatzone van de kraan blijven.
ElektraLichtschakelaar105 cm hart boven de vloer90 tot 120 cmGelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld.
ElektraDeurklink100 cm hart boven de vloer95 tot 105 cmOok de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen.
ElektraMeterkast, groepenkast150 tot 180 cmbereikbaar zonder trapjeDe hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn.
ElektraWandcontactdoos buitenminimaal 30 cm boven maaiveldhoger bij kans op opspattend waterSpatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten.
ElektraBedrade deurbel, drukknop110 tot 130 cm100 tot 140 cmOok bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel.
ElektraWandlamp naast een spiegel160 tot 170 cmop ooghoogte van de gebruikerLicht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven.
ElektraTelevisieaansluiting40 cm of op de hoogte van het schermafhankelijk van de opstellingBij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm.
KeukenWerkblad, bovenkant90 tot 95 cm85 tot 100 cmVuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger.
KeukenBovenkasten, onderkant50 tot 60 cm boven het blad45 tot 65 cmTe laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken.
KeukenAfzuigkap boven een elektrische kookplaat60 cm55 tot 70 cmOnder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht.
KeukenAfzuigkap boven een gaspit65 cm65 tot 75 cmBij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam.
KeukenPlint onder de keukenkasten10 tot 15 cmstandaard 15 cmTerugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan.
KeukenInbouwoven op ooghoogteonderkant op 85 tot 90 cmnaar de gebruikerScheelt bukken met een hete plaat in je handen.
TrapTrapleuning90 cm boven de voorkant van de trede85 tot 100 cmMeet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer.
TrapLeuning langs een bordes100 cm90 tot 110 cmBij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap.
TrapOptrede, hoogte per trede18 tot 20 cmmaximaal 21 cm binnen een woningAlle treden even hoog, ook de eerste en de laatste.
TrapAantrede, diepte van de trede22 tot 24 cmminimaal 22 cmVuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm.
TrapVrije doorloophoogte boven de trap230 cmminimaal 210 cmMeet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond.
TrapSpijlafstand van een balustrademaximaal 10 cmkleiner bij kinderenZo kan een kinderhoofdje er niet tussen.
DeurenBinnendeur, standaardmaat83 bij 201,5 cm78 tot 93 cm breedDe dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad.
DeurenVoordeur, standaardmaat88 bij 201,5 cm83 tot 100 cm breedBreder is prettig bij verhuizen en bij een rollator.
DeurenSpeling onder een binnendeur1 tot 1,5 cm2 cm bij mechanische ventilatieDe kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet.
DeurenSpeling rondom in het kozijn3 mm2 tot 4 mmTe weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt.
DeurenScharnieren, afstand tot de hoek20 cm van boven en onder15 tot 25 cmBij een zware deur een derde scharnier in het midden.
VentilatieVentilatierooster in een raamboven in het kozijnop de bovenregelWarme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder.
VentilatieAfzuigpunt in een badkamerhoog in de ruimte20 tot 30 cm onder het plafondVocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet.
VentilatieMuurrooster kruipruimtenet boven het maaiveldminimaal 15 cmAnders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht.
VentilatieDakdoorvoer, afstand tot de nokminimaal 50 cmafhankelijk van het typeTe dicht bij de nok geeft terugslag bij wind.

Samengesteld uit gangbare praktijkmaten, de eisen uit het Bouwbesluit waar die van toepassing zijn, en montagevoorschriften van fabrikanten. Standaardmaten zijn een vertrekpunt, geen wet: pas ze aan op de lengte van de mensen die de ruimte gebruiken. Bij nieuwbouw en verbouw gelden de actuele bouwregels boven elke vuistregel.

Voordat je voor het eerst op noodstroom overgaat

Uit de praktijk

Wat hier misgaat

De aardlekschakelaar die op noodstroom niets meer doet

Een aardlek die op netvoeding netjes op de testknop reageert en op aggregaatvoeding niet, wijst op een zwevend nulpunt. De schakelaar meet het verschil tussen de stroom heen en terug, en bij een aggregaat zonder verbinding tussen nul en aarde kan een verliesstroom nergens naartoe. Er is dus geen verschil te meten, ook niet als iemand een fase aanraakt.

Wat hier helpt is het aggregaat een vast nulpunt geven volgens de handleiding van dat model, of, als de fabrikant dat niet toestaat, het aggregaat alleen met losse verlengsnoeren gebruiken. Blijf van de testknop af als controlemiddel: die test alleen de schakelaar zelf, niet of het stelsel eromheen klopt. Een aardlektester die een echte verliesstroom simuleert, geeft daar wel uitsluitsel over.

Wat hier misgaat

Een cv-ketel die op het aggregaat in storing gaat

Een ketel die op het net probleemloos draait en op noodstroom binnen een minuut een vlamstoring geeft, heeft bijna altijd een probleem met de referentie of met de golfvorm. De ionisatiemeting die controleert of er vlam is, loopt via aarde. Zonder nul-aardeverbinding komt die meting niet tot stand en dooft de brander uit voorzorg.

Verwisselde fase en nul geven hetzelfde beeld, want dan zit de meting aan de verkeerde zijde van de kring. Meet daarom met een spanningszoeker welke ader op het aggregaat de fase is, en klem die op de klem die daarvoor gemerkt is. Blijft het probleem staan bij een klassiek aggregaat met spanningsregelaar, dan is de ruwe golfvorm de derde verdachte, en dan is een inverteraggregaat de oplossing.

Wat hier misgaat

Het aggregaat slaat af zodra de vriezer aanslaat

Een aggregaat dat een half huis moeiteloos voedt en dan zonder aankondiging in overbelasting gaat, loopt tegen een startpiek aan. Een stilstaande compressormotor gedraagt zich op het moment van inschakelen bijna als een kortsluiting, en trekt een veelvoud van zijn bedrijfsstroom gedurende één tot twee seconden. Vallen twee van die pieken samen, dan is de grens snel bereikt.

De remedie zit in de volgorde en niet in een groter aggregaat. Schakel apparaten met een motor één voor één in en laat er een halve minuut tussen. Een vriezer met een gesloten deksel blijft een dag lang koud, dus die kan gerust wachten tot de koelkast zijn cyclus heeft afgemaakt. Wie toch groter koopt, rekent met het continue vermogen plus de zwaarste enkele startpiek.

Wat hier misgaat

Zonnepanelen die tijdens noodstroom gaan meeleveren

Een omvormer schakelt in zodra hij spanning en frequentie ziet die binnen zijn venster vallen, en het maakt hem niet uit of die van het net of van een aggregaat komt. Zodra hij levert, duwt hij vermogen in een bron die dat niet kan opnemen. Spanning en frequentie lopen dan op, waarna de omvormer afschakelt, waarna hij het opnieuw probeert. Dat op en neer gaan is slecht voor de apparaten die eraan hangen.

Schakel daarom de groep van de omvormer uit voordat je omschakelt naar het aggregaat. Wil je zon en noodstroom echt combineren, dan heb je een omvormer met een noodstroomuitgang en een accu nodig, en dat is een andere installatie dan een aggregaat achter een omschakelaar.

Veelgemaakte fouten

Een kabel met twee mannelijke stekkers gebruiken

Dit lijkt de snelste route en het is de gevaarlijkste. De pennen aan de losse kant staan onder spanning zodra de andere kant in het aggregaat zit, en de spanning gaat via de hoofdleiding ook het net op. Dat brengt monteurs in gevaar die aan een volgens meting spanningsloze kabel werken.

De hoofdschakelaar uitzetten als enige scheiding

Een hoofdschakelaar is niet vergrendeld en niet gemerkt als omschakeling. Iemand die de meterkast opent en de schakelaar terugzet, koppelt het draaiende aggregaat rechtstreeks aan het teruggekeerde net. Alleen een schakelaar die net en aggregaat mechanisch uitsluit, is een echte scheiding.

Alleen de fase omschakelen en de nul laten doorlopen

Met een doorlopende nul houd je een verbinding met het net in stand, ook als de fase netjes omgezet is. Bij een aggregaat met een eigen nul-aardeverbinding ontstaat daardoor een tweede weg voor bedrijfsstroom, en dan meet de aardlekschakelaar verschillen die er niet horen te zijn.

Rekenen met het piekvermogen van de sticker

Het hoogste getal op de verpakking is wat het aggregaat een paar seconden aankan. Wie daarop koopt, komt in de praktijk twintig tot dertig procent tekort. Het continue vermogen is het getal waarmee je rekent, en dan nog in kilowatt en niet in kVA.

Het aggregaat onder een afdak tegen de gevel zetten

Uitlaatgas is warm en stijgt, en onder een afdak blijft het hangen tot het via het eerste rooster of de eerste kier naar binnen trekt. Koolmonoxide ruik je niet en merk je pas als je al suf bent. Enkele meters vrije ruimte en de uitlaat van het huis af gericht is het minimum.

Bijtanken terwijl de motor nog heet is

Benzine die op een hete uitlaat druppelt, ontsteekt zonder dat er een vonk nodig is. Plan bij een lange uitval een tankmoment in plaats van door te draaien tot het aggregaat vanzelf afslaat, en geef de motor daarna een paar minuten om af te koelen.

De kabel opgerold op de haspel laten

Een opgerolde kabel vormt een spoel die zijn warmte niet kwijt kan. Bij 16 ampère loopt de temperatuur in de kern van de rol snel op, en de isolatie wordt daar zacht van. Rol altijd volledig af, ook als je maar tien meter nodig hebt.

Voor het eerst omschakelen tijdens een echte uitval

Een omschakeling die je nog nooit gedaan hebt, doe je niet met een zaklamp tussen je tanden. Oefen de hele volgorde bij daglicht, inclusief het terugschakelen naar net, zodat je weet welke groepen je uit moet zetten en hoe de installatie reageert.

Veelgestelde vragen

Mag ik zelf een aggregaat aansluiten op de meterkast?

Het schakelwerk in de meterkast zelf niet. Het aftakken van de hoofdleiding en het plaatsen van een omschakelaar gebeurt achter de hoofdzekering, en dat deel van de installatie is werk voor een erkend installateur. Wat je wel zelf mag doen is alles eromheen voorbereiden: de inletkast in de gevel plaatsen, de leiding naar de meterkast trekken en beugelen, de doorvoer maken en het aggregaat opstellen. Hoe de rest van de kast is opgebouwd, staat bij de opbouw van de meterkast.

Hoeveel kW aggregaat heb ik nodig om een huis te voeden?

Dat hangt af van wat je wilt laten draaien, niet van de grootte van het huis. Voor cv, koelkast, vriezer, verlichting en internet kom je meestal uit rond de 2 tot 3 kilowatt continu, met ruimte erboven voor de startpiek van de zwaarste motor. Wil je ook een dompelpomp kunnen draaien, dan is die pomp maatgevend. Reken met het continue vermogen in kilowatt, en houd er rekening mee dat een aggregaat van 3 kVA bij een arbeidsfactor van 0,8 ongeveer 2,4 kilowatt levert.

Wat is een omschakelaar en heb ik die echt nodig?

Een omschakelaar is een schakelaar met drie standen: net, uit en aggregaat, waarbij de constructie het onmogelijk maakt om beide bronnen tegelijk in te schakelen. Die tussenliggende nulstand is het hele punt. Zonder zo'n schakelaar kan spanning van het aggregaat via de hoofdleiding het net op lopen, en dat is levensgevaarlijk voor iedereen die aan dat net werkt. Er is geen veilig alternatief: een hoofdschakelaar of een afspraak binnen het gezin is geen scheiding.

Kan ik het aggregaat op een stopcontact aansluiten om het huis te voeden?

Nee. Daarvoor is een kabel nodig met aan beide kanten een mannelijke stekker, en die is verboden omdat de pennen aan de losse kant onder spanning staan zodra de andere kant is ingeplugd. Bovendien loopt de spanning gewoon door naar de hoofdleiding en dus het net op. Een stopcontact is gemaakt om stroom af te nemen en niet om in te voeden, en de bedrading van zo'n groep is er ook niet op berekend. Hoe zo'n groep is opgebouwd zie je bij het aansluiten van een stopcontact.

Werkt mijn cv-ketel op een aggregaat?

Meestal wel, maar er zijn drie voorwaarden. De golfvorm moet schoon genoeg zijn, en daar is een inverteraggregaat betrouwbaarder in dan een klassiek model met een spanningsregelaar. De fase moet op de faseklem zitten en de nul op de nulklem, want de vlambeveiliging meet via die richting. En het aggregaat moet een nulpunt hebben dat aan aarde ligt, anders komt de ionisatiemeting niet op gang en gaat de ketel binnen een minuut in storing.

Werkt de aardlekschakelaar als het aggregaat draait?

Alleen als het aggregaat een verbinding heeft tussen nul en aarde. Een aardlekschakelaar vergelijkt de stroom in de fase met die in de nul en schakelt uit bij een verschil. Bij een zwevend net kan een verliesstroom nergens naartoe, dus ontstaat dat verschil niet en blijft de schakelaar gewoon staan. Controleer na het omschakelen met de testknop of hij reageert, en behandel een aardlek die niets doet als een aardlek die er niet is. Meer over verliesstromen staat bij het opsporen van lekstroom.

Moet ik een aardpen slaan als ik een aggregaat gebruik?

Voedt het aggregaat de vaste installatie, dan gebruik je de bestaande aardvoorziening van de woning en hoef je niets extra's te doen. Heeft de woning geen bruikbare aardelektrode, bijvoorbeeld omdat de waterleiding in kunststof is vervangen, dan moet die er alsnog komen voordat noodstroom veilig is. Hoe je dat aanpakt en hoe diep zo'n pen moet, lees je bij het slaan van een aardpen. Voor een aggregaat dat losstaand met verlengsnoeren wordt gebruikt, schrijft de fabrikant in de handleiding voor wat er nodig is.

Welke kabel gebruik ik tussen het aggregaat en het huis?

Rubberkabel van het type H07RN-F, want die blijft soepel in de kou, kan tegen uv en is bedoeld voor verplaatsbaar gebruik. Een grijze installatiekabel is hier niet geschikt. Voor 16 ampère over maximaal twintig meter volstaat 3G2,5, daarboven ga je naar 4 mm² en vanaf ongeveer veertig meter naar 6 mm². Rol de kabel altijd volledig af. Welk kabeltype waar hoort, kun je nakijken met de draad- en kabelkiezer.

Kan ik een driefasige installatie voeden met een enkelfasig aggregaat?

Niet zonder aanpassing. Een enkelfasig aggregaat levert één fase, dus of je voedt alleen de groepen die achter die ene fase hangen, of de installateur koppelt in de omschakelkast de fasen door zodat alle groepen op dezelfde bron liggen. Dat laatste kan alleen als er niets aan hangt dat 400 volt tussen de fasen verwacht, zoals een perilexaansluiting of een driefasige kookplaat. Het verschil tussen de aansluitvormen staat bij de tweefasige aansluiting.

Moet ik een noodstroomaggregaat melden bij de netbeheerder?

Voor een aggregaat dat via een omschakelaar werkt en dus nooit parallel aan het net kan lopen, is melden in de regel niet nodig. Zodra een opwekker wel gelijktijdig met het net kan leveren, verandert dat en geldt er wel een meldplicht. Omdat de voorwaarden per netbeheerder verschillen, is één telefoontje of een blik op de site van jouw netbeheerder de zekerste route. Je installateur weet meestal precies wat er in jouw regio gevraagd wordt.

Hoe lang kan een aggregaat achter elkaar draaien?

Dat wordt begrensd door de tank en door het onderhoud, niet door het uithoudingsvermogen van de motor. Kleine aggregaten draaien op één tank vaak zes tot twaalf uur bij halve belasting, korter als je ze volbelast. Plan het tanken in en laat de motor eerst afkoelen. Bij een uitval van meerdere dagen komt daar het olieniveau bij: controleer dat dagelijks, want een aggregaat met een kleine carterinhoud verbruikt merkbaar olie.

Kan ik mijn zonnepanelen gebruiken als de stroom uitvalt?

Niet met een gewone omvormer. Die schakelt bij netuitval bewust af, precies om terugvoeding op een spanningsloos net te voorkomen. Zet je hem tijdens noodstroom toch aan, dan gaat hij vermogen in het aggregaat duwen dat daar niets mee kan, waarna spanning en frequentie oplopen en de omvormer weer afvalt. Schakel de groep van de omvormer daarom uit voordat je omschakelt. Wil je zon bij uitval echt benutten, dan heb je een omvormer met noodstroomuitgang en een accu nodig.

Wanneer je beter een vakman belt

Voor dit onderwerp ligt de grens scherper dan bij de meeste klussen, en hij ligt bij de meterkast. Alles achter de hoofdzekering, dus het aftakken van de hoofdleiding, het plaatsen van de omschakelaar en het herindelen van groepen naar een noodstroomdeel, hoort bij een erkend installateur. De kabel vóór de hoofdzekering blijft onder spanning staan ook als jij de hoofdschakelaar omzet, en dat is niet iets waar je met een schroevendraaier achter komt.

Een tweede moment om te bellen is de nul-aardeverbinding van het aggregaat. Of die in jouw model intern al aanwezig is, en of je hem mag aanbrengen, verschilt per fabrikant. Twee bruggen tegelijk maakt de beveiliging onbetrouwbaar en geen enkele brug maakt de aardlekschakelaar blind. Weet je niet zeker welke situatie je hebt, laat het dan meten in plaats van het aan te nemen.

Blijft de aardlekschakelaar op noodstroom niet reageren op een echte verliesstroom, dan stopt het zelf uitzoeken daar. Gebruik het aggregaat tot die tijd alleen met losse verlengsnoeren rechtstreeks op het apparaat, en laat de installatie los van het net. Dat is minder comfortabel, maar het is de enige veilige tussenoplossing.

Bij een driefasige aansluiting, bij een woning met een laadpaal of een thuisbatterij, en bij een installatie waar noodstroom vast en automatisch moet werken, is het ontwerp zelf al werk voor een installateur. Laat hem dan meteen de omschakelinstructie voor in de meterkast opstellen, zodat iedereen in huis weet wat er moet gebeuren.

Verder lezen over dit onderwerp

diy-gids.nl ELEKTRA Lekstroom
Elektra

Lekstroom