Schakelaar aansluiten met 2 draden: welke draad waar hoort
Een gewone lichtschakelaar heeft maar twee draden nodig: de bruine fase komt binnen en de zwarte schakeldraad gaat vanaf de tweede klem naar de lamp. Komen er drie draden uit de muur, dan is de blauwe bijna altijd de nul, en die heeft op een enkelpolige schakelaar niets te zoeken. Dop hem af in een lasklem. Zet je blauw en bruin samen op de schakelaar, dan sluit je fase en nul kort zodra je de tuimelaar indrukt.
Dit heb je nodig
Gereedschap
- Spanningzoeker met twee polen, geen schroevendraaier met lampje
- Striptang of kabelstripper voor 1,5 mm2
- Kleine platte VDE-schroevendraaier van 2,5 mm voor de ontgrendelnokjes
- Kruiskopschroevendraaier PZ1 voor de spreidklauwen
- Zijkniptang
- Multimeter of doorbelfunctie om draden uit te zoeken
- Zaklamp of hoofdlamp, want de groep gaat eraf
Materiaal
- Lasklemmen met hefboom, bijvoorbeeld Wago 221
- Afdopklem of losse lasklem voor de ongebruikte nul
- Stukje bruine draad van 1,5 mm2 voor de doorverbinding in een dubbele schakelaar
- Nieuwe inbouwdoos als de oude los in de muur zit
- Isolatietape of aderhulzen bij oude, verkleurde bedrading
Waarom een schakelaar maar twee draden nodig heeft
Een lichtschakelaar is niet meer dan een onderbreking in de fase. De stroom loopt vanuit de groep via de bruine draad naar de schakelaar, en gaat er via de zwarte schakeldraad weer uit richting de lamp. De nul loopt buiten de schakelaar om rechtstreeks naar het armatuur.
Daarom heb je bij een gewone aan-uitschakelaar precies twee draden nodig. Alles wat je verder in de doos aantreft, hoort ergens anders bij. Welke schakelingen er allemaal bestaan en wanneer je welke gebruikt, staat in ons overzicht over schakelaars en schakelingen in huis.
De regel waar je niet vanaf wijkt: een schakelaar onderbreekt de fase, nooit de nul. Schakel je per ongeluk de blauwe draad, dan gaat het licht netjes uit maar staat de fitting nog onder spanning. Wie later een lampje vervangt met de schakelaar uit, pakt dan alsnog 230 volt.
Op de schakelaar zelf zijn de twee klemmen van een enkelpolige schakelaar elektrisch gelijkwaardig. Het maakt dus niet uit welke van de twee de inkomende bruine krijgt, zolang het maar de fase is die door de schakelaar loopt. Bij wisselschakelaars en bij schakelaars met een controlelampje ligt dat anders, en daar is de klem met de P wel bepalend.
| Draadkleur | Functie in de installatie | Hoort die op de schakelaar? |
|---|---|---|
| Bruin | Fase vanuit de groep in de meterkast | Ja, dit is de inkomende draad, bij voorkeur op de P-klem |
| Zwart | Schakeldraad van de schakelaar naar de lamp | Ja, op de tweede klem |
| Blauw | Nul, loopt rechtstreeks door naar het armatuur | Nee, bij een gewone schakelaar afdoppen in een lasklem |
| Grijs | Tweede schakeldraad in vijfaderige kabel of correspondentiedraad | Ja, bij een wisselschakeling of een dubbele schakelaar |
| Geelgroen | Aarde | Nooit, ook niet als er een draad tekortkomt |
| Rood, wit of zwart in oude installaties | Kleuren van voor de huidige afspraken, functie ligt niet vast | Alleen na meten, ga hier nooit af op de kleur |
Zet de groep uit in de meterkast en controleer met een tweepolige spanningzoeker. Een schroevendraaier met een lampje erin geeft ook een lichtje bij een influentiespanning op een losse draad, en dat leidt precies andersom tot verkeerde conclusies. Meet tussen bruin en blauw, en daarna tussen bruin en aarde.
Een schakelaar aansluiten met 2 draden
De eenvoudigste situatie is ook de meest voorkomende: er komen twee draden naar de schakelaar toe, een bruine en een zwarte. De bruine is de fase die uit de lasdoos of vanuit het lichtpunt komt, de zwarte is de retour naar de lamp.
Strip beide draden ongeveer tien millimeter en steek ze recht in de klemmen. Bij steekklemmen voel je een klik als de ader ver genoeg zit. Trek daarna licht aan elke draad om te controleren dat hij vastzit, want een ader die maar half in de klem staat wordt warm en gaat op termijn vonken.
Zit er koperdraad in dat al een paar keer is hergebruikt, knip dan het laatste stukje eraf en strip opnieuw. Koper dat vaak gebogen is geweest breekt af in de klem, en dat merk je pas als het licht een half jaar later begint te knipperen. De volledige gang van zaken bij een enkele schakelaar staat in onze uitleg over het aansluiten van een lichtschakelaar.
Aan de kant van het armatuur komen dan de blauwe nul en de zwarte schakeldraad samen. Hoe je die twee op een fitting of op een moderne ledlamp krijgt, lees je bij een lamp aansluiten met twee draden. De aarde gaat door naar de aardklem van het armatuur als die er is.
Maak een foto van de oude schakelaar voordat je hem lostrekt, met de draden er nog in. Dat kost drie seconden en scheelt je een half uur meten als de nieuwe schakelaar een andere klemindeling blijkt te hebben.
Er komen drie draden uit de muur
Een schakelaar aansluiten met 3 draden roept meer vragen op, want de derde draad zegt op zichzelf niets. Hij kan een nul zijn, een tweede schakeldraad of een correspondentiedraad van een wisselschakeling. Wat je met de derde draad doet, hangt volledig af van wat er verderop in de installatie zit.
Zie je bruin, blauw en zwart en zat er een gewone aan-uitschakelaar in, dan is de blauwe de nul die vroeger meeliep in dezelfde kabel. Die heeft de schakelaar niet nodig. Dop hem af in een losse lasklem en duw hem netjes achterin de doos.
Wat je in dat geval niet doet, is blauw en bruin op dezelfde kant van de schakelaar zetten. Zodra de contactbrug sluit, verbind je fase en nul direct met elkaar en slaat de groep eruit. Dat is meteen het meest gemaakte foutje bij een schakelaar met 3 draden, en het kost hooguit een automaat die opnieuw omhoog moet.
Zit er in plaats van blauw een tweede zwarte of een grijze draad, dan kijk je naar een wisselschakeling of naar een dubbele schakelaar. Meet dan eerst uit welke draad de fase voert voordat je iets vastzet.
| Wat je aantreft | Wat het waarschijnlijk is | Wat je met de derde draad doet |
|---|---|---|
| Bruin, blauw, zwart bij een enkele schakelaar | Standaardkabel waarin de nul meeloopt | Blauw afdoppen in een lasklem, niet op de schakelaar |
| Bruin, blauw, zwart bij een combinatie met stopcontact | De nul is nodig voor het stopcontact | Blauw op de nulklem van het stopcontactdeel |
| Bruin, zwart, grijs | Wisselschakeling of dubbele schakelaar | Meten welke fase voert, de andere twee zijn schakeldraden |
| Bruin, blauw, zwart bij een slimme of zelflerende schakelaar | De module heeft een nul nodig om te kunnen werken | Blauw op de klem met N, dan is de kabel juist wel compleet |
| Bruin, zwart, geelgroen | Aarde die als schakeldraad is misbruikt of los ligt | Aarde doorverbinden naar de lamp, nooit schakelen |
| Twee draden plus een aarde die nergens op zit | Oudere aanleg zonder aarding in het lichtpunt | Aarde doorlussen naar het armatuur zodra dat kan |
Aan de achterkant zien welk type schakelaar je hebt
Voordat je de draden naar de schakelaar verdeelt, draai je de nieuwe schakelaar om en tel je de klemmen. Het aantal aansluitingen en de markeringen erop vertellen precies wat de schakelaar kan.
De letter P staat voor pool en markeert de klem waar de fase binnenkomt. Bij sommige merken is het lipje anders van kleur of staat er een L. Die markering is geen decoratie: bij een wisselschakelaar bepaalt hij welke twee contacten wisselen ten opzichte van welk vast punt.
Vind je zes klemmen met twee keer een P, dan houd je twee volledige schakelaars in één sokkel vast. Die worden vaak als dubbele schakelaar verkocht, terwijl een echte serieschakelaar met één ingang en twee uitgangen maar drie klemmen heeft. Het verschil bepaalt of je één bruine draad kwijt kunt of dat je er zelf een doorverbinding bij moet maken.
Bij een dimmer of een schakelaar met een controlelampje verandert het verhaal opnieuw, want die hebben vaak een nul nodig om zichzelf te voeden. Wat dat betekent voor de bedrading lees je bij het aansluiten van een dimmer.
| Aantal klemmen | Type schakelaar | Draden die erin horen |
|---|---|---|
| 2 klemmen | Enkelpolige aan-uitschakelaar | Bruine fase in, zwarte schakeldraad uit |
| 3 klemmen, één met P | Wisselschakelaar of serieschakelaar | Fase of retour op de P, twee schakeldraden op de rest |
| 4 klemmen, geen P | Kruisschakelaar, altijd tussen twee wisselschakelaars | Twee paar correspondentiedraden |
| 6 klemmen, twee met P | Dubbele schakelaar, twee losse schakelaars in één sokkel | Eén fase op beide P-klemmen, twee schakeldraden eruit |
| Klemmen met L en N | Schakelaar met elektronica, dimmer of slimme module | Fase, nul en schakeldraad, dus drie draden |
| 3 klemmen met standaanduiding | Standenschakelaar voor bijvoorbeeld een ventilator | Fase in, per stand een eigen uitgaande draad |
Twee lampen los schakelen met een dubbele schakelaar
Wil je vanaf één punt twee lampen apart aan en uit kunnen zetten, dan heb je een dubbele schakelaar of een serieschakelaar nodig. Het principe is simpel: één keer fase erin, twee keer een schakeldraad eruit.
Heb je het model met zes klemmen en twee P-contacten, dan zijn de twee helften intern niet altijd verbonden. Meet dat na met de doorbelfunctie van je multimeter: houd de meetpennen op de twee P-klemmen en luister of hij piept. Piept hij niet, dan leg je zelf een kort stukje bruine draad van 1,5 mm2 tussen beide P-klemmen.
Sommige series leveren daar een kunststof doorverbindingsstrip of een kammetje bij. Dat werkt netter dan een zelfgemaakt lusje en past precies in de klemafstand van dat merk. Ligt zo'n strip niet in het doosje, dan is een gestript stukje installatiedraad prima.
Vanaf de twee overige klemmen lopen twee zwarte schakeldraden naar de twee armaturen. Ontbreekt die tweede zwarte draad in de muur, dan moet er een kabel bij, en dat is meteen het echte werk van deze klus. Welke kabel je daarvoor kiest, bepaal je met de draad- en kabelkiezer voor installatiekabel.
De nullen en aardes in de lasdoos
Bij twee lampen komen in de lasdoos drie blauwe draden samen: de nul vanaf de groep en de twee nullen naar de armaturen. Die gaan met elkaar in één lasklem. Precies hetzelfde doe je met de drie geelgroene aardedraden.
Gebruik daarvoor lasklemmen met een hefboom in plaats van een kroonsteentje. Ze houden soepele en massieve draad allebei vast en je kunt er zonder gereedschap weer een ader uit halen. Vanaf de derde ader in één punt werken wij liever met deze klemmen dan met een wartel of een gedraaide verbinding, omdat je de verbinding dan kunt controleren zonder alles los te schroeven.
Label de twee zwarte schakeldraden met een stukje tape en een letter zodra je ze uit de doos trekt. Zonder label sta je straks in de garage te gokken welke draad naar de tl-bak gaat en welke naar de peertje in het midden.
Drie draden bij een wisselschakeling
Kun je een lamp op twee plekken bedienen, bijvoorbeeld onderaan en bovenaan de trap, dan zitten er wisselschakelaars in. Die hebben allebei drie klemmen en dat verklaart waarom je bij zo'n schakelaar 3 draden aantreft zonder dat er een nul bij zit.
De opbouw is als volgt. De fase gaat naar de P-klem van de eerste schakelaar. De P-klem van de tweede schakelaar gaat via een schakeldraad naar de lamp. De twee overgebleven klemmen van beide schakelaars worden onderling verbonden met twee correspondentiedraden.
De nul loopt hier buitenom rechtstreeks naar het armatuur, net als bij een enkele schakelaar. Alle details van deze schakeling, inclusief de variant met een derde bedienpunt, staan bij het aansluiten van een wisselschakelaar en bij de hotelschakeling met meerdere bedienpunten.
Vervang je alleen één versleten wisselschakelaar, meet dan eerst welke van de drie draden de fase voert. Zet de groep aan, meet met de tweepolige spanningzoeker tussen elke draad en de aarde, en markeer de draad die spanning geeft. Groep er weer af, en die gemarkeerde draad gaat op de P.
Meet met spanning erop alleen als de draden gefixeerd zijn en je met één hand werkt. Kun je de draden niet stil krijgen, meet dan met de groep uit en gebruik in plaats daarvan de doorbelfunctie vanaf de lasdoos om de aders uit te zoeken.
Een snoerschakelaar aansluiten met 3 draden
Bij een staande lamp of een hanglamp zit vaak een snoerschakelaar in het snoer. Hier gelden andere regels dan bij een wandschakelaar, want dit snoer voert alle drie de aders naar het armatuur toe.
De schakelaar onderbreekt uitsluitend de bruine ader. De blauwe nul en de geelgroene aarde lopen door de behuizing heen door en worden niet geschakeld. In veel snoerschakelaars zit daarvoor een doorvoerkanaal of een aparte doorverbindingsklem.
Snijd bij het aansluiten van een snoerschakelaar met 3 draden alleen de bruine ader door en laat de andere twee heel. Strip de bruine uiteinden zeven millimeter en klem ze in de twee contacten van het schakelmechaniek. Knip nooit de aarde door om ruimte te maken, want daarmee vervalt de beveiliging van een metalen armatuur.
Let op de trekontlasting. Het snoer moet aan beide kanten geklemd zitten zodat er nooit trek op de contacten komt. Schroef je de twee helften dicht en voel je dat het snoer nog schuift, draai dan de klembeugel verder aan of leg er een lus in. Meer over de aansluiting aan het armatuur zelf lees je bij het aansluiten van een lamp.
Uitzoeken welke draad wat doet
In een oud huis kloppen de kleuren lang niet altijd. Er lopen rode, witte en zwarte aders door elkaar, en soms is een geelgroene draad ooit als schakeldraad gebruikt. Op kleur afgaan is dan raden, dus je meet.
De snelste methode werkt met de groep uit. Verbind in de lasdoos of bij het lichtpunt één ader tijdelijk met de aarde en zoek bij de schakelaar met de doorbelfunctie welke draad daarop reageert. Zo loop je de aders één voor één af en weet je binnen tien minuten wat waar uitkomt.
Wil je liever met spanning meten, doe dat dan met een tweepolige spanningzoeker en niet met een fasetester in een schroevendraaier. Die laatste geeft ook licht op een draad die alleen maar naast een fase ligt, en dan wijs je de verkeerde ader aan als fase.
Schrijf op wat je vindt en plak een stukje tape met een letter op elke ader. Neem die aantekening ook mee naar de lasdoos, want de verdeling tussen lamp en schakelaar maak je daar. Hangt de schakelaar op een rare hoogte en zet je hem toch los, kijk dan in onze tabel met standaardhoogtes voor schakelmateriaal voordat je nieuwe gaten boort.
Aarde is geen reservedraad
Er is één afwijking die we vaker tegenkomen dan ons lief is: een geelgroene ader die als schakeldraad dienstdoet omdat de installateur een draad tekortkwam. Het licht werkt dan gewoon, en juist daarom blijft het jarenlang zitten.
De geelgroene ader is voorbehouden aan aarde, in de hele installatie en zonder uitzondering. Zit er spanning op, dan staat de aardklem van elk armatuur in die kring onder spanning zodra de schakelaar aan is. Een monteur die later aan de installatie werkt gaat er terecht van uit dat geelgroen veilig is.
Kom je dit tegen, herstel het dan meteen. Trek een nieuwe kabel met voldoende aders, of gebruik in het uiterste geval een bestaande ader die je aan beide kanten overmarkeert met een stukje gekleurde krimpkous of tape. Laat de geelgroene draad dan aan beide kanten los en zet hem in een lasklem tot er wel een aarde op kan.
Datzelfde principe geldt bij het aansluiten van een stopcontact, waar de aarde het randcontact voedt. Voegt de nieuwe verlichting merkbaar vermogen toe aan een al zwaarbelaste groep, reken dan met de groepencalculator na hoeveel vermogen er op de groep staat.
Merk je dat het licht pas sinds je ingreep de aardlek eruit gooit, dan is een verwisselde nul en schakeldraad de eerste verdachte. Wat je verder kunt nalopen staat bij een aardlekschakelaar die eruit blijft slaan.
Slaat de aardlekschakelaar af zodra je het licht aanzet, stop dan met proberen. Dat wijst op een lek naar aarde, en verder zoeken met de groep erop maakt de kans op een schok alleen groter. Zet de groep uit en meet eerst na of fase, nul en aarde overal doen waar ze voor bedoeld zijn.
Zo sluit je de schakelaar aan
Deze volgorde werkt voor een enkele schakelaar met twee draden en met kleine aanpassingen ook voor een dubbele schakelaar.
-
Zet de juiste groep uit en controleer dat
Schakel de automaat van de verlichtingsgroep uit en probeer het licht. Meet daarna bij de schakelaar met een tweepolige spanningzoeker tussen de aders onderling en tussen elke ader en de aarde. Pas als de meter nergens spanning aangeeft, ga je aan de draden zitten.
-
Haal de oude schakelaar eruit en fotografeer de bedrading
Wip het afdekplaatje los, draai het binnenwerk uit de doos en trek hem naar voren zonder aan de draden te rukken. Maak een foto met de draden er nog in. Draai daarna de aders los en noteer welke kleur op welke klem zat.
-
Zoek uit welke draad de fase voert
Bij bruin, blauw en zwart is de bruine vrijwel altijd de fase. Kloppen de kleuren niet, dan bel je de aders door vanaf de lasdoos of meet je kort met spanning erop terwijl de draden vastzitten. Markeer de fase met een stukje tape.
-
Dop af wat de schakelaar niet nodig heeft
Een enkelpolige schakelaar gebruikt de nul niet. Zet de blauwe ader in een losse lasklem of een afdopklem en duw hem achterin de doos. Zo kan hij nooit per ongeluk een klem raken, en hij blijft beschikbaar voor een latere schakelaar die wel een nul nodig heeft.
-
Strip de aders en zet ze op de klemmen
Strip tien millimeter, knip verbogen koperuiteinden eerst af. De fase komt op de klem met de P, de schakeldraad naar de lamp op de andere klem. Bij een dubbele schakelaar leg je eerst het doorverbindinkje tussen de twee P-klemmen en dan pas de twee schakeldraden.
-
Trek elke ader na en duw het geheel terug
Geef elke draad een lichte ruk. Zit alles vast, vouw de aders dan als een harmonica achter het binnenwerk in plaats van ze plat te duwen. Draai het binnenwerk waterpas vast in de doos en zet daarna pas het afdekraam en de tuimelaar erop.
-
Groep erop en beide standen testen
Zet de automaat aan en schakel een paar keer heen en weer. Bij een dubbele schakelaar controleer je of elke helft de juiste lamp bedient. Slaat de groep meteen af, dan zitten fase en nul samen op de schakelaar en haal je de blauwe ader eraf.
Maatvoering
De gangbare hoogtes en maten voor sanitair, elektra, keuken en trap, met de marge die in de praktijk werkt. Bekijk alle gegevens
| Ruimte of vakgebied | Onderdeel | Gangbare maat | Marge die in de praktijk werkt | Waar je op moet letten |
|---|---|---|---|---|
| Sanitair | Wastafel, bovenkant | 85 cm boven de vloer | 80 tot 90 cm | Meet vanaf de afgewerkte vloer. Bij een opzetkom reken je vanaf de bovenkant van de kom, dus zakt het meubel naar ongeveer 70 cm. |
| Sanitair | Wastafelkraan, uitloop | 25 tot 30 cm boven de wastafelrand | wat past bij de kom | Te hoog geeft spatten, te laag krijg je je handen er niet onder. |
| Sanitair | Fonteintje in het toilet | 80 tot 85 cm | 75 tot 90 cm | Vaak iets lager dan een wastafel omdat de ruimte krap is. |
| Sanitair | Toiletpot, bovenkant zitting | 40 tot 43 cm | 38 tot 48 cm | Een verhoogd toilet zit op 46 tot 48 cm en zit voor veel mensen prettiger. |
| Sanitair | Hangend toilet, onderkant pot | 40 cm boven de vloer | 38 tot 45 cm | De hoogte bepaal je bij het stellen van het inbouwreservoir, daarna ligt hij vast. |
| Sanitair | Toiletrolhouder | 70 cm hoog, 25 cm voor de pot | 60 tot 80 cm | Te ver naar achteren betekent draaien terwijl je zit. |
| Sanitair | Douchekraan, thermostaat | 100 tot 110 cm | 95 tot 120 cm | Je wilt hem kunnen bedienen zonder in de straal te staan. |
| Sanitair | Doucheglijstang, bovenkant | 180 tot 200 cm | afhankelijk van de lengste gebruiker | Reken op minstens 20 cm boven de kruin. |
| Sanitair | Regendouche, onderkant kop | 205 tot 215 cm | 200 tot 220 cm | Onder de 200 cm stoot een lange gebruiker zijn hoofd. |
| Sanitair | Handdoekradiator, onderkant | 20 tot 30 cm boven de vloer | 15 tot 40 cm | Laag genoeg voor luchtcirculatie, hoog genoeg om onder te dweilen. |
| Sanitair | Afvoer wastafel, muurdoorvoer | 50 tot 55 cm | 45 tot 60 cm | Onder de sifon door, en houd rekening met de kastindeling. |
| Elektra | Stopcontact in een woonruimte | 30 cm hart boven de vloer | 25 tot 40 cm | Bij nieuwbouw vaak 30 cm, bij renovatie kom je van alles tegen. |
| Elektra | Stopcontact boven een aanrechtblad | 115 tot 125 cm | 10 tot 20 cm boven het blad | Uit de spatzone van de kraan blijven. |
| Elektra | Lichtschakelaar | 105 cm hart boven de vloer | 90 tot 120 cm | Gelijk houden met de deurklink geeft een rustig beeld. |
| Elektra | Deurklink | 100 cm hart boven de vloer | 95 tot 105 cm | Ook de referentiehoogte waar schakelaars zich naar voegen. |
| Elektra | Meterkast, groepenkast | 150 tot 180 cm | bereikbaar zonder trapje | De hoofdschakelaar moet zonder klimmen te bedienen zijn. |
| Elektra | Wandcontactdoos buiten | minimaal 30 cm boven maaiveld | hoger bij kans op opspattend water | Spatwaterdicht uitvoeren en op een aardlekschakelaar aansluiten. |
| Elektra | Bedrade deurbel, drukknop | 110 tot 130 cm | 100 tot 140 cm | Ook bereikbaar voor kinderen en vanuit een rolstoel. |
| Elektra | Wandlamp naast een spiegel | 160 tot 170 cm | op ooghoogte van de gebruiker | Licht van opzij geeft minder schaduw dan licht van boven. |
| Elektra | Televisieaansluiting | 40 cm of op de hoogte van het scherm | afhankelijk van de opstelling | Bij een hangend scherm wil je de doos achter het scherm. |
| Keuken | Werkblad, bovenkant | 90 tot 95 cm | 85 tot 100 cm | Vuistregel: elleboog min 10 tot 15 cm. Lange mensen willen echt hoger. |
| Keuken | Bovenkasten, onderkant | 50 tot 60 cm boven het blad | 45 tot 65 cm | Te laag en je kunt niet met een pan onder de kast werken. |
| Keuken | Afzuigkap boven een elektrische kookplaat | 60 cm | 55 tot 70 cm | Onder de 55 cm wordt de kap te warm en vet hij snel dicht. |
| Keuken | Afzuigkap boven een gaspit | 65 cm | 65 tot 75 cm | Bij gas altijd hoger dan bij inductie in verband met de vlam. |
| Keuken | Plint onder de keukenkasten | 10 tot 15 cm | standaard 15 cm | Terugliggend zodat je met je tenen bij het blad kunt staan. |
| Keuken | Inbouwoven op ooghoogte | onderkant op 85 tot 90 cm | naar de gebruiker | Scheelt bukken met een hete plaat in je handen. |
| Trap | Trapleuning | 90 cm boven de voorkant van de trede | 85 tot 100 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede, niet vanaf de vloer. |
| Trap | Leuning langs een bordes | 100 cm | 90 tot 110 cm | Bij een bordes gelden strengere eisen dan langs de schuine trap. |
| Trap | Optrede, hoogte per trede | 18 tot 20 cm | maximaal 21 cm binnen een woning | Alle treden even hoog, ook de eerste en de laatste. |
| Trap | Aantrede, diepte van de trede | 22 tot 24 cm | minimaal 22 cm | Vuistregel: 2 keer de optrede plus de aantrede is 60 tot 64 cm. |
| Trap | Vrije doorloophoogte boven de trap | 230 cm | minimaal 210 cm | Meet loodrecht vanaf de neus van de trede naar het plafond. |
| Trap | Spijlafstand van een balustrade | maximaal 10 cm | kleiner bij kinderen | Zo kan een kinderhoofdje er niet tussen. |
| Deuren | Binnendeur, standaardmaat | 83 bij 201,5 cm | 78 tot 93 cm breed | De dagmaat van het kozijn is groter dan het deurblad. |
| Deuren | Voordeur, standaardmaat | 88 bij 201,5 cm | 83 tot 100 cm breed | Breder is prettig bij verhuizen en bij een rollator. |
| Deuren | Speling onder een binnendeur | 1 tot 1,5 cm | 2 cm bij mechanische ventilatie | De kier is de luchttoevoer naar de afzuiging, dus dicht hem niet. |
| Deuren | Speling rondom in het kozijn | 3 mm | 2 tot 4 mm | Te weinig speling en de deur klemt zodra het hout werkt. |
| Deuren | Scharnieren, afstand tot de hoek | 20 cm van boven en onder | 15 tot 25 cm | Bij een zware deur een derde scharnier in het midden. |
| Ventilatie | Ventilatierooster in een raam | boven in het kozijn | op de bovenregel | Warme lucht komt boven binnen en zakt langs het glas, dat tocht minder. |
| Ventilatie | Afzuigpunt in een badkamer | hoog in de ruimte | 20 tot 30 cm onder het plafond | Vocht stijgt, dus laag afzuigen werkt niet. |
| Ventilatie | Muurrooster kruipruimte | net boven het maaiveld | minimaal 15 cm | Anders slaat regenwater naar binnen en loopt het rooster dicht. |
| Ventilatie | Dakdoorvoer, afstand tot de nok | minimaal 50 cm | afhankelijk van het type | Te dicht bij de nok geeft terugslag bij wind. |
Niets gevonden. Probeer een kortere zoekterm.
Nalopen voordat je het afdekraam erop zet
Uit de praktijk
Een garagelamp die een tl-bak erbij kreeg
In een garage zat één lamp aan een gewone schakelaar, en daar moest een tl-bak bij die apart te bedienen was. De bestaande kabel bevatte bruin, blauw en geelgroen, dus er was helemaal geen zwarte schakeldraad. De aanwezige aders leken genoeg, maar dat waren ze niet.
De opzet die het werd: vanuit de lasdoos gaan de blauwe nullen in één lasklem samen met twee nieuwe blauwe draden naar de twee armaturen, en dat herhaal je met de geelgroene aardes. De bruine gaat als enige naar de schakelaar. Vanaf de schakelaar lopen twee zwarte schakeldraden terug, elk naar een eigen armatuur.
De schakelaar had zes klemmen met twee P-contacten, dus de twee helften moesten onderling gevoed worden met een kort bruin draadje tussen beide P-klemmen. Er zijn ook uitvoeringen waarbij die brug al in de sokkel zit; dat scheelt een draadje maar het is per serie verschillend. Meten met de doorbelfunctie gaf in twee tellen uitsluitsel.
Drie draden in een huurhuis die kortsluiting maakten
Bij het terugplaatsen van een schakelaar in een huurwoning kwamen er drie draden uit de muur: bruin, blauw en zwart. De schakelaar had twee klemmen aan de ene kant en één aan de andere. Bruin en blauw werden samen aan één kant gezet en zwart aan de andere, en de groep vloog er meteen uit.
De verklaring is eenvoudig. De twee klemmen aan één kant zijn intern doorverbonden, dus bruin en blauw stonden al aan elkaar en de schakelaar hoefde niets meer te doen om fase en nul te koppelen. De nul had daar helemaal niet moeten zitten.
De oplossing was de blauwe ader af te doppen in een losse lasklem en alleen bruin en zwart tegenover elkaar te zetten. Het licht deed het daarna gewoon. Waar de blauwe ooit voor gediend heeft blijft gissen; meestal is dat een oude combinatie van een schakelaar met een stopcontact, of een zelflerende schakelaar die wel een nul nodig had.
Een geelgroene ader die de lamp aanstuurde
In een slaapkamer bleef de aardlekschakelaar afslaan zodra het plafondlicht aanging. Bij de schakelaar zaten netjes twee draden op de klemmen, dus daar leek niets mis. In de lasdoos werd duidelijk wat er speelde: de geelgroene ader liep als schakeldraad naar het armatuur.
Zolang er niets anders geaard was, viel dat niemand op. Toen er later een metalen armatuur kwam met een aardklem, stond die aardklem bij ingeschakelde lamp onder spanning en zag de aardlekschakelaar de lekstroom.
Herstellen kon hier zonder hakken, want er lag nog een ongebruikte ader in dezelfde buis. Die kreeg aan beide uiteinden een stukje zwarte krimpkous als markering en nam de rol van schakeldraad over. De geelgroene ader ging terug naar zijn eigen taak en werd op de aardklem van het armatuur gezet.
Veelgemaakte fouten
De nul meenemen op de schakelaar
Blauw en bruin samen op een schakelaar zetten geeft direct kortsluiting zodra het contact sluit, of zelfs meteen als de twee klemmen intern doorverbonden zijn. De nul hoort buiten de schakelaar om naar de lamp te lopen. Dop hem af in plaats van hem een plekje te geven.
De nul schakelen in plaats van de fase
Het licht gaat uit en alles lijkt in orde, maar de fitting blijft onder spanning staan. Wie later met de schakelaar uit een lamp vervangt, raakt alsnog 230 volt aan. Meet daarom welke ader de fase voert en laat die door de schakelaar lopen.
De geelgroene ader als schakeldraad gebruiken
Het werkt, en dat is precies het probleem. Elk armatuur in die kring krijgt spanning op de aardklem zodra het licht aan is, en een volgende monteur gaat er terecht van uit dat geelgroen veilig is. Trek een nieuwe ader of markeer een ongebruikte ader aan beide kanten.
Bij een dubbele schakelaar de doorverbinding vergeten
Eén helft doet het en de andere blijft dood. Bij zes klemmen met twee P-contacten zijn de twee helften vaak niet intern gevoed. Meet met de doorbelfunctie tussen de P-klemmen en leg zelf een kort bruin draadje als de meter stil blijft.
Op kleur vertrouwen in een oude installatie
Rood, wit en zwart door elkaar betekent dat er geen vaste afspraak achter de kleuren zit. Een rode ader kan net zo goed een schakeldraad als een fase zijn. Bel de aders door of meet ze uit voordat je iets vastzet.
Met een fasetester in een schroevendraaier meten
Zo'n schroevendraaier met een lampje gaat ook branden op een losse ader die alleen maar naast een fase in de buis ligt. Je wijst dan de verkeerde draad als fase aan. Een tweepolige spanningzoeker meet een echte spanning tussen twee punten en is daarin wel betrouwbaar.
Aders met beschadigd koper terugzetten
Koper dat een paar keer gestript en gebogen is, breekt af in de klem. Het licht doet het bij de test nog en begint maanden later te knipperen. Knip het laatste stukje af en strip opnieuw, dat kost twee seconden per ader.
De draden plat achter het binnenwerk duwen
Aders die met kracht in de doos worden geperst, knikken en trekken aan de klemmen. Vouw de draden als een harmonica achter het binnenwerk, dan blijft de isolatie heel en houd je bij een volgende ingreep genoeg draadlengte over.
Veelgestelde vragen
Hoe sluit ik een schakelaar aan met 2 draden?
De bruine fase gaat op de klem met de P en de zwarte schakeldraad op de andere klem. De nul komt bij een gewone schakelaar niet aan te pas, die loopt rechtstreeks naar de lamp. Strip ongeveer tien millimeter, steek de aders recht in de klemmen tot je een klik voelt en trek daarna licht aan elke draad om te controleren of hij vastzit.
Wat doe ik met de blauwe draad bij een schakelaar met 3 draden?
Bij een enkelpolige schakelaar dop je de blauwe ader af in een losse lasklem en duw je hem achterin de doos. Hij is de nul die in dezelfde kabel meeloopt en die de schakelaar niet nodig heeft. Laat hem wel zitten in plaats van hem af te knippen, want een latere dimmer of een slimme schakelaar heeft die nul juist wel nodig om zichzelf te voeden.
Waarom maakt mijn schakelaar kortsluiting?
In verreweg de meeste gevallen zitten fase en nul allebei op de schakelaar. Zodra het contact sluit, verbind je bruin en blauw direct met elkaar en slaat de automaat eruit. Let er ook op dat twee klemmen aan dezelfde kant van het binnenwerk vaak intern doorverbonden zijn, waardoor het al misgaat voordat je hem indrukt. Haal de blauwe ader eraf en dop hem af.
Welke draad gaat op het P-contact van de schakelaar?
De P staat voor pool en markeert de klem waar de fase binnenkomt, dus de bruine draad vanuit de groep. Sommige merken gebruiken in plaats daarvan een L of een afwijkende kleur op het lipje. Bij een wisselschakelaar is die markering bepalend, want de twee andere klemmen wisselen ten opzichte van de P. Bij een enkelpolige schakelaar met twee gelijkwaardige klemmen maakt de volgorde functioneel niets uit, zolang het maar de fase is die geschakeld wordt.
Hoe moet ik een snoerschakelaar aansluiten met 3 draden?
Je knipt in het snoer alleen de bruine ader door en klemt beide uiteinden daarvan in de twee contacten van het schakelmechaniek. De blauwe nul en de geelgroene aarde lopen ongeschonden door de behuizing heen, meestal via een doorvoerkanaal of een aparte doorverbindingsklem. Knip de aarde nooit door om ruimte te maken. Controleer daarna dat de trekontlasting aan beide kanten klemt, zodat er geen trek op de contacten komt.
Kan ik een dubbele schakelaar voeden met één bruine draad?
Dat kan, maar alleen als beide helften intern gevoed worden of als je ze zelf koppelt. Meet met de doorbelfunctie van een multimeter tussen de twee P-klemmen: piept hij, dan volstaat één bruine draad. Blijft hij stil, dan leg je een kort stukje bruine draad van 1,5 mm2 tussen beide P-klemmen. Sommige series leveren daar een kunststof doorverbindingsstrip bij die netter past dan een zelfgemaakt lusje.
Mag ik de geelgroene draad als schakeldraad gebruiken als ik een ader tekortkom?
Nee, de geelgroene ader is voorbehouden aan aarde en aan niets anders. Gebruik je hem als schakeldraad, dan staat de aardklem van elk armatuur in die kring onder spanning zodra het licht aan is. Kom je zo'n aansluiting tegen, herstel hem dan. Trek een nieuwe kabel of neem een ongebruikte ader in dezelfde buis die je aan beide uiteinden overmarkeert met gekleurde krimpkous.
Hoe weet ik of ik een wisselschakelaar of een enkelpolige schakelaar heb?
Draai het binnenwerk om en tel de klemmen. Twee klemmen betekent een gewone aan-uitschakelaar, drie klemmen waarvan er één met een P gemarkeerd is betekent een wisselschakelaar of een serieschakelaar. Kun je de lamp op twee plekken in huis bedienen, dan zitten er sowieso wisselschakelaars in en horen daar drie aders per schakelaar bij zonder dat er een nul tussen zit.
Er lopen maar twee draden naar mijn lamp, kan daar een schakelaar op?
Ja, want een lamp heeft aan de fitting alleen een nul en een schakeldraad nodig. De schakelaar zit daarvoor in de fase, meestal in de lasdoos of in het lichtpunt. Hoe je die twee aders aan het armatuur zelf verdeelt, ook bij een metalen lamp zonder aarde, staat bij een lamp aansluiten met twee draden. Blijft er een ader over, meet dan eerst uit wat die doet.
Mijn schakelaar heeft een controlelampje, waarom brandt dat niet?
Een controlelampje of oriëntatielampje heeft een eigen voeding nodig en die haalt hij bij de meeste series uit de nul. Zit er alleen een fase en een schakeldraad in de doos, dan blijft het lampje donker of gaat het alleen aan als de lamp brandt, afhankelijk van de uitvoering. Kijk in de handleiding van die serie welke klem het lampje voedt en of er een aparte nulaansluiting op zit.
Hoeveel draden mag ik in één klem van de schakelaar steken?
Dat verschilt per merk en per serie, dus lees het op het binnenwerk of in het bijgeleverde blaadje. Veel schakelmateriaal heeft per contact twee steekopeningen zodat je kunt doorlussen, maar dat is geen garantie. Past het niet, dan splits je de bruine draad met een lasklem en ga je vanaf die klem met twee losse aders naar de schakelaar toe.
Kan ik met drie draden ook een lamp in drie standen schakelen?
Voor drie standen heb je speciaal schakelmateriaal nodig met een fase-ingang en per stand een eigen uitgaande draad. Een gewone wisselschakelaar of serieschakelaar kan dat niet, ook al zitten er drie klemmen op. Hoe zo'n schakeling opgebouwd is en welke bedrading erbij hoort, lees je bij de schakelaar met drie standen.
Wanneer je beter een vakman belt
Een schakelaar vervangen of omzetten naar een dubbele uitvoering is werk dat je met de groep uit prima zelf doet. Er zijn wel situaties waarin je beter stopt en een installateur belt.
De eerste is alles in de meterkast achter de hoofdzekering. Een groep bijplaatsen, een aardlekschakelaar wisselen of iets aan de hoofdaansluiting doen ligt daar achter de grens: die zegels en dat deel van de installatie zijn voor de netbeheerder en een erkend installateur.
De tweede is een aardlekschakelaar die na jouw ingreep blijft afslaan terwijl je fase, nul en aarde hebt nagelopen. Dan zit er ergens een lek dat je met een gewone meter niet vindt, en dat vraagt om een isolatiemeting.
De derde is een installatie zonder aarde in de lichtpunten, of bedrading met verharde, brokkelende isolatie. Op zulke groepen is een losse schakelaar vervangen dweilen met de kraan open, en is vernieuwen van de leiding de eerlijke oplossing. Datzelfde geldt bij grotere ingrepen aan de elektra in huis waarbij je nieuwe kabels door bestaande buizen moet trekken.